De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De Afscheiding en haar nazaten

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De Afscheiding en haar nazaten

13 minuten leestijd

Ik denk dat er bij het eeuw'feest' van de Afscheiding niet zoveel over de Afscheiding en de daaruit ontstane kerkelijke denominaties is geschreven als thans het geval is. Liefst drie boeken liggen voor mij, die de bedoeling hebben de herinnering aan de Afscheiding levend te houden. Ze komen overigens uit totaal verschillende kringen, omdat nu eenmaal de nazaten der Afscheiding zich ook in verschillende kerkelijke appartementen ophouden. De nalatenschap van de Afscheiding is immers een veelvoud van kerken.

de Gemeenten zijn voortijdig aan het herdenken. Zij herdenken hun 70-jarig bestaan. Bij deze gelegenheid verschenen twee boeken. Drs. H. A. Hofman schreef een boek over 'Ledeboerianen en Kruisgezinden' (een kerkhistorische studie over het ontstaan van de Gereformeerde Gemeenten, 1834-1927). Tegelijkertijd verschenen van een aantal leden van de Gereformeerde Gemeenten 'Alleen uit Hem en door Hem' (overwegingen bij het zeventig-jarig bestaan van de Gereformeerde Gemeenten, 1907-1977).

Uit een geheel andere hoek komt het boek De Afscheiding van 1834. Het is het derde deel over de Afscheiding van de hand van de vrijgeraaakt-gereformeerde dr. C. Smits, die in dit deel de documenten bijeenbracht uit het archief van ds. H. P. Scholte, bewaard te Pella (lowa, U.S.A.), waarheen de afgescheiden ds. H. P. Scholte met 800 volgelingen in de vorige eeuw emigreerde.

Alle drie genoemde boeken zijn boordevol informatie, zovéél - en dat geldt met name het eerstgenoemde boek - dat men soms door de bomen het bos niet meer ziet. Maar dat ligt meer aan de Afscheiding zelf dan aan de auteurs. Na de Afscheiding is er immers sprake van een wirwar van Kerkelijke groepen, vrije gemeenten, conventikel-kringen e.d.? De neerslag daarvan vindt men in deze boeken. Het is onmogelijk ook maar enigszins verantwoord op allen in te gaan. We volstaan met wat aspecten, terwijl we verder graag naar de inhoud van de genoemde boeken verwijzen.

Verscheidenheid

Wie er eigenlijk aanspraak maken mag op het recht zich de wettige erfgenaam van de Afscheiding te mogen noemen zal wel onduidelijk blijven. Zijn het de Christelijke Gereformeerde Kerken? Zij zijn een voortzetting van de Christelijk Gereformeerde Kerk, die in 1869 ontstond door de samensmelting van de zogeheten Christelijke Afgescheiden Gereformeerde Kerk en de zogeheten Gereformeerde Kerk onder 't Kruis. Zijn het de Vrijgemaakte Gereformeerden? Dat is al wat moeilijker. Zij moeten zich dan beroepen op 1892, toen het overgrote deel van de Christelijke Gereformeerde Kerk zich verenigde met de uit de Doleantie ontstane Nederduitsch Gereformeerde Kerken, toen samen vormende de Gereformeerde Kerken in Nederland (4 gemeenten en verspreide Christelijke Gereformeerden die met die vereniging met meegingen constitueerden zich tot de Christelijke Gereformeerde Kerk in Nederland).

Zijn de Gereformeerde Gemeenten de wettige nazaten? Zij gaan terug op de vereniging van de zogeheten Gemeenten onder het Kruis met de gemeenten ontstaan door de arbeid van ds. Ledeboer, de in 1841 afgezette pastor van Benthuizen (die de gezangenbundel en de re­ glementenbundel in zijn pastorietuin onder het zingen van Psalm 68 : 1 begroef); maar Ledeboer brak met de Afgescheidenen, waartoe hij overigens nimmer echt wilde behoren. De kruisgemeenten waren die verspreide gemeenten, die met de hierbovengenoemde vereniging van 1869 niet meegingen en zich in de tachtiger jaren tot een kerkelijk verband onder genoemde naam verenigden. Zodra echter de Gereformeerde Gemeenten de vinger opsteken om rechtmatige nazaat van de Afscheiding te mogen zijn zeggen de Oud-Gereformeerden: Hó even, wij zijn er ook nog. De Oud-Gereformeerden gingen namelijk weer niet mee met de door de inzet van ds. G. H. Kersten in 1907 bereikte vereniging van Kruisgemeenten en Ledeboerianen.

