De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

9 minuten leestijd

Belangrijke vragen komen naar mijn mening aan de orde in 't referaat dat dr. C. Bezemer gehouden heeft op de vergadering van de Confessionele vereniging in juni. Men versta mij goed: Het is niet mijn bedoeling om twee vertegenwoordigers van de Confessionele vereniging tegen elkaar uit te spelen. Dat zou ook niet fair zijn, omdat het in het ene geval een referaat betreft en in het andere geval een boekbespreking. Maar ik doe m.i. niemand onrecht als ik zeg dat er ook binnen de Confessionele vereniging toch genuanceerd gedacht wordt over de verhouding tot de Gereformeerde kerken. Dat wordt door de publicatie van dergelijke artikelen ook niet onder de tafel gewerkt, en dat pleit m.i. voor de Confessionele vereniging. Ik heb weleens het gevoel dat er op deze punten ook onder ons nog wel wat nuanceringen zijn, maar dat we uit een zekere verlegenheid het vaak maar onbesproken laten. Maar dat terzijde. Nu het artikel van dr. C. Bezemer, dat opgenomen is in het Centraal Weekblad. In het nummer van 3 september brengt dr. Bezemer de binding aan de belijdenis ter sprake. Hij constateert dat het onjuist is te stellen alsof alleen de Gereformeerde Bond van geen samenwerking zou willen weten. Ook in allerlei confessionele gemeenten ligt de verhouding moeilijk. Ten aanzien van het belijden der kerk, liever nog: de belijdenisgeschriften, zijn er allerlei knelpunten.

Toen de nieuwe Kerkorde van de Ned Hervormde Kerk in 1951 in werking trad, waren vele Gereformeerden -en we kunnen er aan toevoegen ook vele Hervormden - hoopvol gestemd. Van Gereformeerde zijde zag men de mogelijkheden van toenadering toenemen, want zo werd gezegd: Er is wat veranderd in de Hervormde Kerk; men maakt weer ernst met de belijdenis. Maar al spoedig kwam de teleurstelling. Men werd zich bewust, dat de Hervormde Kerk niet belijdt in overeenstemming met de belijdenis der vaderen maar in gemeenschap met de belijdenis der vaderen. Waar nog bijkomt, dat de Kerk niet weert wat haar belijdenis weerspreekt, maar wel wat haar belijden weerspreekt. Dientengevolge sloeg de hoopvolle verwachting bij vele Gereformeerden en Hervormden om in teleurstelling.

Nu is het duidelijk, dat men zich niet aan de letter van de belijdenisgeschriften heeft willen binden (de oude Chantepie de la Saussaye waarschuwde daar destijds al voor; bovendien is het ook goed confessioneel), maar ik neem aan dat ook de Gereformeerden zich niet aan de letter willen binden. Toch kan niet ontkend worden, dat de Kerk door te spreken van 'haar belijden' (wat is dat eigenlijk? ) de deur openzet voor allerlei meningen, die het met de belijdenis helemaal niet zo nauw nemen en er zich weinig of niets aangelegen laten liggen.

Het lijkt er veel op, dat in de Hervormde Kerk zonder meer wordt getolereerd wat zich als 'belijden' aandient, en dat dit sdlzwijgend wordt geschoven onder de dekmantel van 'het belijden der Kerk'. Geen wonder dat daartegen niet alleen vele Hervormden maar ook vele Gereformeerden - en ik kan wel zeggen de Gereformeerde Kerken - in verzet komen. Nu zou men daartegen in kunnen brengen, dat de vrijzinnigen officieel geen plaats hebben in de Hervormde Kerk. Maar dan herinner ik aan de briefwisseling zomer 1973 met de Vereniging van Vrijzinnig Hervormden en de daaraan verbonden consequenties.

