Meningen over de Gereformeerde Gemeenten
Bij een nummer van 'De Schakel'
Dit jaar is het 70 jaar geleden dat de Gereformeerde Gemeenten in ons land ontstonden. Daar is in de pers nogal wat aandacht aan geschonken. Eigenlijk wat merkwaardig. Men zou zulks eerder verwachten bij een echt jubileumjaar, dus wanneer de Geref. Gemeenten 75 jaar bestaan, dan nu, nu het nog maar 70 jaar is. Mogelijk heeft men er behoefte aan gevoeld deze kerkelijke groepering eens extra voor het voetlicht te brengen.
Ook in het wekelijks verschijnende gezinsblad 'De Schakel' is er ruim aandacht aan dit 'jubileum' geschonken, nl. in het nummer van 9 september jl. Uit dit nummer willen wij uit de artikelen van diverse scribenten het een en ander aanhalen; te weten wat treffende uitspraken; zonder daar overigens al te veel commentaar op te geven.
Het eerste artikel is van de hand van drs. H. A. Hofman: Kanttekeningen bij een jubileum. Foto's van de predikanten G. H. Kersten, C. van den Oever en L. Boone verluchten dit artikel. Doch daar gaat het nu niet over. Wat mij in het bijzonder trof was hetgeen drs. Hofman in zijn artikel meedeelt omtrent ds. L. G. C. Ledeboer. Ledeboer, zo lees ik, was een wetenschappelijk gevormd theoloog; na zijn bekering evenwel brak hij met zijn verleden; in zijn gedrag en taalgebruik werd hij één met de eenvoudigen; zijn in de loop der jaren opgebouwde boekenbezit deed hij, op enkele uitzonderingen na, van de hand; het was hem tot zonde geworden.
Deze gegevens kloppen inderdaad met de feiten. Wie ook maar iets van Ledeboer leest, ontdekt dat. Maar vreemd is het toch wel! Bij de reformatoren of de gereformeerde theologen uit de 17e eeuw ben ik zoiets nooit tegengekomen. Eerder het tegenovergestelde. Het enige kostbare wat Calvijn naliet bij zijn dood was zijn boekenbezit. En wat heeft hij er niet een voor de kerk gezegend gebruik van gemaakt! En nooit hebben deze mannen het gezocht in het 'platte' van Ledeboer. Zij schaamden zich voor hun wetenschappelijke vorming niet, en verloochenden die ook nooit. Het was bepaald niet gereformeerd, in de klassieke zin van het woord, dat Ledeboer 'bekering' en 'wetenschappelijke vorming' zo tegenover elkaar stelde.
Ds. J. W. Verwey, zelf predikant in de Geref. Gemeenten, werd een interview afgenomen. Opnieuw kom ik een paar foto's van ds. Kersten tegen.
In de gesprekken, die met ds. Verwey gevoerd zijn, komt heel wat voor waar wij óf waardering voor hebben, óf begrip, óf vragen bij voelen rijzen. Zo is, om iets te noemen, ook ter sprake gekomen het curatorium. Men weet, ieder die predikant wil worden in de Geref. Gemeenten moet het curatorium passeren en voor de leden daarvan verslag uitbrengen van 'bekering' en 'roeping tot het ambt'. De beslissing tot het al of niet toelaten tot het predikant ligt in handen van dit curatorium. Ook ds. Verwey neemt het er voor op en zegt: ' Nee, als de zaak vrijgegeven werd zou je je hart vasthouden. Al beweer ik niet dat het curatorium nooit fouten kan of gemaakt heeft'.
Bij deze opmerking stel ik de volgende (critische) vragen:
1 Behoeven mensen, die gekozen worden tot ouderling of diaken niet 'bekeerd' en 'geroepen' te zijn? Waarom alleen maar een curatorium voor hen die het predikambt gaan bedienen? En niet ook voor hen die het ambt van ouderling of diaken gaan bedienen? Hoe kan men met de Schrift in de hand verdedigen dat de ambten van predikant én ouderling en diaken zozeer verschillend zijn dat in het ene, eerste geval wel een onderzoek moet worden ingesteld en dat dat bij het andere geval niet nodig is?
2. Als ds. Verwey toegeeft dat het curatorium fouten maken kan en mogelijk in het verleden ook gemaakt hééft, beseffen dan hij en degene die met hem instemmen wel wat dat betekent? Dan kunnen dus mensen, die God er 'in' wil hebben door mede-mensen er 'uit' gehouden zijn, en omgekeerd. Onze vaderen zijn uitgegaan van de wetenschap, dat alleen de Heere de Zijnen kent, wat ook de Schrift zegt, en gaat het dan niet te ver om op Gods rechterstoel te gaan zitten en te zeggen: Déze is bekeerd en geroepen en die niét? Wij beamen van harte dat elk ambtsdrager een godvrezend man behoort te zijn, en geroepen tot zijn ambt en wij zijn er ook niet tegen, dat er een 'pastoraal gesprek' wordt gevoerd met degenen die óf zichzelf melden óf gekozen worden; maar dat men verder gaan mag betwijfelen wij. Als ik denk aan het 'curatorium' én aan de opmerking van ds. Verwey dat er fouten gemaakt kunnen worden en mogelijk ook gemaakt zijn, huiver ik!
