De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Kenmerken

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Kenmerken

16 minuten leestijd

Is het geestelijk leven kenbaar aan kenmerken? Er is een prediking, die wel kenmerkenprediking heet, waarin de beschrijving van kentekenen, waaraan het ware geestelijk leven te herkennen is, 'n grote plaats inneemt. Desalniettemin is er ook dan weer grote verscheidenheid. Er is een kenmerkenprediking, die de kenmerken vooral in de mens, in diens geestelijke ervaring legt. Er is ook kenmerken-prediking, die vooral wortelt in wat God, de Drieënige, deed in Zijn werk tot verlossing, en vandaaruit afdaalt naar de mens, in wiens hart de Heilige Geest werkt, een werk dat ook kenbaar, als geestelijk werk herkenbaar is. Van dit laatste is een boekje van Jean Taffih een voorbeeld. Het heet 'De kenmerken der kinderen Gods'. Drs. K. Exalto haalde het uit de vergetelheid (het was antiquarisch zeer zeldzaam verkrijgbaar) door het te herschrijven in hedendaags Nederlands. Er wordt veel opnieuw uitgegeven, waarvan we zeggen moeten: moest dat zo nodig? Soms hebben we de idee dat een verzamelwoede van oude boeken in prachtige moderne banden voor mensen met een goede neus voor kooplust een winstgevend bedrijf is. Niet zelden verhullen de fraaie banden een nonchalante bundeling van werken, waarvan de waarde voor onze tijd dubieus is. Niet alzo echter dit boekje van Taffin, aanvankelijk hof prediker van Willem van Oranje, na diens dood predikant in de Waalse gemeente te Haarlem en Amsterdam. Hij was één der eerste vertegenwoordigers van de Nadere Reformatie, die - aldus drs. Exalto in zijn inleiding - geplaatst kan worden naast mannen als Datheen, Caspar van der Heyden en Herman Moded.

Het eeuwige leven

Tekenend is, dat Taffin zijn beschouwingen inzet met 'de grote en onbegrijpelijke gelukzaligheid van het eeuwige leven, hetwelk de kinderen Gods beloofd is'. Overigens ligt daarin vooral de nadruk op God, Wie eeuwig de lof zal worden gezongen. 'Naar de mate waarin de majesteit en heerlijkheid van Christus, de samen met ons de Zoon des mensen is, maar verenigd met de Zoon van God, groter zal zijn, in die mate zal ook de gemeente gelukkiger en heerlijker zijn. Christus zal met de Vader en met de Heilige Geest, één enig God, schitteren in goddelijke majesteit.'

Nóg een passage over de lofzegging in de eeuwige heerlijkheid:

'Daartegenover, wanneer wij dan ook nog bedenken, dat wijzelf eens opgenomen zullen worden ver boven alle hemelen in dat heerlijke paleis van onze hemelse Vader, waar immer licht van uitstraalt, en dat wij daar zullen genieten een volmaakte vreugde en een onuitsprekelijke heerlijkheid, ja een onvoorstelbare gelukzaligheid, en nog wel zónder ophouden, zodat men de jaren niet meer zal tellen, want er zullen geen jaren meer zijn, maar het zal alles eeuwigheid zijn, zullen wij dan niet uitbarsten in lofprijzing en grootmaking, dag en nacht, van die grote God, Vader, Zoon en Heilige Geest? En verder, als wij dit alles bedenken, hoe krachtig zullen wij dan niet in onze harten ertoe bewogen worden om met Paulus te verlangen uit deze boze wereld te worden weggenomen, en deze verachte aarde te mogen verlaten, om naar de hemel te gaan, en om met Christus te mogen zijn, in eeuwige heerlijkheid en vreugde? 

Tekenen

Waaruit weten wij nu, dat wij kinderen Gods zijn? Het antwoord van Taffin is: door een innerlijk middel en een uiterlijk middel:

'Het ene middel is innerlijk, het zijn de tekenen en de getuigenissen die de gelovigen in zichzelf gevoelen dat zij kinderen Gods zijn; het andere is uiterlijk, het bestaat in zichtbare kenmerken, waardoor wij zelf verstaan én te verstaan geven, dat wij kinderen Gods zijn. Wat betreft de innerlijke kenmerken en getuigenissen: gelijk het de Heilige Geest is die ons deelachtig maakt de goederen, die ons van de Vader gegeven zijn en door Jezus verworven zijn, zo is Hij het ook die de vruchten, de daden en de werken des Geestes in ons, ons meedeelt, welke allen noodzakelijk zijn, zullen wij het eeuwige leven verkrijgen. Zij vormen de kenmerken en de innerlijke getuigenissen, dat de Heilige Geest En verder:

in ons is en dat wij dus kinderen Gods zijn.'

