De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Nicolaas Schotsman

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Nicolaas Schotsman

9 minuten leestijd

9

Een paar weken voor zijn dood schreef Schotsman nóg een Voorrede.

Ook dit keer weer in een uit het Frans in het Nederlands vertaald boekje, nl. De afval der christelijke Kerk in onze dagen; geschreven door Ananias Asher. Het verscheen kort na Schotsmans overlijden, in 1822.

Wij geven eerst een indruk van de inhoud van het boekje en staan daarna stil bij Schotsmans Voorrede.

Een stem uit Frankrijk

Het rijk der duisternis, aldus Asher, heeft twee afdelingen: het bijgeloof - waarbij Asher Rome op het oog heeft; en het ongeloof. De weg des levens loopt tussen deze beide door. Het bijgeloof (Rome) heeft in onze dagen dodelijke wonden opgelopen. Het lijkt soms wel of het hijgt naar de laatste adem. Doch men vergisse zich niet; dit is maar schijn.

Anders is het gesteld met het ongeloof. Dat is heden zeer machtig. Het is óp het moment de meest geduchte vijand van de kerk. De kerk is geroepen alle krachten er tegen te verenigen. De stier des ongeloofs loopt met de kop hoogmoedig ten hemel geheven en met dreigende hoornen. Hij kondigt zijn zegepraal aan door een verschrikkelijk loeien.

Dan deelt Asher de ongelovigen in twee groepen, de filosofen en de neologen. Zij zijn één in oogmerk, zegt hij, Het onderscheid tussen hen is gering en betreft alleen hun uitwendige gedaante. Het verschil bestaat alleen hierin dat de filosofen zich geheel en al van goddelijke openbaring ontdoen en de kerk dreigen uit te roeien, terwijl daarentegen de neologische schriftgeleerden, met hun huichelarij, de christelijke openbaring veinzen aan te nemen, ten einde die in het geheim te ondermijnen, en daardoor zoveel zekerder ten val te brengen. Het zijn dan de filosofen en neologen, ofwel nieuwe theologen, die tegenwoordig in de kerk de toon aangeven. Zij zijn onbarmhartige leidslieden, die de verblinde kudde van onze dagen van de grazige weide der evangelische leerstellingen brengen op de glibberige paden van de menselijke rede. Hun beider doel is de evangelische christenheid geheel en al ten val te brengen.

Tot de filosofen die Asher aansprakelijk stelt voor het binnendringen van het ongeloof in de kerk rekent hij Cartesius, Spinoza, Bayle, Hobbes, Voltaire, Diderot en vele anderen. Zij zijn de vaders van het atheïsme.

Uit hun ideeën kwam de neologie voort. Geen drieëenheid, geen erfzonde, geen onfeilbare Heilige Schrift, enz. Het rationalisme, de verering van de Rede, is volgens de neologen de enige wettige godsdienst. Zij noemen zich verlichten en liberalen en de vrienden van de evangelische leer schelden zij uit voor piëtisten, dwepers, sectariërs, priesterslaven, obscuranten, fijnen, huichelaars en mystieken. Zij heffen kreten aan van verdraagzaamheid, vrede en toeschikkelijkheid. Maar onder 'verdraagzaamheid' verstaan zij onverschilligheid omtrent alles wat betrekking heeft op de eer van God en het welzijn van de kerk. Laat niemand het wagen zich tegen de neologie te keren, dan is het ineens uit met hun verdraagzaamheid.

Overal spelen de neologen de baas. Waar zij het bewind in handen hebben is het voor degenen die de oude leer aanhangen geen leven meer.

Zij werpen zich vooral ook op de scholen, waarin de jeugd uit menslievendheid om niet onderwezen wordt; zij doen een greep naar de jeugd.

Boeken van allerlei soorten van wetenschappen, romans, leerboeken, prentenboeken, leesboeken, alles is met de neologie besmet. Het boekje eindigt met een oproep: Ware gelovigen, weest toch waakzaam!

