Op zoek naar een christelijke identiteit in de maatschappelijke dienstverlening
In het hoofdstukje 'professie overhoop met confessie' zagen we al dat de instellingen vo6r maatschappelijke dienstverlening ook bevolkt worden door medewerkers die geacht worden op een behoorlijk niveau geschoold te zijn in de hulpverlening. Gedacht kan hier worden aan de leidinggevenden in de gezinsverzorging en bejaardenhulp, aan de maatschappelijk werkenden, aan de staffunktionarissen.
Over het algemeen heeft hun opleiding een sterk agogisch aspect gehad en zijn zij getraind in het omgaan met mensen, in het nemen van initiatieven om tot verandering van situaties te komen, in het open staan voor problemen en het helpen om tot een oplossing te komen.
Deskundigheid, macht of middel?
Deze deskundigheid mag niet ontbreken, ze beoogt een middel te zijn om de dienst aan de naaste kwalitatief op een hoog peil te brengen. Juist de behoefte aan deskundigheid is mede een oorzaak dat de kerk meer en meer de dienstverlening ging delegeren aan al dan niet kerkelijke organisaties.
Nu zijn er twee bewegingen waar te nemen in de beoordeling van die deskundigheid.
Enerzijds constateren we het ontzag, de eerbied die de leek, b.v. ook de diaken heeft ten opzichte van de 'kennis' van de hulpverlener. Die hulpverlener is een speciale taal gaan spreken, voor de leek vaak onverstaanbaar, heeft gestudeerd, kortom de hulpverlener 'weet' het. Het behoeft geen betoog dat zo'n beoordeling overtrokken is. Anderzijds is er de visie van de hulpverlener zelf, die mede door dit soort beoordelingen op de troon is gaan zitten.
Hij, zij, is de vakman of vakvrouw. Daarom heeft inbreng van kerk, diakonie of pastoraat weinig zin. De hulpverlener is de moderne priester die in de religie van het welzijn de centrale figuur is. Hij overschat zichzelf.
Deze houding heeft er mede toe geleid dat andere 'vak'mensen zich nogal tegen de dienstverlening afzetten, of niet tot samenwerking kunnen komen. Ik denk aan geestelijkheid en gezondheidszorg.
Het behoeft geen commentaar dat er hier iets fout zit. Oorzaken zullen in dit artikel met aangewezen worden. Maar met deze constateringen wordt het wel tijd om ook hier te gaan zoeken naar een christelijke identiteit in de dienstverlening.
Hoe liggen deze dingen in de instellingen die de aanduiding 'christelijk' nog in hun vaandel voeren?
Welke opvattingen hebben hun deskundigen over hulpverlening? En is er sprake van een onderlinge verbondenheid in het werk? Kan men samen vanuit een christelijke grondslag tot een goede communicatie komen? Opmerkelijk is het dat juist instellingen diehet welzijn beogen, van binnenuit vaak bol staan van spanningen. Een aantal jaren geleden deed ik een onderzoek in drie instellingen die vanuit een protestants christelijke basis van start gingen. Op dit moment moet van twee gezegd worden dat door de vele interne spanningen enkele afdelingen met deskundigen leegliepen, en ook in beide gevallen de direkties, al dan niet gedwongen, vertrokken.
Hoewel deze summiere cijfers niet maatgevend zijn, is het voldoende bekend dat hiermee een vrij reëel beeld gegeven is van de algemene situatie op dit gebied in de maatschappelijke dienstverlening.
Geconcludeerd moet worden dat de christelijke grondslag ook hier nog geen waarborg is geweest voor een werkelijk christelijk funktioneren van de dienstverlening. Wellicht speelt hier ook een rol dat bij de benoeming van de deskundigen in ruime mate aandacht besteed wordt aan die deskundigheid, terwijl besturen vaak nauwelijks durven door te vragen op de geestelijke achtergronden van de funktionaris. In dit geval wordt nogal eens een etikettenbeleid gevoerd. Is men lid van een bepaalde kerk dan zal het wel goed zitten.
Vergeten moet ook niet worden dat de hulpverlener, ook vanuit de christelijke instelling, in sterke mate betrokken wordt bij vormen van samenwerking. Ik denk hier aan het participeren in z.g. wijk-of gezondheidscentra, hometeams, detachering in ziekenhuizen en verpleeghuizen enz.
In samenwerking met andere hulpverleners, waarbij de nadruk ligt op de gezondheidszorg, worden mensen geholpen.
Een zich opsluiten in de ivoren toren van de eigen zuil is hier niet mogelijk, zeker ook niet wenselijk. De vraag komt echter dan wel naar voren of de identiteit van het werk ook in die gezamelijkheid nog kansen heeft. In dit verband denk ik aan een home-team (een soort hulpverlenend team waarin wijkverpleging, arts, maatschappelijk werk en pastoor overleggen hoe men het best bepaalde cliënten kan helpen). Behalve de dominé was ieder de van hiervoor genoemden betrokken in het team. Toen één der deelnemers voorstelde om toch ook de predikant hierbij te vragen, werd de boot door de arts afgehouden. De hulpverlening zou dan te gekleurd worden. De predikant heeft een te eenzijdige kijk, zou hoogstens incidenteel geraadpleegd moeten worden.
