Nicolaas Schotsman
8
In januari 1821, ongeveer een jaar voor Schotsmans overlijden, verscheen te Leiden een boekje, van ruim 150 bladzijden, dat kennelijk de bedoeling heeft gehad, getuigenis af te leggen omtrent de handelwijs van enige Réveilmensen in Zwitserland; en dat uit het Frans in het Nederlands vertaald is om de ogen der geloofsgenoten hier te openen voor de ergerlijke toestanden die zich afspeelden in het stamland van het gereformeerde Protestantisme, opdat zij, in hartelijke verbondenheid, met de broeders daar zouden meeleven.
In het oude Geneve was er heel wat gaande in die tijd. Men verkeerde daar sinds de tweede helft van de 18e eeuw in de ban van de Verlichting. De Rede-religie had de harten gestolen. De predikanten waren, op uitzonderingen na, neologen. Wat de neologie ofwel het neologisme precies inhield zal ons straks wel duidelijk worden.
Gelukkig ging niet iedereen in Geneve mee met deze nieuwe theologie. Er kwam zelfs een opwekking, een Réveil.
Een boekje open
Daaromtrent worden wij ingelicht door het boekje waar wij straks op doelden. De schrijver is een zekere Ami Bost. Zoals wij opmerkten schreef hij zijn boekje in het Frans; de Nederlandse vertaling werd door Schotsman van een Voorrede voorzien. De titel luidt Het godsdienstig Geneve in maart 1819. Er wordt in dit boek een 'boekje opengedaan' omtrent het diepe verval van de kerk in Zwitserland, met name in Geneve.
Ami Bost was een jong predikant. Hij was in 1790 geboren. Studeerde theologie te Geneve. Kwam tot bekering en aanvaardde nu de gereformeerde leer. Hijzelf deelt in zijn boekje mee: Ik heb 2 jaren een zeer afgelegen gemeente gediend. Maar nu ben ik afgezet. Dat heeft de Opperkerkeraad van Geneve gedaan. Ik ben nu verbonden aan een afgescheiden kerk, de Herstelde Kerk van Geneve. Niet dat ik zo strijdzuchtig ben, maar in een valse verdraagzaamheid kan ik niet leven. Beter is een heilzame onrust dan een dodelijke rust.
De kerk van Geneve, zegt Bost, en dan bedoelt hij de volkskerk, heeft het ware christendom de rug toegekeerd. Dat is thans, 1817, algemeen bekend. Er zijn tal van novateurs (nieuwlichters) opgestaan. Zij werken naar een vast plan, zij passen kunstgrepen toe.
Welke zijn hun leringen? Ik zal de ergste noemen. In de eerste plaats, zij loochenen de godheid van Christus. Zij houden Hem voor een voornaam en edel mens, maar meer niet. Maar zo verliezen Christus' verlossing en dood hun gewicht; zo wordt de hartader van het christendom afgesneden.
In de tweede plaats, zij geloven niet meer dat Gods vrije genade als onmisbare bron tot zaligheid voor de mens is. Zij geloven dat ieder mens rein en zonder enige neiging tot het kwaad in de wereld komt, en dat de val van Adam geen gevolgen heeft gehad voor 's mensen zedelijke mogelijkheden, en dat een mens door zijn goed gedrag de hemel verdienen kan, en dat hij niet nodig heeft dat de Geest Gods hem wederbaart.
In de derde plaats, zij zeggen dat Jezus Christus niet meer gedaan heeft dan ons geleerd hoe wij onszelf kunnen verlossen. Zij gaan uit van de natuur en het natuurlijke. Sommigen van hen bannen zelf alles uit hun geloofsbelijdenis wat niet tot de natuurlijke religie te herleiden is. Wat de mens niet doormiddel van zijn eigen rede ontdekken kan, is volgens hen geen waarheid. Daarom verwerpen zij ook het bestaan van een duivel en van een hel.
In de vierde plaats, vele leraren in Zwitserland zijn zelfs al zo ver gekomen dat zij zonder meer alle wonderen van de bijbel lopchenen. Alles wordt 'natuurlijk' uitgelegd. Dat de Jordaan droog werd is, zeggen zij, het gevolg geweest van het feit dat een groot rotsblok in haar bedding viel. Jezus' wonderen verklaren zij op deze wijze, dat ze zeggen: Hij was een magnetiseur.
Intussen verbasteren de zeden, verwildert de jeugd, wordt heel de maatschappelijke orde ontbonden, en heerst er een schrikbarende verwarring en onzekerheid op alle terreinen. Maar er zijn, aldus Bost, ook tegenkrachten. En dan gaat hij verhalen van de afscheidingen die hebben plaatsgevonden. Hoe de Herstelde Kerk van Geneve ontstaan is, en de Vrije Kerk van César Malan. Kortom, hij maakt ons deelgenoot van een episode uit de geschiedenis van het Zwitserse Réveil.
