De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Moet het zó verder gaan?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Moet het zó verder gaan?

Een nieuwe vereniging in de Geref. Kerken

8 minuten leestijd

In 1974 gingen de twee verenigingen van verontrusten in de Gereformeerde kerken, t.w. Waarheid en Eenheid, die een gelijknamig blad uitgaf, en Schrift en Getuigenis, samen. Waarheid en Eenheid zou het gemeenschappelijke orgaan zijn met dr. E. Masselink als redacteur (hij was dat al sedert jaren). De 'vreugde' is van korte duur geweest. Het bestuur van Schrift en Getuigenis wenste vorig jaar het redacteurschap van dr. Masselink niet te verlengen. Ds. M. Vreugdenhil werd eindredacteur. Achter dit alles lag kennelijk de diepingrijpende vraag welke weg men gaan moest in de huidige Gereformeerde Kerken. Thans heeft zich binnen de Gereformeerde Kerken een nieuwe Vereniging van verontrusten aangediend, onder de naam Vereniging tot Bevordering van het Gereformeerd Kerkelijk leven. We vinden bij deze vereniging (uiteraard) de naam van dr. Masselink terug, verder van mr. P. Coumou, twee predikanten uit Urk (ds. K. Kramer en ds. H. Veenstra) en bij de adhesiebetuigers troffen we o.a. de naam aan van oud-senator H. Algra.

We nemen hier over het persbericht dat door de vereniging werd verstrekt.

'Vanuit de grote zorg t.o.v. Christus' gemeente, voor ons in eerste instantie de Gereformeerde Kerken in Nederland, is de Vereniging tot Bevordering van het Geref. Kerkelijk leven opgericht.

Nooit hebben onze kerken in zulk een fundamentele crisis verkeerd als vandaag. De moderne mens wil zelf het middelpunt zijn en de maatstaf bepalen voor zijn denken en doen. Deze levenshouding dringt ook door in onze kerken. Gods Openbaring in Jezus Christus, in Zijn Woord, wordt openlijk aangetast en afgeweerd. Maar zo wordt de oproep tot geloof en bekering te weinig of niet meer vernomen en vervreemdt de mens van het Evangelie.

De zgn. nieuwe theologie tast het hart van het bijbels belijden en het christelijk geloof aan. Vanuit het algemeen menselijk denken, worden de dingen beoordeeld; de Schrift is niet langer het criterium voor de waarheid; vanuit het menselijk ervaren en beleven wordt een beeld van God ontworpen; kortom, er is een duidelijke tendens van veralgemenisering van het Evangelie en van het geloof.

In de christologie (: Christus centraal) dreigt de anthropologic (: de mens centraal) te overheersen, zodanig, dat Gods Naam, Zijn grootheid en verhevenheid worden aangetast. Er wordt ten onrechte een te zwaar en te eenzijdig accent gelegd op het 'schokeffect' van de verzoening en de realisering daarvan. Zo wordt voorbijgegaan aan de onbegrijpelijke verborgenheden, maar niettemin zekerheden, door God gegeven in Jezus Christus, die in onze plaats de toorn van God over de zonde heeft gedragen, wat alleen door een waar geloof wordt verstaan en aanvaard.

De overmacht van Gods Woord over hart en verstand wordt het zwijgen opgelegd. Dat geldt met name als we zien wat de nieuwe theologie zegt omtrent het christelijk geloof: et is oergeloof, levend vanuit de ervaringswereld van nu en vroeger. Dat geloof door het Woord wordt gewerkt (Rom. 10 : 14, 15) en uit de kracht van de Geest is (Efez. 2 : 8) wordt niet of te weinig gehoord.

Vergeten wordt, dat de Kerk haar ontstaan en bestaan dankt aan de verkondiging van het Evangelie, terwijl die verkondiging ook haar eerste en onopgeefbare taak is. De belijdenis, de hartslag van de kerk, volgt de Heilige Schrift als het Woord van God. Die komt tot uitdrukking in het geloof en de wandel van haar leden, in de prediking op haar kansels en in het handhaven van haar belijdenisgeschriften.

Hieruit mag terecht geconcludeerd worden, dat de verantwoordelijkheid voor het lidmaatschap van de Wereldraad van Kerken en van de (Ned.) Raad van Kerken niet gedragen kan worden. Alleen als gespreksgemeenschap zouden zij acceptabel zijn. Onze Vereniging beoogt in woord en daad een antwoord te geven op de vragen van deze tijd bij het licht van de Heilige Schrift. De schijn van groepsvorming in negatieve zin wijzen wij pertinent af, hetgeen D. V. duidelijk moge blijken uit de inhoud van een t.z.t. geregeld te verschijnen blad. Allen die met deze doelstelling instemmen en lid zijn van de Gereformeerde Kerken, kunnen toetreden tot onze Vereniging. Ook u nodigen wij hartelijk daartoe uit.

Tenslotte vragen wij om uw gebed en verdere steun voor deze zaak binnen de gemeente van Christus'.

In een appélbrief aan de Gereformeerde Kerken worden de hierboven gestelde punten nader omschreven.