Het zal geen verwondering wekken dat ook de inbreng vanuit protestants-christelijke hoek t.a.v. maatschappelijk werk dan met argusogen bekeken wordt.
Het is daarom zo belangrijk dat de instelling weet wie er namens haar in zo'n team zit.
Immers hier komen zaken aan de orde die alles te maken hebben met de ethiek. En ook daar is de identiteit van de instelling naast de verantwoordelijkheid van de hulpverlener, van groot belang. Bij dit alles dienen we in het oog te houden dat het met die christelijke identiteit toch uiteindelijk begonnen is om de cliënt, de mens die geholpen moet worden.
Het gaat niet om de macht van de instelling, om het bouwen van bolwerken of wat dan ook, maar om het heil van de naaste, waarvan de christen weet dat dit heil alleen verbonden is aan de Heilbrenger!
Vanuit de christelijke gemeente kan hier een belangrijke bijdrage geleverd worden. Zoek kontakt met de welzijnswerkers in uw omgeving. Leer ze kennen. Poog te komen tot samenwerking. Erken hen in hun deskundigheid, maar laat tevens zien dat ook die betrekkelijk kan zijn. In het bijzonder denk ik hierbij aan de ambtsdragers. De verhouding tussen het pastoraat en de maatschappelijke dienstverlening kan in veel gevallen nogal wat opgebouwd worden. Leer elkaar kennen. Daardoor kan ook ontdekt worden dat alles niet op 'geestelijke' wijze op te lossen is. Ook predikanten moeten leren verwijzen als het gaat om maatschappelijke problematiek. En wanneer er wellicht geen vertrouwen is in de werker, of in de instelling, dan hebben we als gemeente de roeping om daaraan wat te doen. De christelijke identiteit kan niet alleen van binnenuit de organisatie verwacht worden. Ze dient gevoed te worden vanuit de gemeente!
Maatschappelijk werk is óók dienst
Hebben we in het voorgaande iets laten zien van de bejaardenhulp en gezinsverzorging als dienst aan de naaste, ook het maatschappelijk werk heeft diezelfde mens op het oog. Langzamerhand weet de Nederlandse burger de weg naar het maatschappelijk werk in veel gevallen te vinden. Het werk beperkt zich al lang niet meer tot wat men vroeger noemde 'iets doen aan a-socialen' en ook niet tot het invullen van formuliertjes en dergelijke.
De maatschappelijk werkende ontmoet op zijn weg de mens in de krisis. De krisis van het huwelijk b.v. of van de verslaving. De maatschappelijk werker wordt geraadpleegd bij opvoeding, en bij conflicten in de werksituatie. Mijn persoonlijke ervaring daarbij is dat veel cliënten die zich tot het maatschappelijk werk richten óf niet meer tot de kerk behoren, óf er mee op gespannen voet staan. Begrijpelijk is dan ook dat de hulpvrager dan nogal wat drempelvrees kan hebben wanneer hij naar een instelling met een christelijke identiteit moet.
De maatschappelijk werker hoort zo nogal eens wat problematiek aan waarbij hij zich gaat schamen voor de christelijke gemeente in het algemeen. Hoewel de mens in veel gevallen ook persoonlijk verantwoordelijk is voor de ellende en het leed, ook de gemeenschap speelt daarin een rol. Wat moeten we ons als christelijke gemeente dan schamen wanneer we zien hoe we mensen in de kou hebben laten staan. Hoe hard we veelal zijn. In zijn dienst aan die cliënt wordt er een sterke claim op de christen-maatschappelijk werker gelegd. Hij zit in een soort buffer-positie. Hij weet dat bepaalde oorzaken van het probleem van de cliënt gezocht moeten worden in zijn achtergrond, soms in de christelijke gemeente waartoe hij behoort of behoorde. Dat betekent werk naar twee kanten toe, naar de cliënt én naar de gemeente. De praktijk leert dat juist dit laatste bijzonder moeilijk is.
Willen wij echter vanuit een christelijke identiteit werken dan zal toch getracht worden de client te wijzen op de mogelijkheden van de christelijke gemeenschap. Op een zeker moment zal toch het evangelie in het geding mogen en moeten komen. Dit is het pastorale element in de dienstverlening. En juist in deze dienst van het maatschappelijk werk is de lijn naar het pastoraat zo belangrijk.
Dit geldt ook voor de verbinding naar de diakonie. Ondanks de vele sociale voorzieningen zijn er situaties waarin diakonale bijdragen aan mensen in nood (binnen of buiten de kerk) een uitkomst 'kunnen betekenen. Met dankbaarheid denk ik in dit verband terug aan de veelvuldige kontakten die ik met een diakonie mocht hebben en waar we altijd in die zin tot een oplossing konden komen.
Dit in tegenstelHng tot mijn bezoek aan een diakonie van een kleine gemeente, - waar ik steun zocht voor één der gemeenteleden. Het vrij geringe bedrag dat gevraagd werd kon, hoewel er enige bereidheid was, niet beschikbaar gesteld worden omdat... de jaaropbrengst van de diakonale kollekte nog minder was!
Dienst?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 oktober 1977
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 oktober 1977
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's