Schotsman en Geneve
Schotsman moet zich bij deze nieuwe beweging enigszins betrokken hebben gevoeld. Hij speurde daar dezelfde strijd die hij streed in de Nederlanden. Zeker, hij had zijn bedenkingen. Die heeft hij ook uitgesproken. Hij zag geen aanleiding om in Nederland tot dezelfde daden te komen als de geloofsgenoten in Zwitserland. Hij wilde geen afscheiding. Hij zegt: 'Niemand denke, dat ik in deze Voorrede de Nederlanders tracht op te wekken en aan te moedigen tot soortgelijke scheuring en afscheiding van de openbare Kerk'. Hij vervolgt: 'Hiertoe is bij ons tot op heden geen reden'. Waar dan volgens Schotsman wél reden toe is? Hij zegt: 'Maar wel om te waken en te bidden, dat het God gelieve alle gevreesde gevaren voor het verlies of de verbastering der waarheid af te wenden'.
Neen, aan afscheiding dacht Schotsman niet. Wel aan protest. Hij zegt: 'Alleen dit mag ik nu nog zeggen, dat wanneer (hetwelk God genadiglijk verhoede) de Nederlandsche Gereformeerde Kerk immer zo diep vervallen mocht als die van Geneve, het niemand der gezonde belijders berouwen zal aan de verbastering de hand niet geleend, maar er zich, zoveel hij kan en mag, tegen verzet te hebben. God geve, dat, zo er immer in of na onze leeftijd (is tijd der levens) een dringende reden tot hervorming mocht komen, zij dan evenals in Geneve in haar midden mannen mag zien opstaan, die bezield met de geest der Hervormers van vóór drie eeuwen, op het voetspoor hunner vaderen van vóór twee eeuwen, voor de zaak van God pal staan, en in die heilige strijd voor het geloof, dat eenmaal de heiligen overgeleverd is, de overwinning over de dwalingen van ongeloof en bijgeloof behalen mogen'.
Ruim 10 jaar later zou het zo ver zijn. Dan het optreden van de Cock. Met als inzet: een hervorming ! Maar was het een hervorming gelijk Schotsman voor ogen heeft gestaan en heeft gewenst? Wellicht tendele; tendele, méér niet.
De Hervormde Kerk
Schotsman heeft dus wel meegeleefd met wat in Zwitserland en elders gebeurde. Hij wraakt het nog al, in zijn Voorrede, dat er zovelen waren die niet meeleefden met de Kerk elders. Hij zegt daar namelijk: Er zijn goede christenen, 'die hun belijdenis wel verstaan en voor zichzelf met hun gansche hart in beoefening brengen, maar die meenen noch tijd noch roeping te hebben om zich in een breedere beschouwing van onze Kerkstaat te verdiepen'. Zij zijn ermee tevreden, zegt hij, dat zij in de plaats wa|ar zij wonen het Evangelie horen preken en voor zichzelf zielevoedsel vinden, in wat elders gebeurt stellen zij geen belang. Maar daarmee schieten zij tekort in de gemeenschap der heiligen.
Ik vermoed dat ook tal van predikanten zich in die tijd deze tijd deze critiek van Schotsman hebben kunnen aantrekken.
Toch is er bij Schotsman, denkend aan eigen Hervormde Kerk, nog veel dankbaarheid. Hij zag niet enkel spoken. Zouden wij ons niet verheugen in onze voorrechten, zegt hij, als wij dit boekje lezen? Wij lezen hier hoe diep de neologie in Geneve is doorgedrongen; hoe de lichtzinnigheid daar als een stroom door alles heenbreekt en met zich wegspoelt; welke heilloze dwalingen daar openlijk worden geleerd en met geweld worden staande gehouden; hoe men daar getrouwe leraars verbiedt de grondwaarheden van het. Evangelie op de kansel te brengen; hoe men de oude confessies verwerpt en vervangt door menselijke bepalingen en voorschriften; hoe men getrouwe dienaren van het Evangelie uit hun ambt ontzet. Daarbij vergeleken leven wij in Nederland nog gelukkig. Onze leraren kunnen onverlet de leerstukken van de Gereformeerde Kerk prediken en behoeven niet beducht te zijn dat men hen daarom uit hun ambt omtzetten en de gemeenten van hun dienst beroven zal. 'Men mag hen miskennen, haten, lasteren, en met mond en pen over de hekel halen, maar dit zal hen niet wezenlijk schaden noch hinderen. 'Wij verheugen ons er met dankbaarheid over' dat de Hervormde Gemeente in Nederland van zulk een verregaande vervalsing en openbare onderdrukking der waarheid in haar boezem geen kennis draagt'.
Maar in één adem voegt Schotsman daar aan toe: 'Maar kunnen wij ons daarom verzekerd houden, dat de listige ondermijning van onze nu zo wél verzekerde ringmuren en bolwerken nimmer gelukken zullen, en de gezonde belijdenis van onze geloofswaarheden ons altijd bij zal blijven? Wie die ogen in het hoofd heeft, ziet niet reeds ons diep verval en ducht niet reeds van de toenemende onverschilligheid de schromelijke gevolgen? '
Zo schommelde de oude Schotsman heen en weer tussen dankbaarheid en zorg. Hij wou de Hervormde Kerk in Nederland bepaald niet op één lijn stellen met de vervallen kerk in Geneve, maar wel vreesde hij voor haar het ergste. En hij deed wat hij nog kon doen om het onheil te weren.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 september 1977
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 september 1977
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's