Het zal de lezer ongeveer kunnen gaan duizelen. Maar de geschiedenis van de eerste tientallen jaren na de Afscheiding is ook zó chaotisch en onduidelijk, dat het nog een wonder is dat tenslotte in enkele kerkelijke stromingen de Afscheiding een kanaal kreeg. De genoemde boeken maken ons opnieuw duidelijk hoe de geschiedenis van de Afscheiding - bij alles wat ons in haar boeit en aanspreekt, méér dan in de Doleantie - ook gekenmerkt is door vele ruzies terzake van de leer, terzake ook van het meer of minder geordend zijn van het gemeentelijk en kerkelijk leven. Dr. C. Smits besteedt zijn studie in het derde deel van zijn serie over de Afscheiding als gezegd aan Scholte, geschorst door de Afgescheidenen 'vanwege zijn laster tegen ds. Simon van Velzen' , na zijn emigratie in onenigheid met zijn kerkeraad, in de laatste jaren van zijn leven bestrijder van 'de idee van het kerkelijk instituut'. Ook hier een boek, geschreven bij de gratie van twist en tweedracht.

Men ziet van meet af aan in de Afscheiding de lijn van streven naar kerkenordening (daarheen wilde de Afscheiding blijkens de acte van 1834 terug, en daarin was de separatie, zegt ds. Woelderink, een dam tegen het separatisme maar anderzijds ook de lijn van het ongeordende, de kerkelijke wildgroei. De laatste lijn is er dan ook wel in hoofdzaak via de nalatenschap van ds. Ledeboer, die in feite elke ordening en instituering van zijn gemeente afwees.

In de Afscheiding liggen ook geestelijk verschillende lijnen. Als drs. Hofman in zijn boek spreekt over de vereniging 1869 van de christelijk Afgescheidenen en de Kruisgemeenten, merkt hij op: 'Eerstgenoemde groep was wat minder bevindelijk ingesteld dan de Kruisgemeenten. Het moeilijke punt bij de Kruisgemeenten was dat zij geen geordende predikanten hadden'. Welnu, deze verscheidenheid heeft in de nalatenschap van de Afscheiding óók doorgewerkt. Ik denk zelfs dat er een zekere verzelfstandiging is gaan optreden. Zó zelfs dat de ene nazaat de bevinding als het kerkélijk-eigene en theologisch-eigene is gaan zien, terwijl de andere nazaat zich keert tegen als mystiek gekenschetste bevinding. Ik ken nl. géén scherpere vertogen tegen de bevindelijke kringen dan kómend uit de kring van de Vrijgemaakt Gereformeerden.

Orde op zaken

Het is ongetwijfeld de grote verdienste van ds. G. H. Kersten geweest, dat hij in de ongeordendheid van de Ledeboeriaanse gemeenten en de Kruisgemeenten orde heeft gebracht. Daarover gaat het boek van drs. H. Hofman; een lezenswaardige studie. De vereniging ging overigens niet van een leien dakje. Direct na de vereniging onttrok ds. L. Boone zich weer met 9 gemeenten, de Oude Gereformeerde Gemeente vormend. Drs. Hofman schrijft:

Voor Boone was het onoverkomelijk, dat de predikanten uit de Kruiskerken het ambtsgewaad niet zouden dragen, dat de Ledeboeriaanse predikanten wel droegen, en dat de psalmberijming van Datheen niet unaniem gehandhaafd zou blijven. Ook had Boone een voorkeur voor de naam Oud-Gereformeerde Gemeenten. Kersten oordeelde dat wat 'oud' was de verdwijning nabij was. Enkel teksten uit de Bijbel (Openb. 22 : 9 'Ziet dat gij het niet doef; Spreuken 24 : 21 'Vermeng u niet met hen die naar verandering staan') hadden voor hem de doorslag gegeven.'

Diep ingebakken in de groepen die in 1907 verenigd werden was de vrees voor studie. Vreemd daaraan zal niet zijn een grondhouding van Ledeboer, die zijn theologische studie afzwoer en zijn boekenbezit van de hand deed (Men zie ook de bijdrage van drs. Exalto in dit nummer).

Ds. G. H. Kersten verliet in zoverre deze lijn, dat hij zich ging beijveren voor een eigen theologische school. Ook dat ging niet vanzelf. Men leze:

