De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Wie laten we binnen...?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Wie laten we binnen...?

5 minuten leestijd

'De zonde ligt aan de deur, zijn begeerte is tot u.' Gen. 4 : 7b 'Zie, Ik sta aan de deur, en Ik klop...' Opb. 3 : 20a

'En de Heere zei tot Kain...'

In deze woorden ligt een dubbele verwondering.

De eerste is deze dat de Heere tot Kain sprak, d.w.z. dat de Heere met Adam en Eva uit het paradijs is meegegaan. God had, bij wijze van spreken, hen ook uit de hof kunnen verdrijven en er zelf blijven als de enige plaats waar Hij wilde wonen. Adam en Eva hadden gezondigd, maar de Heere had 'geen zonde gekend noch gedaan'.

Toch trok Hij mee de wereld in, die getekend was door de vloek, mee de aarde op die doornen en distelen voortbracht.

De tweede verwondering is dat de Heere 'tot Kain' sprak, dat is tot een zondaar. Kain haatte zijn broer en naar het woord van de Heere Jezus, had hij daarom zijn broer eigenlijk al gedood. Vol wraak en afgunst staat daar die eerste zoon... en toch '... de Heere zei tot Kain...'

Wat een neerbuigende goedheid van onze God, die Zich wendt tot Kain, toen en nu. En als we ons - door genade - wat in deze Kain herkennen, wordt die verwondering nog groter om wat de Heere tot Kain zegt.

Eerst een gewone vraag: 'Wat ziet u er toch slecht uit? ' of zoals de Bijbel het zegt: 'Wat is uw aangezicht vervallen...? en dit 'vervallen' wordt voor ons duidelijker door de vertaling 'ingevallen'. De Heere kan het zomaar uiterlijk aan Kain zien dat er iets verkeerd zit in zijn leven. Zijn gezondheid lijdt onder de zondige afgunst en wrok.

Dat is nog zo! Ik bedoel niet een lichamelijke ziekte in de gewone zin van het woord, waardoor weer 'vervallen' kunnen uitzien... maar elke arts, elke pastor weet dat lichamelijk 'erslecht-uitzien' mede veroorzaakt kan worden doordat er iets mis is in onze verhouding met onze broer (zo bij Kain) onze zus, ouders, kinderen, buren en noem maar op. Of omdat er iets mis is in onze verhouding tegenover de Heere en zijn eredienst. In dit verband spreekt Paulus dat er '... vele zwakken en zieken' zijn. (1 Kor. II)

Hoe ligt dat bij ons?

Nadat de Heere de vraag naar de 'natuurlijke' gesteldheid van Kain heeft geuit, volgde de vraag naar het 'geestelijk' leven. In de Bijbel ligt dat in elkaar vervlochten. Ook wij mogen dat niet uit elkaar trekken.

De Heere ging een tweegesprek aan: 'Is er geen verhoging indien gij weldoet...? ' Wanneer we deze woorden verbonden laten met het direkt daaraan voorafgaande 'vervallen, ingevallen, terneergeslagen aangezicht' mag het ook vertaald worden met: 'Is er geen verhoging (d.i. opheffing van het aangezicht) indien gij weldoet...?

Wat scherp getekend! Want het is dan toch maar zo, dat wij God en mensen niet recht en open durven aan te zien, als we gezondigd hebben, of als we zondige gedachten koesteren. Wanneer een kind tegenover zijn ouders kwaad gedaan heeft durft het toch ook vader en moeder niet recht aan te zien?

Gods scheppingskind Kain durft z'n hoofd niet op te heffen, omdat hij zondige gedachten heeft... en God wil hem daarover wakker schudden: ontwaak Kain! Als er niets te verbergen is, hef dan het hoofd op... maar indien gij verkeerd doet '... de zonde ligt aan de deur..."

'Ligt aan de deur...'

De zonde is als een roofdier, als een tijger in het oerwoud, of als een kat die geruisloos naderbij sluipt en met eindeloos geduld bij het deurtje van de vogelkooi op de loer ligt... totdat, totdat het opengaat, en dan een sprong en 't slachtoffer is reddeloos verloren.

De zonde is een 'robeest', zegt het Hebreeuws, een overvaller! Wat een scherpe tekening van de zonde. Wat kan die ons overvallen... zodat we soms moeten belijden: Hoe héb ik het kunnen doen...? '

Als een roofdier 'ligt' de zonde aan de deur. 'Liggen', eigenlijk 'zich legeren' of'de wacht houden' zoals alleen een roofdier dat kan bij zijn eventuele prooi.

'Aan de deur...' dat is 'aan de deur' van het persoonlijk leven, maar evenzeer aan de levensdeur van onze gezinnen, onze huwelijken ons volk, de mensheid.

'Aan de deur...'

Onwillekeurig gaan de gedachten naar die andere tekst uit de Schrift namelijk Opb. 3 : 20 'Zie Ik sta aan de deur...' Daar spreekt niet meer de zonde, maar Hij die over de zonde geheerst heeft, de zonde vernield heeft, daar spreekt de verhoogde Heere Jezus Christus.

Ontroerende gedachte: twee zijn er aan de deur van ons leven.

De zonde, dat is de duivel ligt aan de deur, die wil op een onbewaakt en zwak ogenblik naar binnen breken, die wil ons besluipen. Daar trilt iets in mee van het geniepige, het duistere. Maar Christus staat aan de deur en Hij klopt. Als een rechthebbende besluipt Hij niet, bespringt Hij niet doch vraagt op koninklijke wijze toegang tot ons leven.

'Wie laten wij binnen...? '

Zeg niet te snel: 'Natuurlijk de Heere Jezus, dat is toch duidelijk...' Dat is helemaal niet duidelijk, want vanuit onszelf van nature openen wij onze levensdeur niet voor Hem. Daarvoor is nodig de kracht van Gods Geest, en die wordt geschonken om niet in de weg van biddend strijdend en strijdend bidden.

'Wie laten wij binnen...? '

Zeg ook niet te snel: Natuurlijk de zonde, want wij zijn toch verkocht aan de zonde, en wij hebben ons hart al lang voor de duivel opengezet. .. al dat spreken over de zonde kan binnen gelaten worden is maar oppervlakkig spreken, want deze is er reeds...' Wanneer wij zo in vermeende vroomheid spreken ontkrachten wij de ernst van het Woord Gods in Genesis 4 en Openbaringen 3. Hoezeer het hart van Kain vol was van haat, dat is vol van de zonde, zegt de Heere toch 'De zonde ligt aan de deur, indien gij weldoet is er verhoging...' Wij hebben de Schrift nooit aan onze zijde, als wij - soms met rechtzinnige woorden de Heere de schuld willen geven van onze onbekeerlijkheid, ons 'niet weldoen'.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 september 1977

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Wie laten we binnen...?

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 september 1977

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's