'Hier moet het geloof ons te hulp komen.

De waarheid moet ons bijstand verlenen, opdat hetgeen in het hart des Vaders verborgen is ons geopenbaard wordt door de Geest, wanneer Hij ons er getuigenis van geeft, en ons ervan verzekert, dat wij kinderen Gods zijn. Hij verzekert ons, zeg ik, wanneer Hij ons roept, en ons genadiglijk door het geloof rechtvaardigt, hetwelk gezien mag worden als het middel of de uitwerking van Gods praedestinatie, tot de heerlijkheid van het eeuwige leven. Dit is hetzelfde wat ook Augustinus zei: Wij zijn gekomen tot de weg des geloofs, laten wij daarop volharden; dan zullen wij van trap tot trap verder komen, tot in de kamer van de hemelse Koning, waar verborgen liggen al de schatten der wetenschap en der wijsheid, en daar zullen wij mogen leren en mogen aanschouwen wat onze eeuwige verkiezing is.' Ten aanzien van de uiterlijke middelen komt Taffin dan tot opmerkelijke uitspraken:

'Doch laten wij nu over gaan tot het behandelen van de zichtbare en uiterlijke kenmerken. Deze bestaan in déze werkelijkheid, dat wij lidmaten van Christus' kerk zijn en ons ook als zodanig gedragen. De kerk van Christus noemen wij hier de vergadering, waarin het Woord Gods gepredikt wordt naar waarheid, de sacramenten bediend worden in zuiverheid, en waar de enige, ware God aangeroepen wordt, in de naam van Zijn Zoon Jezus Christus.'

'Brengt men nu naar voren, dat wij weleens voor een kind van God kunnen houden iemand die misschien een huichelaar is, en later er blijk van zal geven een verworpene te zijn, dan antwoorden wij daarop, dat een zodanig vermoeden in strijd is met de liefde, die ons door de apostel Paulus zozeer aangeprezen is. Tot de eigenschappen van deze liefde behoort onder andere, dat zij geen kwaad denkt, dat zij alle dingen gelooft en alle dingen hoopt (1 Kor. 13). Wij zullen dan ook de leden der kerk, zolang zij niet de kerk in de steek laten of van hun geveinsdheid openlijk blijk geven, waardoor zij dan tonen zullen verworpenen te zijn, voor kinderen Gods moeten houden. En verder, God de Heere wil dat allen, wier Vader Hij wil zijn, de kerk zullen houden voor hun moeder. Laat er door ons dan niet aan getwijfeld worden dat wij, die de kerk hebben als moeder, waarin wij herboren zijn en gevoed zijn, God onze Vader mogen noemen, en dat wij, als wij maar blijven in het gezin van onze moeder, erfgenamen zullen zijn van de hemelse Vader.

Het is dus zó, dat degenen die zich bij de kerk gevoegd hebben, naarstig de preken horen, de heilige sacramenten deelachtig zijn, en deelnemen aan de openbare gebeden, en aldus gevoed worden met de geestelijke spijze van het huis Gods en van het koninkrijk van Jezus Christus, dat die, zeg ik, zich dienen te houden en ook moeten gehouden wórden, dankzij deze uiterlijke tekenen, voor kinderen Gods en erfgenamen van het eeuwige leven.'

Drs. Exalto merkt in zijn voorwoord terecht op, dat van zulk een uitspraak misbruik gemaakt kan worden. 'Maar men bedenke dat het arme vervolgde christenen waren voor wie hij schreef. De kerk was nog niet zozeer een volkskerk als later het geval was. Bovendien, Taffin heeft (...) ook heel goed geweten dat er kaf onder het koren schuil gaat (...) Terwijl daarenboven die kenmerken die hij noemt van het kindschap Gods er waarlijk niet om liegen.'

