De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Een kern van waarheid

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Een kern van waarheid

8 minuten leestijd

Dezer dagen ontvingen we als redactie een brief, die geschreven was naar aanleiding van de artikelen ds. H. Veldhuizen over 'De story van youth for Christ'; een lange brief, waarop ds. Veldhuizen wel zal reageren maar waarvan één passage ons inspireerde tot het schrijven van het hiervolgende.

Waarom het gaat

Ik schrijf eerst maar letterlijk neer wat de briefschrijver opmerkte. Eerst veltelt hij van een situatie van zijn dochter waarbij de kerkeraad wel reageerde. Maar dan zegt hij: Als mijn zoon van 20 jaar nooit in de kerk komt kraait er (echter) geen haan naar. Niemand die naar hem vraagt. Ook de jeugdouderling, die zo tegen Y(outh) F(or) C(hrist) is niet. Pas na herhaaldelijk verzoek is na 3 jaar een bezoek aan hem gebracht. Maar vooral geen samenwerking met YFC. Dan treedt de tucht in werking'.

Ik laat in het midden of de situatie zoals die getekend wordt objectief is (hoort men in zulke zaken 'de andere partij' dan krijgt men soms een ander verhaal); ik laat ook buiten beschouwing, dat mensen, wanneer er problemen zijn, snel geneigd kunnen zijn de kerkeraad in gebreke te stellen als het gaat om de pastorale verantwoordelijkheid. Maar dat neemt niet weg, dat er in deze opmerkingen een kern van waarheid is. We kunnen hier niet doen of onze neus bloedt. Op menige gemeenteavond kwamen we hartekreten als deze tegen. Daar zal dus wel wat aan de hand zijn.

Zuigkracht

We ervaren allerwegen, dat de zuigkracht van de 'wereld' groot is.

Jongeren, maar ook ouderen, vervreemden van de kerk, van de religie die ze van huis uit mee kregen. De één raakt hierbij verder op drift dan de ander. Voor sommigen komt er een buitenkerkelijk leven, terwijl ze verder als nette burgers voortleven. De kerk, de godsdienst, de Bijbel, het worden zaken, die buiten hun leven staan. Andere raken op drift. De wereld, de zonde, ze boeien in de tweeërlei zin van het woord. Er zijn zó jongeren, die op het hellend vlak komen, op wegen waarop geen stilstand is. Als dan de briefschrijver zegt, dat geen haan er naar kraait als zijn zoon al drie jaar niet in de kerk komt, dan ben ik allereerst geneigd te zeggen, dat de naaste verwanten in zulke gevallen wel héél bepaald de pijn ervaren van het verbreken van de band met de kerk met - alle - gevolgen - van - dien. Er wórdt door ouders wat afgetobd omdat kinderen eigen wegen gaan en niet meer gaan willen in de oude sporen.

Maar dan inderdaad kan het te schrijnender zijn als geconstateerd moet worden dat anderen, zeg de dominee, de kerkeraad daar nauwelijks over inzitten. Toegegeven, kerkeraden hebben te maken met méér mensen dan dat ene 'geval', dat nu nét voor iemand 'n levensprobleem is. Daarom zal er altijd te weinig aan gedaan (kunnen) worden. Wie zelf een probleem heeft staat er mee op en gaat er mee naar bed. Wie in de problemen van anderen gaat delen kan onmogelijk slechts dit ene in zijn gedachten en activiteiten meenemen.

Maar als dan toch maar bemerkt wordt, dat er meeleven is en dat deze echt pastorale gevallen ook pastorale aandacht krijgen.

Opvang

Het komt in onze tijd niet zelden voor, dat jongeren, die ontsporen of althans in onverschilligheid hun weg gaan, een opvang krijgen, ook een levenswending krijgen door aanraking met groepen als Youth for Christ. In vele gevallen is er door deze aanraking weer de weg naar de kerk gekomen. In veel correspondentie, die we de laatste jaren ontvingen, werd door ouders dankbaar gewag gemaakt van zulke veranderingen in het leven van hun kinderen. Wie zou daarover niet dankbaar zijn, óók al kunnen er dan nog dingen zijn waarvan men zal moeten zeggen: het is allemaal nog niet zoals het zou moeten zijn. In zulke gevallen zal men echter toch niet altijd het dogmatisch snoeimes kunnen hanteren maar zal er toch eerder blijdschap mogen zijn over wendingen ten goede? Het is goed te verstaan dat in zulke gevallen bij de ouders de blijdschap overheerst. Als er in zulke gevallen in de gemeente dan meer verontrusting is over bijkomende verschijnselen, die vanwege de traditionele bepaaldheid of - al is dat terechter - vanwege het gereformeerd belijden vragen oproepen, dan is dat een ernstige zaak. Er zal blijdschap zijn in de hemel over één zondaar die zich bekeert. Zal er dan in de gemeente géén blijdschap zijn als ook in déze tijd jongeren zich bekeren, welke middelen daarvoor dan ook gebruikt mogen zijn?