Zwanenzang

In zijn Voorrede op dit boekje zingt Schotsman zijn zwanenzang.

Met vreugde constateert hij dat nu, blijkens dit geschrift dat, naar hij vernomen heeft in Montpellier is verschenen, ook in Frankrijk 'de geest van Godsdienst' ontwaakt; en dat ook daar de Protestanten zich beginnen te verzetten tegen de neologie. Hij zegt: 'Men kan dan nu niet meer voorwenden dat de gereformeerde Franschen en Zwitsers zo algemeen het Liberalisme toegedaan en vrienden van de neologie zijn'. Het tegendeel blijkt nu immers. Uit dit boekske, geschreven door Asher - wie hij is en waar hij woont is mij onbekend, zegt Schotsman - maar ook uit verscheidene andere kleine werkjes die ter verdediging van de waarheden van het Evangelie en tegen de drogredenen van het ongeloof bijna dagelijks in het Frans te Lausanne, te Neuchatel, te Montpellier, te Bern, te Bazel, te Geneve en op andere plaatsen geschreven en gedrukt worden en met een ongelofelijke snelheid door geheel Frankrijk verspreid worden; ja zelfs te Parijs herdrukt worden; en allerwege met graagte ontvangen en gelezen worden.

Wat ons eigen land betreft, de grove neologie is hier gelukkig nog geen gangbare munt. Wat vanuit het buitenland aan neologie overwaait wordt hier doorgaans niet geprezen en aangeprezen. Een boek als dat van Hoving: Christendom en Hervorming, vond veel bestrijding. Evenwel, sommigen in ons land zijn toch niet geheel vreemd van de neologie.

Wij leven in een tijd, zegt Schotsman, 'die door een luchtige denkwijze in zaken des geloofs zeer gereedelijk tot lichtzinnigheid en twijfel vervoeren kan'.

'Het ontbreekt onder ons, door Gods genade, nog niet aan oprechte liefhebbers en getrouwe voorstanders der rechtzinnigheid, al zwijgen zij; wij vertrouwen echter, dat de zaak hun ter harte gaat, en dat hun stilzwijgen zal worden afgebroken, naarmate de geheime woelingen des ongeloofs zich duidelijker kenbaar maken en de geest des afvals begint door te breken'.

Het is duidelijk dat Schotsman met het boekje van Asher zeer ingenomen is geweest. Hij heeft het, zoals hij zelf zegt, als een tegenhanger beschouwd van het werk van Joseph Priestly, waar wij al in een vorig artikel over spraken. Eens had dit boek de jonge Schotsman zeer bezig gehouden; omdat het een frontale aanval betekende op heel de christelijke geloofs- en zedeleer. Nu hij oud is geworden moet hij er nóg aan denken.

Het boek van Asher en dat van Priestly, zegt hij, verschillen als vuur en water. En toch moet ge niet denken dat Asher schreef om Priestly te weerleggen; mogelijk heeft hij nooit van hem gehoord of zijn boek gelezen; Priestly schreef al ongeveer 40 jaar geleden. En dan herhaalt de oude Schotsman wat Asher heeft beweerd: De neologen, anders gezegd de nieuwe theologen bederven de kerk! Zij weten zich o zo mooi voor te doen. Zij wijzen op enige 'duistere plaatsen' in de Heilige Schrift en zeggen dan dat zij daar 'nieuw licht' in ontvangen hebben. Zij wenden voor dat zij de oude geloofsleer willen zuiveren van oude begrippen, die uit de middeleeuwen of uit de scholastiek afkomstig zijn en die door de hervormers in de 16e eeuw niet voldoende opgemerkt zijn. Maar past toch op, roept Schotsman uit: 'Deze denkbeelden van opklaring en zuivering zijn giftige lok-azen'. Omdat zij nieuw zijn oefenen zij sterk invloed uit. En als er iets is wat de geest der verleiding in de hand werkt dan is het de 'trapsgewijze voortgang en uitbreiding'. Eerst verandert men de woorden en dan de zaken. Eerst trekt men een leerstuk in twijfel, en dan vindt men het onredelijk, ongerijmd, onmogelijk. En tenslotte vervoert men de mensen tot grote ketterijen.