In de brief van 11 juli 1973 aan deze Vereniging, ondertekend door de toenmalige waarnemend praeses en de secretaris van het moderamen van de Hervormde Synode stond: 'In dit verband willen wij gaarne opmerken, dat het van bijzondere betekenis is te blijven bestuderen hoe ook in de Gereformeerde Kerken het verschijnsel van het zgn.: vrijzinnig theologisch denken kerkelijk en theologisch verwerkt blijkt te kunnen worden.

Blijkens officiële documenten moet het Hervormd mederamen tegen het Gereformeerde gezegd hebben dat de Hervormde Kerk een dialogisch kerkbegrip kent (waar dit beschreven staat zou ik niet weten) en dat het vrijzinnig denken net zo min gewettigd is als bijvoorbeeld het fundamentalisme, het piëtisme of de Gereformeerde Bond. De conclusie die we aan een en ander menen te moeten verbinden is deze: dat we wat dit betreft niet weten waaraan we toe zijn en dat logischer wijze de Gereformeerden het helemaal niet meer weten. Al met al blijft de zaak van het belijden een knelpunt in de onderlinge verhouding tussen Hervormden en Gereformeerden.

Bevindelijke prediking

Daarbij mag evenwel niet verheeld worden, dat waar aanvankelijk de Gereformeerden op het standpunt stonden dat met de veranderde Hervormde Kerk van na 1951 wel samenwerking te zoeken was, wij nu van Hervormde kant ons moeten afvragen of het nader komen tot elkander niet eerder gelegen is in het feit, dat de Gereformeerde Kerken veranderd zijn en dat men het in de Gereformeerde Kerken minder nauw is gaan nemen met de belijdenis. Meningen die voor enkele tientallen jaren niet voor mogelijk geacht werden in de Gereformeerde Kerken, worden nu zonder meer gespuid. En nu is er weliswaar in 1964 een prachtig boekje verschenen, uitgegeven door het moderamen van de Hervormde Synode, waarin op blz. 15 staat: 'ZowelHervormden als Gereformeerden zijn van mening, dat de Kerk door het oefenen van tucht dient waar te maken dat zij haar belijden ernstig neemt', maar dat bereikt men niet door alleen maar herderlijke brieven te schrijven en kanselboodschappen op te stellen. Ook de kerkorde en het dienstboek voor het handhaven van die tucht geven geen garantie. Voor beide Kerken geldt, dat men wat het handhaven van de tucht (met name de leertucht) betreft, met de handen in het haar zit.

Het tweede punt wat Bezemer in zijn artikel naar voren brengt is het punt van de bevinding van de prediking. Hij wijst er op dat de bevinding een wezenlijk element is van het leven des geloofs. In de Hervormde Kerk is een veel sterkere bevindelijke, piëtistische onderstroom maar Bezemer's oordeel dan in de Gereformeerde Kerken.

De Afscheiding en de de Doleantie hebben zeer beslist deze piëdsche onderstroom in de Hervormde Kerk niet meegenomen.

Hoewel dr. K. Dijk in zijn boek 'De dienst der prediking (1955) spreekt van 'eenonderwijzen in de rechte bevinding', wijst hij even daarvoor het Piëtisme van de hand omdat 'deze richting in drieërlei opzicht de 'schapen' van de 'goede' weiden en van het spoor der gerechtigheid aftrekt.'

1. door zijn subjectivisme met het zwaartepunt op de bevindingen des Christens.

2. door zijn individualisme, dat de ogen sluit voor voor de betekenis van het verbond en Christus' Kerk.

3. door zijn spiritualisme, waarin de overdrijving van het eenzijdig-geestelijke de glans aan het christelijk leven ontneemt.

