De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Op zoek naar een christelijke identiteit in de maatschappelijke dienstverlening

Bekijk het origineel

Op zoek naar een christelijke identiteit in de maatschappelijke dienstverlening

7 minuten leestijd

2

Het opschrift van deze artikelen over maatschappelijke dienstverlening geeft blijk van enige onzekerheid. Er wordt gezocht naar christelijke identiteit. Dat betekent dat we nog niet het 'Eureka!' kunnen uitroepen. Voorzover de lezer mocht menen dat er zekerheden te vinden zijn in organisaties die wij christelijk plegen te noemen, wil ik die hierbij ontnemen. De christelijke organisatie kan geen garantie zijn voor een wezenlijk christelijke identiteit. Dat wil niet zeggen dat we de christelijke organisatie daarom maar moeten afschrijven. Ik zou haar eerder willen zien als hulpmiddel bij het zoeken naar die identiteit.

Identiteit en grondslag

Basiswaarden van de maatschappelijke dienstverlening weten wij als christenen te vinden in het diakonaat. En daarmee zijn we tevens bij de gemeente aangeland. Zoeken we naar de christelijke identiteit van dit stuk welzijnswerk, dan zullen we allereerst moeten zoeken bij de gemeente van Christus.

Die gemeente kan er plaatselijk zeer verschillend uitzien. Er zijn gemeenten waar de rechte leer overeenkomstig Schrift en belijdenis wordt gebracht. Waar plaats is voor een verkondiging van rechtvaardiging én heiliging in Christus. Gemeenten die iets uitstralen van het wonder van deze verkondiging, met name in het diakonaat. Want diakonie is toch een zaak van de gemeente, is een gemeenschappelijk gebeuren.

Er zijn gemeenten die, vanzelfsprekend, ook een diakonie kennen. Bij de één is die diakonie dan herkenbaar aan een jaarlijkse opsomming van opgehaalde giften, bij de ander worden associaties gewekt met zwart-geschoeide handen die aan een collecte-zak vastzitten. Diakonie kan daar beperkt worden tot een college van ambtsdragers die gewoonlijk vooraan in de gemeente zitten. Er zijn gemeenten waar het diakonaat zó gemeentediakonaat is dat het schijnt alsof de kerk opgaat in diakonaat. De kerk is dienstverlenend instituut geworden.

In al de drie opgesomde voorbeelden zit toch iets gemeenschappelijks. Een gemeente zonder diakonaat is niet denkbaar! In dit verband verwijs ik graag naar de onlangs gepubliceerde artikelen over het diakonaat in de 'Waarheidsvriend' van ir. J. van der Graaf. Als christenen willen wij graag de maatschappelijke dienstverlening geworteld zien in het diakonaat. Een geoorloofde en schriftuurlijke opvatting.

Over het algemeen is hieraan ook gestalte gegeven doordat diakonieën gingen deelnemen in instellingen voor maatschappelijke dienstverlening of zelf commissies of stichtingen voor maatschappelijk werk en gezinsverzorging in het leven gingen roepen.

In beide gevallen ontstonden er organisaties die op één of andere wijze nog een verbinding hebben met de kerk, de gemeente.

Op deze wijze poogt dan de gemeente iets te laten blijken van haar opdracht om te dienen in deze wereld, zoals ook Christus gekomen is, niet om gediend te worden, maar om te dienen.

Zo'n stichting krijgt dan een doelstelling mee en in veel gevallen ook een grondslag. Met een formulering als' de grondslag van de stich­ting is gefundeerd op Gods Woord en de Drie Formulieren van Enigheid' heeft men dan een poging gewaagd om de identiteit van het werk te garanderen.

Meestal is dan het proces van vervreemding het daaraansluitend gevolg.

Immers, diakonaal werk van de gemeente wordt gedelegeerd aan een aparte organisatie. Daardoor kan het werk zo mogelijk kwalitatief beter verricht worden, maar tegelijkertijd ontstaat er een afstand tussen de gemeente en het werk dat nu in haar naam uitgevoerd wordt. De grondslag, zoals die in de stichtingsakte voorkomt, kan weliswaar mede bedoeld zijn als brug naar de organisatie toe, in veel gevallen komt het voor dat de christelijke gemeente meent dat het nu wel op de juiste, door haar gewenste wijze, uitgevoerd zal worden.

Maar de organisatie wordt bevolkt met beroepsmensen die lang niet altijd de waarde van die brugfunktie zien, daarmee het achterland, de kerk, uit het oog gaan verliezen, en zo van het christelijke dienstverlenend instituut een zelfstandige grootheid maken.

En daarmee wordt de zo goed bedoelde christelijke identiteit langzamerhand een leus, een etiket dat nog voorkomt in de naamgeving van de stichting.

Zou het misschien hierdoor komen dat velen onder ons het wezenlijke van de christelijke organisatie niet meer zo zien zitten?