Onze eindredacteur ir. J. van der Graaf heeft ook een artikel gepleegd in dit nummer, onder de titel: Een jarige in de familie. Nu zie ik weer een foto van ds. Kersten. Maar toch ook een foto van ds. R. Kok en een van de gezamenlijke opstellers van het Getuigenis, samen luisterend naar prof. Van Niftrik tijdens de rede die deze hield voor onze Synode. Van der Graaf zegt: Ik weet mij één met de Geref. Gemeenten, ook al zou ik wensen dat het gehéél van de prediking - wij generaliseren uiteraard niet - breder en dieper confessioneel, dat wil zeggen naar de belijdenis, verankerd was en ook breder en dieper vanuit de tekst zou opkomen en ook al zou ik willen dat terzake van het verbond bijbels-onbevangener gesproken werd (Het verbond met Abraham zijn vrind bevestigt Hij van kind tot kind), en ook al zou ik willen dat de onvoorwaardelijke aanbieding van het heil voller doorklonk'.
Bij deze wensen sluit ik mij gaarne aan.. En laten wij haar ook stellen ten aanzien van alle prediking, in héél de Geref. Gezindte.
Volgt nu een artikel van ds. J.H. Velema(chr. gereformeerd):70 jaar Gereformeerde Gemeenten. Geen foto van ds. Kersten, wel een van het 50 jarig ambtsjubileum van prof. J. J. van der Schuit, en een van ds. J. Jongeleen. Ik citeer uit dit artikel: Wijlen ds. J. Jongeleen voerde een felle pennestrijd met wijlen ds. G. H. Kersten over het Genadeverbond. En ds. Jongeleen was toch waarlijk geen dominee, die voor 'licht' versleten kon worden'.
Inderdaad. Wij hebben als hervormdgereformeerden ons bij deze strijd betrokken gevoeld. Jongeleen (en Van der Schuit) en Kersten waren allen zonen van de Afscheiding. Maar welk een verschil. Wat gingen zij heel andere wegen. En dat geldt niet alleen voor hen, maar reeds voor de eerste vaders der Afscheiding en van aanverwante groepen. Ach, was de 'moederkerk' toch maar moederkerk gebleven, wellicht zouden deze zonen niet zo ver uit elkaar gegroeid zijn!
Nu volgt een artikel van de heer M. Dankers (oud-gereformeerd): Om vriend en broed'ren. Bovenaan: Foto van dr. Steenblok; daaronder: foto's van Kuyper en Bavinck. Volgende bladzijde:7 foto's van oud-gereformeerde dominees. Ik citeer: Ds. G. H. Kersten was een man met grote gaven van hoofd en hart en nog bezien wij met diep respect zijn beeltenis, beluisteren wij eerbiedig en met zegen zijn weloverwogen preken, maar we kunnen toch voor hem géén aanspraak maken op oorspronkelijkheid en allure'. En wat verderop: Wij hadden toch niet helemaal ongelijk 'die ons zeiden dat hij in veel opzichten een leerling, volgeling en zelfs copiïst was van Kuyper en Bavinck'.
Het zal je gezegd worden! Alleen, een vraag onzerzijds: Die 7 oud-gereformeerde dominees, wier beeltenis hier in De Schakel staat afgedrukt, waren die dan wél oorspronkelijk en hadden die wél zo'n allure; en Ledeboer, was die oorspronkelijk en was hij een man van allure? Wij geven toe: zij zullen Kuyper en Bavinck wel niet gecopieerd hebben, maar: Van der Groe soms, of Smytegelt? Mogelijk kan de heer Dankers met déze opmerking tot zichzélf inkeren.
En nu hebben wij het gehad. Nog één slotopmerking. Enkele jaren geleden verscheen een boekje, dat tot titel had: Dwarslagen in de christenheid. Ook binnen de Geref. Gezindte liggen er naar mij voorkomt 'dwarslagen'. De heer A, lid van kerk 1, voelt zich verwant met leden van de kerken 2, 3, 4, 5 enz. méér dan met vele leden van eigen kerk. Van de heer B. geldt hetzelfde, en zo ook van de heer C, de heer D., enz. Ik wil bekennen: met mij persoonlijk is het ook zo. Als wij naar 'geestelijke verwantschap' de kerken van gereformeerde signatuur en aanverwante groepen gingen opdelen kregen wij andere kerken dan wij nu hebben. Zou het een winst zijn? Zullen wij niet beter doen met elkaar te nemen zoals wij zijn. En dus ook de Gereformeerde Gemeenten te nemen zoals zij zijn. Niet om daarin te berusten. Zij zullen trouwens ook op ons wel wat aan te merken hebben. Maar ik bedoel als startpunt. Om van daaruit elkaar onophoudelijk lastig te vallen, overigens in liefde en waardering voor het goede dat men bij elkaar vindt, met een beroep op dat Woord dat wij, Gode zij dank, gemeenschappelijk hebben, en verder ook op die Belijdenis die wij gelukkig ook nog gemeenschappelijk hebben. Wie weet, er mochten nog eens vorderingen gemaakt worden op de weg naar meer waarachtige eenheid.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 oktober 1977
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 oktober 1977
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's