Maar duidelijk is wel dat Taffin geen geestdrijverij wil, die de kenmerken der ware kerk opsluit in het innerlijk getuigenis. De uiterlijke middelen doen ook helemaal mee. Zonder die zijn de innerlijke middelen niet bestaanbaar. Ook in de innerlijkheid werkt de Geest middellijk en niet on-middellijk.

De Verkiezing

Hoe Taffin, mét de Reformatoren, in dit alles de Verkiezing ziet als een deur (der hope), een bron van vreugde, een trooststuk voor de kerk, moge blijken uit het volgende:

'Anderen zijn er die overleggen of zij wel behoren tot het getal der uitverkorenen, of hun namen wel geschreven staan in het boek des levens, om dan op die wijze aan de weet te komen of God ze liefheeft en houdt voor Zijn kinderen. Maar zó hoog zullen wij niet mogen klimmen! Alleen in wat het Evangelie ons leert zullen wij mogen zoeken de openbaring Gods. Alleen daaruit zullen wij mogen besluiten of God ons liefgehad heeft en nóg ons liefheeft, en ons wil houden voor zijn kinderen in Christus Jezus. Gelijk een mens, als hij tenminste oprecht is, door wat hij zegt blootlegt wat de verborgen gedachten zijns harten zijn, zo openbaart God, die de Waarheid zelf is, door de verkondiging van het Evangelie ons wat Zijn Raad en wil is met betrekking tot onze aanneming tot kinderen en onze zaligheid, en Hij bekrachtigt deze bekendmaking door het gebruik van de heilige sacramenten. Men zal vervolgens moeten bedenken, dat deze openbaring van de wil Gods in het Evangelie vier delen in zich bevat. Ten eerste, dat er een volmaakte en volkomen zaligheid is in Jezus Christus, in Hem alleen; ten tweede, dat het middel om daaraan deel te krijgen is in Hem te geloven; ten derde, dat in dit Evangelie, als het ons verkondigd wordt, God ons, openbaart dat Hij ons deze zaligheid in Christus Jezus wil deelachtig maken; ten vierde; dat Hij wil dat wij geloven de vele getuigenissen die Hij ons geeft van Zijn goede wil en die onze zaligheid op het oog hebben. Welnu, de moeilijkheid om te geloven ligt in die laatste twee gegevens, om dié met zekerheid te geloven, hoewel zij in werkelijkheid vast en zeker zijn! Ziet, zegt de heilige Johannes, dit is Gods getuigenis, namelijk, dat God ons het eeuwige leven gegeven heeft, en dit leven is in Zijn Zoon (1 Joh. 5 : 11). Hij zegt niet alleen maar dat het leven in de Zoon is, maar ook dat Hij ons dit leven schenkt, en dat het Evangelie daarvan getuigenis is. Daar heeft hij dan even tevoren aan laten voorafgaan (vs. 10), dat, wie niet (Gods getuigenis) gelooft God maakt tot een leugenaar. Zo heeft hij genoegzaam laten zien dat God wil, dat wij in Hem geloven.'

(...) 'Zou het Evangelie dat u verkondigd wordt niet bevatten een bekendmaking van de wil Gods, om te geloven dan ge Zijn kind zijt in Jezus Christus, dat zoudt ge geloven in hetgeen ge niet gehoord hebt in het Evangelie en uw geloof zou dus zonder enige vaste grond zijn. Ge zult moeten bedenken dat het Evangelie dat u verkondigd wordt als inhoud heeft, dat het Gods wil is te geloven dat ge in Christus Zijn kind zijt, en dat ge daar dus niet aan twijfelen moogt; doet ge dat wél, dan trekt ge daarmee het gehoorde zélf in twijfel en doet ge tekort aan de waarheid Gods.

Zeg mij, wie is het die hieraan zou mógen twijfelen? Het is niet genoeg heel in het algemeen te zeggen: wie gelooft heeft het eeuwige leven, immers, Hij beveelt dat door u geloofd wordt. Gelooft, zegt Hij, het Evangelie (Mark. 1 : 15)!