Professie overhoop met confessie

Hiervoor gaf ik reeds aan dat beroepsdienstverleners zich niet altijd druk kunnen maken over een grondslag.

Velen vragen zich af, wat kun je er mee beginnen, kun je met een grondslag mensen helpen? Identiteit? Jazeker, maar dan identiteit van de discipline, de werksoort. Het eigenlijke van het werk moet duidelijk naar voren komen. Het werk moet gezicht krijgen. De samenleving moet weten welke diensten door de maatschappelijke dienstverlening aangeboden worden. Er zal dus voortdurend gewerkt moeten worden aan voorlichting rond de identiteit. U merkt het al. Er is een zekere spraakverwarring waar te nemen. We spreken over identiteit, maar er kan totaal verschillende uitleg aan gegeven worden.

Je kunt spreken over professionele identiteit, maar wij bedoelen hier niet de identiteit van de werksoort, maar de confessionele achtergronden die leiden tot dit werk en die zo mogelijk ook zichtbaar worden in deze dienstverlening. Professionele identiteit, je werk, de inhoud daarvan, duidelijk maken, is een goede zaak. In de christelijke organisatie kan ze echter niet losgekoppeld worden van wat we dan maar gemakshalve de 'confessionele identiteit' noemen.

In de praktijk blijkt echter dat juist in de christelijke organisatie deze twee nogal eens met elkaar overhoop liggen.

Het is niet de bedoeling om in deze artikelen de tegenstellingen uitputtend uit te diepen. Maar wanneer men zoekt naar christelijke identiteit in de maatschappelijke dienstverlening, zal er toch iets van die tegenstellingen aangegeven moeten worden.

1. De basiswaarden van de maatschappelijke dienstverlening. De uitgangspunten van de professionele hulpverlening dienen we te zoeken in de humaniteit. Humaniteit is een begrip dat ook de Heilige Schrift niet vreemd is. Van daaruit verstaan wij de humaniteit als menselijkheid in het licht van Gods schepping. God heeft de mens goed, naar Zijn beeld geschapen.

Door de zondeval echter is daar weinig van overgebleven. Wij belijden dat deze humaniteit alleen weer hersteld kan worden door de verlossing in Christus.

Deze belijdenis is echter vreemd in de hulpverlening. Humaniteit wordt daar veeleer verstaan vanuit het humanisme. Uitgangspunt is dat de mens in principe alle mogelijkheden in zich heeft om voluit mens te kunnen zijn. Tekorten in de mens, in zijn relaties tot de ander, kunnen indien hij daartoe de intellectuele en emotionele vermogens heeft, langs methodische weg opgevuld of weggenomen worden.

Hier zien we al één van de wezenlijke verschillen tussen een 'pure' beroepsmatige opvatting en dat wat Gods Woord ons leert over de mens en het mens-zijn.

2. Om tot verandering van de situatie te komen, dient onderzocht te worden hoe en waar de tekorten ontstaan zijn.

De oorzaken dienen zo mogelijk weggenomen te worden. De maatschappelijke dienstverlening heeft tot doel om dan een veranderingsproces op gang te brengen. Daartoe kan men verschillende middelen gebruiken. Onder meer is in dit geval te denken aan het harmonie-model en het conflict-model. Afhankelijk van de situatie kan de dienstverlener met zijn cliënt kiezen. En ook hier zien we weer het spanningsveld ontstaan tussen professie en belijdenis. Hier komt duidelijk naar voren dat dienstverlening niet waarden-vrij is, maar telkens weer te maken heeft met ethische verantwoordelijkheid. En dan kan b.v. echtscheiding, maar ook abortus, of woningen kraken ondergebracht worden bij dienstverlening.

3. Het begrip welzijn heeft vanuit de professionele hoek gezien een totaal andere inhoud dan vanuit de bijbelse gezichtshoek. De Schrift leert ons dat welzijn, sjaloom, alles te maken heeft met vrede en gerechtigheid. Ook met persoonlijk heil. Wél-zijn is er alleen in Christus.

De dienstverlening acht welzijn een situatie van de mens waarin hij 'optimaal functioneert' , waarin zijn behoeften bevredigd worden, waarin we ons lekker voelen. Weliswaar met verantwoordelijkheid ten opzichte van het grote geheel van de samenleving, maar toch alleen maar aards, dies-seitig gericht.

Is het begrijpelijk dat bij deze tegenstellingen er een toenemende onzekerheid gaat ontstaan ook in christelijke dienstverlenende instellingen?

In het volgende artikel wil ik dan ook graag nader ingaan op mogelijke wegen naar die christelijke identiteit. Deze zijn niet alleen van belang voor de dienstverleners, of voor de diaken; maar juist om het dienstbetoon van de gemeente weer dichter bij die gemeente te brengen, óók voor iedere gelovige.

Bennekom

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 september 1977

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Op zoek naar een christelijke identiteit in de maatschappelijke dienstverlening

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 september 1977

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's