Een hartewens van Kersten was de stichting van een eigen Theologische School ter opleiding van de predikanten. Hij stuitte hierbij op veel tegenstand. Bij het overwinnen daarvan bleek de Saambinder van onschatbare betekenis te zijn. Jaren lang schreef Kersten in elk nummer een artikel onder het hoofdje 'Opleiding' . De eerste bijdrage verscheen op 28 juni 1923. Een bedrag van f 30.000, - was nodig voor de eigen school, zo stond er in, en het moest geheel uit eigen middelen bijeen gebracht worden. Maar dat is niet meegevallen. Menigmaal was Kersten moedeloos. Een groot gedeelte van de leden vond een eigen opleiding geheel overbodig, ondanks enkele synode-uitspraken, die in een andere richting wezen. Studie voor een preek 'doodde' de werking van de 'Heilige Geest'. De kennis nodig voor een preek moest niet in het hoofd zitten, maar in het hart. Vele malen moest opgetornd worden tegen deze misvattingen. 'Men ontziet het niet op de smadelijkste wijze tegen mij te ageren. 'Nu krijgen wij fabrieksdominé' s', zo heet het; 'nu zullen ze dominé' s gaan maken'; enz... Soms ben ik er verdrietig onder. Soms zeg ik: 'k Leg den boel neer, en ga rustig, stil leven'. Maar eerlijk gezegd, dat kan ik niet; althans tot heden niet... Mijn broeders laat mij dan niet zoo tobben, als ik nu doen moet; 't is nog niet daar gekomen dat ik zeggen moet: 'het volk brengt te veel'.

Er zijn mensen, die je beoordelen alsof je een stokvis bent, zei ds. Kersten terzake. Ik denk dat dit een immerduizend kwaad is onder de zon, ook in kerkelijke zaken. Ik denk ook dat vele scheuringen en kerkelijke onenigheden tot deze grondhouding zijn terug te voeren.

De Hervormde Kerk

Het is duidelijk dat bij de Ledeboeriaanse nazaten een andere houding, zeg verwachting, ten aanzien van de Hervormde Kerk leefde dan bij andere telgen van de Afscheiding, zeker bij hen die zich later met de Doleantie verenigden. Terzake wil ik echter op één passage uit Hofmans boek ingaan. Hij zegt:

Het ijveren van Kersten voor de eigen opleiding viel samen met de jaren dat hij actief werd in de politiek. Zijn activiteiten op dit terrein verschaften hem een bredere kijk op het maatschappelijk leven, maar vooral ook op wat we nu zouden noemen de 'gereformeerde gezindte'. Het leven van deze gemeenten voltrok zich langs zeer geïsoleerde banen. Toen Kersten uit dat isolement stapte, was het voor hem een openbaring dat er ook buiten de eigen kring nog rechtzinnige predikanten waren! Met name gold die verwondering de predikanten behorend tot de Gereformeerde Bond in de Hervormde Kerk. Het is opvallend, dat hij in de Saambinder wel talloze malen van leer trok tegen de Gereformeerde Kerken, de Christelijke Gereformeerde Kerken, de Rooms Katholieke Kerk, maar zelden of nooit tegen de Hervormde Kerk, althans niet tegen de rechtervleugel daarvan (waarmee hij op politiek gebied samenwerkte). Had hij de hoop dat (eendeel van) de Gereformeerde Bond binnen de Hervormde Kerk zich zou aansluiten bij de Gereformeerde Gemeenten? (zie noot 11). Zou hij daarom ook zo graag de school uit hebben willen bouwen tot een volwaardige opleiding voor predikanten? 

Ik denk dat deze tekening niet helemaal de werkelijkheid dekt. Als drs. Hofman zegt dat ds. Kersten zelden of nooit tegen de rechtervleugel in de Hervormde Kerk opponeerde, dan geldt dat slechts degenen die politiek met hem meegingen. Scherpe polemieken waren er namelijk wél met diegenen in de rechter vleugel die b.v. Anti-Revolutionair waren. Er is een boek te vullen met deze polemieken (politieke vertogen overigens) tussen Kersten en b.v. Duymaer van Twist (in de Waarheidsvriend) en prof. dr. H. Visscher (in het Gereformeerd Weekblad). Hofman zegt ook - en dat geldt ook wel deze polemieken - 'om zijn gemeenten een eigen identiteit te geven, was het nodig dat ds. Kersten fel naar buiten optrad en de grenzen tussen zijn groepering en anderen scherp trok. Vandaar zijn vaak heftige uitvallen naar 'neo-gereformeerden' (en daarin betrok hij via de politiek ook de Gereformeerde Bond van toen, v.d.G.) en naar de Rooms-Katholieken. Evenals Kuyper beschikte ds. Kersten daarbij over een beeldend taalgebruik, militant-agressief van toon. Soms moeten we zelfs spreken van opgeschroefd taalgebruik?

Theologie

Nog één aspect willen we hier naar voren halen. Uit de al eerder genoemde vrees voor studie binnen de Kruisgemeenten en Vrije Gemeenten, is duidelijk dat de theologie daar niet hoog genoteerd stond. Hofman zegt: 'Resumerend kunnen we vaststellen, dat we de opvattingen van Kruisgemeenten en Vrije Gemeenten niet kunnen sieren met de naam theologie of dogmatiek; met deze wetenschappelijke zijde van het Kerkelijk leven hield men zich nauwelijks bezig'. Ik meen dat dit een geweldig manco is geweest bij deze tak der Afscheiding, daarin b.v. bij alle verwantschap onderscheiden van hen die staande in de traditie van de Reformatorische theologie, in de Hervormde Kerk optornen moesten tegen 'allerlei winden der leer' en die daarin ook gevormd werden en zo bleven bij de bronnen van de Reformatorische theologie en het gehele reformatorische erfgoed.