Aanbod

Onbevangen spreekt Taffin over het aanbod van de genade:

'Het is wel waar dat Hij, als Hij het Evangelie laat verkondigen, niet zegt: ik ben gekomen om Simon Petrus, Cornelius de hoofdman, Maria Magdalena, enz., zalig te maken. Hij noemt niemand bij de naam die de mensen hem bij de besnijdenis of bij de doop hebben gegeven. Was dat wél zo, dan juist zouden wij aan onze zaligheid kunnen twijfelen, want dan zou de gedachte bij ons kunnen opkomen, dat niet wij bedoeld zijn, maar anderen, die misschien ook diezelfde naam dragen. Hoort ge, dat Jezus Christus gekomen is om zondaren zalig te maken, dan hebt ge de keus, óf af te zien van de naam 'zondaar', óf te belijden dat Hij u bedoelt en dat Hij gekomen is om u zalig te maken. Kom dan vrijmoedig tot dit besluit: Jezus Christus is gekomen om zondaren zalig te maken, en ik belijd dat dat ook mijn naam is, want ook ik ben een zondaar, en dus: hij is gekomen om mij zalig te maken! Ja, als Hij zegt: omt allen tot Mij, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven (Matth. 11 : 28), dan moet ge goed acht geven op het woordje 'allen'.

'Als er 300 of 400 burgers van een stad vanwege een of andere misdaad verbannen zouden zijn en er zou daarna een algemeen pardon worden afgekondigd, waardoor allen die verbannen waren uit de stad weer vrij zouden mogen terugkeren, met de volle verzekering dat zij hun goederen weer in bezit mogen nemen en in eer zullen worden hersteld, zoudt gij dan, gesteld dat gij één van die verbannenen zoudt zijn, en gesteld dat de man die dit pardon heeft afgekondigd een eerlijk en betrouwbaar vorst zou zijn, ik zeg: zoudt gij dan niet geloven dat ook gij in dit pardon begrepen zijt, alhoewel uw naam niet apart genoemd zou worden, en dat ge, wederkerende in uw stad, in het bezit gesteld zult worden van al uw goederen? '

Zekerheid

Mooie dingen zegt Taffin ook over de zekerheid des geloofs. Ook hier weer legt Taffin alles in God:

'Ook al heeft hij nog niet een zo duidelijk gevoel van de vrede des Heiligen Geestes als de uiteindelijke vrucht van het geloof is. Bedenk toch, er staat niet geschreven: Wie gevoelt, maar: Wie gelooft... heeft het eeuwige leven. Gelijk het geloof zelf behoort tot de dingen die niet gezien worden, zo bestaat, op haar beurt, de kennis dat ik geloof meer in zekerheid dan in begrijpen. Dit blijkt uit de klacht van David (Ps. 22 : 1), die overgenomen is door Christus: mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten? In de woorden: Mijn God, mijn God' horen we de taal des geloofs, maar het kennen en gevoelen van Gods gunst werden gemist, en dat blijkt uit de klacht: aarom hebt Gij mij verlaten? ' Kent Taffin dan niet de worsteling óm de zekerheid? Men leze:

'Zelfs de meest getrouwe en voortreffelijke dienaren Gods hebben onder deze verzoekingen en aanvechtingen te lijden. Letten wij op de levensloop van David dan zien wij daarin zulk een spiegel des geloofs als wij nergens elders vinden, en toch is óók hij meermalen bestreden geweest met grote vrees en twijfelingen. Hoevele klachten laat hij niet horen in Psalm 77: al dan de Heere in eeuwigheid verstoten, en voortaan niet meer goedgunstig zijn? Houdt Zijn goedertierenheid in eeuwigheid op? Heeft de toezegging een einde, van geslacht tot geslacht? Heeft God vergeten genadig te zijn, heeft Hij Zijn barmhartigheden door toorn toegesloten? En aan het eind: dit krenkt mij - , hij lijkt dan een geheel wanhopig mens. Ik vraag u, waar waren toen, in die ogenblikken, in David de krachten en de werkingen van zijn geloof? En toch had hij niet het geloof verloren, want al deze uitdrukkingen geven slechts een beeld van de vrees en van de wanhoop, die van buitenaf het geloof, dat in hem was, besprongen en bestreden. Zoals hij ook zelf elders duidelijk aan het licht brengt, als hij zegt: wat buigt gij u neder, o mijn ziel, en zijt onrustig in mij? Hoop op God, want jk zal Hem nog loven, voor de verlossingen Zijns aangezichts (Ps. 42 : 6.)