We geven deze dingen ter informatie door aan de lezers. Het wel en wee in andere kerken gaat ons ter harte. We moeten helaas constateren, dat de opdeling naar 'modaliteiten' binnen de Gereformeerde Kerken ook in volle gang is. We kennen al het Gereformeerd Confessioneel Beraad, dan de vereniging Schrift en Getuigenis en verder dan nu deze Vereniging tot Bevordering van het Gereformeerd Kerkelijk Leven. De geschiedenis herhaalt zich. Wat ooit in de Hervormde Kerk gebeurde aan het eind van de vorige eeuw en het begin van deze eeuw, toen verbanden als de Confessionele Vereniging en de Gereformeerde Bond ontstonden, vanwege het feit, dat de kerk als gehéél niet trouw was aan de confessie, voltrekt zich thans in de Gereformeerde Kerken.

Prof. dr. J. Plomp, die in het Gereformeerd Weekblad (Kok, Kampen) op één en ander ingaat, vindt dat verenigingen als deze niet nodig zijn. Alles wat zo'n vereniging doet moet(en) de kerk(en) zelf doen.

Men had - vindt prof. Plomp - de kerkeraden moeten vragen: 'zullen wij met zijn allen de kerkelijke weg weer eens in ere herstellen? '

Dat alles is idealistisch gesteld; het heeft een diepe kern van waarheid in zich óók, want het gaat immers om het herstel van de kerk en ecclesiologisch gezien (wat de leer aangaande de kerk betreft dus) weten we met bonden en verenigingen niet goed raad. Maar me dunkt, dat prof. Plomp ook de Hervormde kerkgeschiedenis kent en weet hoe lang de strijd om kerkherstel in de vooroorlogse jaren geduurd heeft en hoe wij ook na de invoering van de nieuwe kerkorde, toen het kerkherstel in de ogen van velen geslaagd was, geen kerkelijk leven kregen, dat overeenkomstig de belijdenis was.

In dat licht bezien is het van groot belang geweest, dat de Hervormde Kerk toch ook een stukje georganiseerd gereformeerd leven behield, dat ten diepste aan gemeente en prediking dienstbaar is geweest, al onderkennen wij bepaald de gevaren van het terugvallen op de groep en niet op de kerk. Wat dit betreft acht ik de opmerkingen van prof. Plomp aan het adres van nieuwe vereniging niet zo terza­ ke. Er is immers ook al menig appèl op b.v. de gereformeerde synode gedaan, in de zin waarin prof. Plomp dat wenst; maar is daardoor het herstel in de zin der confessie gekomen? Dan is het te begrijpen dat ook naar het (nood)-middel van de vereniging binnen de kerk wordt gegrepen.

Hoe verder?

Wat bij ons wel vragen oproept is of drie verenigingen, die de Gereformeerde Kerken nu rijk zijn, niet teveel van het goede is. Ik besef zeer wel, dat de vereniging Schrift en Getuigenis zo langzamerhand het behoren tot de Gereformeerde Kerken niet meer zo ziet zitten en nu naar het middel van noodgemeenten (en ook huisgemeenten) grijpt en dat het Confessioneel Beraad de netten wat wijder uitzet dan nu de nieuwe vereniging. Maar als in zo betrekkelijk korte tijd liefst drie verbanden in de Gereformeerde Kerken ontstaan, die elk voor zich toch ook nog betrekkelijk klein zijn, dan wordt de verontrusting binnen de Gereformeerde Kerken er niet geloofwaardiger op. Men kan zich afvragen: waar gaat dat uitkomen? Het is in ieder geval tekenend voor de interne situatie in de Gereformeerde Kerken. Tegen deze achtergrond bezien kan ik wel begrijpen, dat prof. Plomp zijn vragen heeft en dat hij aan dr. Masselink zegt, dat hij wel gedacht zou hebben dat deze, na de troubles die hij persoonlijk kreeg in Schrift en Getuigenis, wel gezegd zou hebben: 'en nu nooit meer een vereniging'. Maar me dunkt, dat prof. Plomp zich ook zó gemakkelijk niet van het ontstaan van verenigingen binnen zijn kerk mag afmaken. Eigenlijk vraagt de oude (kerkelijke) gereformeerde visie om veel meer, misschien wel om datgene wat de Vrijgemaakten doen. Want zó wilden de vooroorlogse Gereformeerden het toch eigenlijk ook? Dat maakte juist het verwijt uit, dat wij als Hervormd Gereformeerden (met onze vereniging) immer van de zijde der Gereformeerde Kerken ontvingen.

Intussen bidden we dat ook binnen de Gereformeerde Kerken, mét of zonder vereniging, de confessie en de religie daarvan, weer zo mogen gaan functioneren dat de Gereformeerde Kerken als behorend tot de werkelijke Gereformeerde Gezindte weer herkenbaar zullen zijn. Dat daarover de Christelijke Gereformeerde Kerken op hun synode hun vragen hadden in verband met het contact orgaan voor de Gereformeerde Gezindte (C.O.G.G.) ligt namelijk voor de hand.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 september 1977

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Moet het zó verder gaan?

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 september 1977

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's