Ik wil hier meteen aan toevoegen, dat ik deze uitspraken van dr. Dijk in hun algemeenheid niet voor mijn rekening zou willen nemen. Onlosmakelijk hiermee verbonden meen ik te moeten stellen, dat naar mijn vaste overtuiging in de Hervormde Kerk een meer bevindelijke prediking, wordt gehoord dan in de Gereformeerde Kerken. Gereformeerden komen eerder tot het toeëigenen van het heil en spreken eerder van 'een kind van God' te zijn dan een Hervormde. Als u mij vraagt dit te willen verklaren, dan moet ik helaas zeggen daartoe niet in staat te zijn. Maar in gesprekken die ik in de loop der tijden met Gereformeerden heb gehad, is mij dit steeds weer opgevallen. Hier ligt een belangrijk knelpunt in het onderweg samen goed overweg kunnen tussen Hervormden en Gereformeerden .

Naar mijn mening verdient met name dit laatste punt bredere aandacht. Immers zullen Hervormden en Gereformeerden samen op weg gaan dan zal men elkaar moeten vinden in de prediking, de bijbels-reformatorische prediking. Terecht constateert Bezemer hier allerlei accentsverschillen. Ze hangen m.i. samen met een verschillende aandacht voor het werk van de Heilige Geest. Tegelijk moet gezegd worden dat de invloed van de nieuwe theologie binnen de beide kerken van dien aard is dat menigmaal de vragen rondom de heilsorde nauwelijks meer de aandacht krijgen, en de toepassing gezocht wordt in de politieke en maatschappelijke betrokkenheid. Dr. Bezemer blijkt nog al kritisch tegen het samen-op-weg aan te kijken. Niet dat hij niet van harte hereniging begeert. Maar deze hereniging mag niet geschieden op praktische gronden, waarbij men de vraag naar het rechte belijden loslaat. En evenmin mag men een schijneenheid forceren. Uit het artikel van 10 september in het Centraal Weekblad citeren we:

Maar dat wil niet zeggen, dat we daarom een eenheid moeten forceren, die in wezen een schijneenheid is, waardoor meer wordt afgebroken dan opgebouwd. In dit verband wil ik er nogmaals op wijzen, dat het sluiten van kerkgebouwen, dus het verminderen van de kerkdiensten met name op de zondagavond 'omdat men samendoet' niet zozeer de eenheid bevordert, alswel afbrekend werkt voor de kerkgang.

Nu kan ik me indenken, dat u zich afvraagt: 'Moeten we dan maar stoppen? ' Moeten we zeggen: 'We waren onderweg, maar we zijn uit elkaar gegaan? ' Ik meen, dat dit niet verantwoord zou zijn en dat we daarmee ook geen vrede zouden kunnen hebben. Juist in een tijd, waarin beide Kerken met dezelfde problemen te kampen hebben, kunnen ze veel van elkaar leren, hebben ze elkaar nodig en dient de een zich vooral niet uitnemender te achten dan de ander. Met elkaar onderweg zijnde, is niet de vraag van belang wie van beide de meeste is, maar wel wie voor beide de meeste is. Maar waarlijk één zijn met elkander zal dan eerst mogelijk zijn, wanneer er overeenstemming is over het belijden en over het handhaven van de belijdenis.

Een emeritus-predikant van de Gereformeerde Kerken vertelde mij onlangs: Tot aan het eind van de dertiger jaren leerde ik mijn catechisanten: De Gereformeerde Kerk is de meest zuivere openbaring van het Lichaam van Christus. Daarna, tot aan het begin van de vijftiger jaren, leerde ik: De Gereformeerde Kerk is de minst onzuivere openbaring van het Lichaam van Christus. Daarna heb ik ze geleerd: De Gereformeerde Kerk doet haar best om waarlijk Gereformeerde Kerk te zijn.

Het enige wat ik hieraan wil toevoegen is: laten we hopen en bidden om met elkaar in de geseculariseerde wereld van vandaag met woord en daad de Christus der Schriften te mogen belijden, en op deze wijze te getuigen van de zekerheid die in ons is. Zo kunnen we ook voor elkaar onderweg tot een rijke zegen zijn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 september 1977

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 september 1977

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's