Niet zelden worden ons in bewegingen buiten de kerk(en) schuldrekeningen gepresenteerd. Er zijn streken in ons land waar het kerkelijk jeugdwerk, waar ook het kerkelijk leven weg is. Dan zullen we er ons over verblijden als tóch jongeren met het evangelie bereikt worden en zij zich bekeren van hun eigen wegen. Ik heb er behoefte aan momenteel een keer deze kant te benadrukken. Welke bezwaren we hebben tegen allerlei opwekkingskringen e.a. is meermalen aan de orde geweest.

Waar ligt onze verontrusting?

Wij hebben in de kerk de strijd te voeren voor de rechte leer. Daarin is getrouwheid een eerste vereiste. En dan zijn er wat een fronten waartegen we ons in deze tijd hebben te keren. Maar wat bij alles voorop zal staan is de mens, die reist naar zijn eeuwige bestemming. Bij alle kerkelijke strijd kan de geestelijke nood van de mens van nu, ook van de jonge mens van nu, al te gemakkelijk voorbij gezien worden. Dan kan men zich afvragen waar we eigenlijk nog mee bezig zijn.

In de Bijbel lezen we van de noodzaak te grijpen wie ten dode wankelt, van het geven van een beker water aan een dorstige; we lezen van Jezus die bewogen is over de schare en wenend voor Jeruzalem staat met de ontroe­ rende aanklacht: hoe menigmaal...! Zou die bewogenheid over het verlorene het afgedwaalde, niet óók de houding van de gemeente moeten kenmerken?

Waarom is er in bepaalde gemeenten altijd nog zo'n huiver voor evangelisatiewerk? Als we toch beseffen, dat er twee wegen zijn, dat elke mens eenmaal God rekenschap zal geven en dat de beslissende vraag zal zijn of er bekering kwam, of de mens van de wortel van zijn natuurlijke bestaan werd afgebracht en ingelijfd werd in de wijnstok Christus, zal dan ook niet de aandrift moeten zijn tot getuigenis en dienst, tot evangelisatie, tot opvang van verdwaalden?

Er ligt in de gemeente een binnenkerkelijke roeping om pilaar en vastheid der waarheid te zijn, maar er ligt toch ook een apostolaire roeping: gaat dan heen...? Wie de algemene verzoening op bijbelse grond verwerpt mag toch geen dag rust hebben bij het zien van zoveel ongeloof en afval?

Armoede

Het zou kunnen duiden op een stuk geestelijke armoede in de Gemeente als er verontrusting is om vele dingen maar niet meer om het ene nodige, juist ook voor de vervreemden, de ontspoorden, de gevangenen van de machten, idolen en ideologieën van de tijd.

Ik denk dat het een verontrustend verschijnsel genoemd mag worden, dat we ons soms drukker maken over kerkelijke kwesties dan om de nood van de mensen, die langs de rand van de afgrond gaan. Om een paar voorbeelden te noemen: avonden kunnen worden kapot geslagen met gekrakeel over kerkelijke ditjes en datjes en we gaan voorbij aan de nood van de mensen vlakbij. Om het scherper te zeggen: de priester en de leviet gingen ter tempel, belijdend hun rechtzinnigeheid maar de man aan de weg werd opgeraapt door de barmhartige Samaritaan. Zo kunnen er óók wat een woorden gewisseld worden bij kerkelijke overgangen. Die lijken soms dieper in te snijden dan gevallen van vervreemding van de kerk. Ik denk niet dat gegeneraliseerd mag worden maar het komt voor dat het kerkelijk grensverkeer kilo's weegt en vervreemding van het Woord grammen. Quis non fleret, wie zou dan niet wenen?

Rijdt men door de Amsterdamse Bijlmer dan ontwaart men in deze stad van de mens slechts torenhoge huizen blokken. Het snijdt door je heen als dan de vraag je bevangt: hoeveel kennen God nog? Zijn de meesten geen zonen van de verloren zoon, die al niet meer weten dat er nog een vader is? Hoeveel procent van de mensen in de steden voegt zich nog bij de gemeente? Bij het licht van deze vragen verbleken vele kerkelijke probleempjes.

Ik denk dat het nodig is dat we bij al ons ijveren en strijden voor de waarheid en het recht der belijdenis, elkaar ook telkens voorhouden dat het om méér gaat. Het gaat ook om het leesbare brief van Christus zijn in het zoeken van het verlorene. Raken we als kerk en gemeente en als individuele leden van de gemeente die bewogenheid kwijt, dan zou het kunnen zijn dat anderen ons voorgaan, die misschien minder dogmatisch zijn, maar wel bezield zijn met de levende aandrang van Godswege, om de mensen te bidden zich met God te laten verzoenen en die zo trachten te grijpen wie ten dode wankelen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 september 1977

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Een kern van waarheid

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 september 1977

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's