Er komt bij dat mensen graag anderen in zulke dingen navolgen. Men begint op de hogescho­ len bij de studenten, en zo volgen dan de gemeenten.

Zo hief de oude Schotsman zijn vinger op. Hij zag wel welke geest er werkzaam was in ons land.

Was hij dan soms een strakke en starre calvinist? Hij was zeer zeker een rechtzinnig man. Maar hij was ook een vroom man. Hij wist dat alleen maar rechtzinnigheid onvoldoende weerstand biedt aan de geest des tijds. Zijn laatste woorden in deze Voorrede waren: Laat ik hieraan toevoegen 'dat de strikste regtzinnigheid ons niet zal beveiligen tegen den geest des afvals, indien het opzegt geloof des harte en deszelfs oefening tot evangelische godzaligheid bij ons gemist worden'. Toen hij deze woorden schreef was het 20 december 1821; op 10 januari 1822, dus 3 weken later blies Schotsman de laatste adem uit.

Hij is onder de predikanten aan het begin van de 19e eeuw een eenling geweest. Niet dat er niet nog méér rechtzinnige en vrome predikanten in die tijd in ons land waren. Dat is het vertekende beeld van de Hervormde Kerk uit die dagen, dat wij te danken hebben aan overigens heel bekwame scribenten van afgescheiden of dolerende huize. Zij hebben om de Afscheiding in helderder licht te plaatsen alles in de Hervormde Kerk zo donker mogelijk geschetst, te donker. Maar Schotsman was wél een eenling in die zin, - dat hij zijn geluid liet horen. En op besliste en bekwame wijze. En wie voelde zich zozeer betrokken bij het gebeuren in ons land en in de kerk, ook over de grenzen dan hij? Geen wonder dat duizenden, gelijk Da Costa opgemerkt heeft, deze dienaar van Christus in hoge ere hebben gehouden. In de strijd die hij in zijn dagen gevoerd heeft kunnen wij heden nog ons met hem verwant gevoelen.

Is er wel zo heel veel veranderd, zou men kunnen vragen. Is wat toen neologie heette zo heel veel anders dan wat tegenwoordig 'nieuwe theologie' wordt genoemd? Nog steeds zijn dezelfde punten in het geding: de drieëenheid Gods, de godheid van Christus, de verkiezing, de verdorvenheid en onmacht van de natuurlijke mens, de erfzonde, de noodzaak van het werk des Geestes.

En de methoden, de 'kunstgrepen' noemde men ze toen, waarvan de nieuwe theologen zich bedienen, zijn nog dezelfde. Men praat over 'nieuw Licht' op de Schrift. Men verwijt de leer van de kerk een gebruikmaken van verouderde scholastieke begrippen. De strijd om de waarheid interpreteert men als een strijd om politieke belangen. Men dringt aan op herziening, revisie van de belijdenisgeschriften.

Het droeve is dat ook velen die toch wel de naam van gereformeerd willen dragen hier ook nog wat aan meedoen. Op een afstand achter deze ontwikkelingen aanlopen. Niet waakzaam zijn.

Een man als Schotsman had heldere ogen. Wij mogen wel zeggen: verlichte ogen. Het gevaar onderkennen is een eerste vereiste.

En dan er ook weerstand aan bieden. Niet om gelijk te hebben. Maar uit dezelfde bezorgdheid als die ons tegenklinkt uit Schotsmans geschriften. En in dezelfde geest. Wat Schotsman was een geleerd en rechtzinnig man, maar ook een godvrezend man.

Hij was, zoals een tijdgenoot hem genoemd heeft: een oude, getrouwe schildwacht!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 oktober 1977

De Waarheidsvriend | 14 Pagina's

Nicolaas Schotsman

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 oktober 1977

De Waarheidsvriend | 14 Pagina's