'Maar nu werpt ge mij misschien tegen: 'Wat voor troost en zekerheid kan mij zulk een zwak en klein geloof geven? Dan is mijn antwoord: Het kan toch u zekerheid geven aangaande uw kindschap; want al hebt ge niet meer dan een vonkske van een waar geloof, dan zijt ge toch een kind van God. Het geloof heeft namelijk zulk een kracht in zich, dat één graankorreltje ervan, hoe klein het ook is, naar Gods belofte, Jezus Christus in zich bevat. Het is Jezus Christus die ons zaligmaakt, en niet ons geloof, hetwelk niet meer is dan een instrument, en hetwelk gelijkt op een hand, waardoor wij Jezus Christus aangrijpen. Het geloof, hoe klein het ook is, grijpt aan en neemt in ontvangst Jezus Christus, en niet half maar gehéél en al; gelijk een klein kind in zijn kleine hand een hele appel neemt, en vasthoudt, ook al is dat niet met zulk een kracht als waarmee een man dat doet.'

Taffin weet ook van de verslapping in de gelovige:

'Ten laatste, er zijn er ook die eertijds in zich gehad hebben een levendig gevoel van hun geloof, met troost en vreugde in het hart, wandelend in de vreze des Heeren, en die later, toen deze genadebewijzen leken in hen gestorven te zijn, zich ten hoogste verontrust gevoelden, hierdoor in twijfel vielen, wanhoopten aan hun zaligheid of in erge zonden vielen, zulke zonden welke niet betamelijk zijn voor de kinderen Gods. Satan poogt hen dan hierdoor wijs te maken óf dat zij nooit het ware geloof gehad hebben óf dat God ze verstoten heeft, daar Hij hen afnam de gaven en genaden van Zijn Heilige Geest.

Doch zowel de ene als de andere conclusie is geheel verkeerd. Hij die ze trekt, de duivel, is een groot leugenaar. Ofschoon de bomen die gebloeid en in de zomer vruchten voortgebracht hebben 's winters zonder vruchten en zelfs zonder bladeren zijn, en zelfs geheel dood lijken te zijn, mag daaruit toch niet de conclusie getrokken worden, dat zij in de zomer geen leven gehad hebben, of dat zij nu in de winter geheel dood zijn. Als men gaat slapen dekt men het vuur in de haard af; wie het daarna bekijkt, ook al is het van dichtbij, bemerkt zelfs geen schijn van warmte of licht meer. Maar daaruit mag toch niet de conclusie getrokken worden, dat er helemaal geen vuur geweest is, of dat het later uitgeblust is.'

Pastoraal

Genoeg over en uit dit fraaie, pastorale boekje, waaruit we daarom zoveel citeerden, omdat het zó bevrijdend-bijbels is. Bij alles staat bij Taffin voorop het pastorale element, het opbouwen van de kinderen Gods in het ware geloof, daarbij steeds 'de harten opwaarts in de hemel heffend, waar Christus is...' Het opbouwende element moge nog blijken uit enkele hoofdstuktitels: 'De afval en de afwijking van sommigen, die van de ware religie belijdenis hebben gedaan, mag ons niet in twijfel brengen, noch aangaande de leer, noch aangaande ons kindschap Gods.' 'De verdrukkingen mogen ons niet doen twijfelen aan onze aanneming tot kinderen maar dienen ons veeleer daarin te sterken.' 'De verdrukkingen, die ons overkomen zijn ons voorzegd en daarom behoren zij ons te versterken in de zekerheid van onze aanneming tot kinderen.'

Lezing van een boekje als dit doet ons concluderen, dat we binnen het (gereformeerd) protestantisme vaak vér zijn afgegroeid van de oer-reformatorische wortel. Is er immers niet een sector binnen dit protestantisme, waar de vraagstelling van de zekerheid des geloofs al niet meer terzake is (we houden ons met andere dingen bezig óf we zijn gedoopt, we deden belijdenis en dus...). Maar is er ook niet een sector, waarbinnen het innerlijk getuigenis des Geestes zó losgemaakt is van de uiterlijke middelen, dat de twijfel éérder gevoed wordt dan de zekerheid?

Terug naar de bronnen (Ad Pontes). Dat zeg ik na lezing van Taffins boekje. Neem en lees. Men kan dan tientallen heruitgaven ongelezen laten.

Jean Taffin: De kenmerken der kinderen Gods; uitgave De Vuurtoren, Urk, 144 pagina's, ƒ 19, 90.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 oktober 1977

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Kenmerken

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 oktober 1977

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's