Overigens sluiten we van harte aan bij wat ds. G. H. Kersten opmerkt als hij zegt:

'Ook onder ons dreigt het gevaar, dat men zoekt een 'bevindelijke' prediking, die van Christus zwijgt, die opbouwt in gestalten en zalig spreekt op tranen. Een prediking, die opbouwt in bevindingen, en van het Woord Christi losweekt en van Hem als den eenigen grondslag zwijgt, is te schuwen'. Aan de andere kant is een 'bloot voorwerpelijke prediking die het hart koud laat, en de kerk versteent', even verwerpelijk. In zo'n prediking ontbrak meestal de ernstige vermaning aan de on wedergeborene. Dat was een prediking, die al te zeer doordrong in het vaderland en onherstelbare schade aanrichtte. Daarom: 'Eén ding is u nodig; dat ge Christus tot uw Borg en Middelaar door het geloof moogt kennen en in Hem gevonden wordt. Het is geen Evangelieprediking, die Christus verzwijgt'.

Maar in de kwestie van het welmenend aanbod der genade, waarbij het Verbond in feite onder de 'beheersing' van de Verkiezing kwam, een zaak die binnen de Gereformeerde Gemeenten rondom dr. C. Steenblok en ds. R. Kok zulke ernstige consequenties kreeg, is er dunkt me toch een spoor getrokken dat niet direct op de Reformatie en zelfs ook niet direct tot op de hele Afscheiding is terug te voeren.

Ontwikkeling

Men leze intussen de genoemde boeken. Ze laten ons zien hoe er ook ontwikkeling is. Het element van studie is bij de nazaten van Ledeboer er bepaald gekomen. Deze boeken zelf geven er blijk van. Bij alle ontwikkeling en ook spanning is toch dit ook gebleven, dat er ernst gemaakt wordt met de verborgen om­ gang met God. In de religie van de belijdenis is er dan ook zo de verwantschap. En bovendien mag uit deze boeken blijken - en we bedoelen dan de boeken bij het 70-jarige bestaan van de Gereformeerde Gemeenten - dat het zicht op de Oude Kerk niet weg is. Hofman zegt:

'Toen op 17 november 1965 de gemeente van Enkhuizen honderd jaar bestond, werd in de herdenkingsdienst opgemerkt:

'Bij dit herdenken is ook iets weemoedigs. Het is niet alleen een jubeltoon. Men wordt ook bepaald bij de verscheurdheid van de kerk in Nederland. Met verlangen moet worden uitgezien naar de mogelijkheid om weer plaats te nemen in de Nederlandse Hervormde Kerk. Het afgezonderd vergaderen van de gemeente moet een noodoplossing zijn en er rrioet worden gehoopt en verlangd dat in de vaderlandse kerk de waarheid weer gehoord zal kunnen worden. Het mag niet vergeten worden dat dit herdenken gepaard gaat met het verlangen tot terugkeer naar deze kerk'.

De Hervormde Kerk heeft er blijk van gegeven over een grote vitaliteit te beschikken. Twee keer heeft zij een ernstige aderlating ondergaan, en toch is het orthodoxe element bewaard gebleven tot op de dag van vandaag. Zij oefent daardoor grote aantrekkingskracht uit op de leden van andere kerkgenootschappen.'

Het is vanuit zijn gezichtspunt begrijpelijk, dat drs. Hofman ook zegt: 'men voelt zich nog steeds verwant aan de kerk waaruit men is voortgekomen, maar verlangt niet terug naar die Kerk in deze gestalte'.

Ik hoop echter, dat het zicht op elkaar en het meeleven met elkaar blijven mag, ook al gaan we kerkelijk verschillende wegen. Het besef blijve dat de Afscheiding een noodwoning bood. Het besef blijve ook dat de innerlijke gescheidenheid in de Hervormde Kerk nooit een te accepteren zaak kan zijn.

Drs. H. A. Hofman: Ledeboerianen en Kruisgezinden, Uitgave De Banier B.V., Utrecht, 298 pagina's, ƒ 39, 50.

LA. Kole e.a.: 'Alleen uit Hem en door Hem', Uitgave Hoekman, Goes, 143 pagina's. Dr. C. Smits: De Afscheiding van 1834, Uitgave J. P. van der Tol, Dordrecht, 384 pagina's ƒ 59, 50 (vóór 15 oktober ƒ 49, 50).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 oktober 1977

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

De Afscheiding en haar nazaten

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 oktober 1977

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's