Ethisch reveil
3
Nog één passage tenslotte over de publieke opinie:
'Het is uw plicht u boven de publieke opinie te verheffen; niet door haar geleid te worden, maar haar te leiden; en daartoe al die middelen in het werk te stellen, die uw geweten en uw van God afkomstig recht u aan de hand zullen doen. Geeft aan de jeugd leraars, die haar geen heidendom onderwijzen, geen vrijgeesterij, geen Godverzaking uit de geschriften van die zg-wijsgeren, die zich hebben te kennen gegeven als vijanden Gods, maar zulke (leraren) die het beginsel der wijsheid in de vreze des Heeren zullen leren zoeken niet, die hen een dwaze gelijkheid en vrijheid prediken, maar de broederschap die in Jezus is; niet, die hen de beste wijze leren om fortuin te maken en groot te worden in de wereld, maar die hen leren ieder in zijn stand tevreden te zijn en ieder in zijn betrekking getrouw te zijn aan de dagelijkse plicht. Temt die noodlottige vrijheid van de drukpers, waardoor elk kwaad beginsel in de hersenen van een of andere kwaadwillige of domme filosoof uitgebroed, dadelijk in het oneindige vermenigvuldigd wordt, om bij ieder die het verneemt zaden van boosheid en afval te kweken en in het wilde te doen opschieten. Ge moogt het niet dulden, dat een hoop ellendige broodschrijvers ongestraft en ongehinderd met al wat goed, en recht, en heilig is, de spot drijft; en heethoofdige jongelingen met het bèdriegelijke uitzicht op een verderfelijke vrijheid verleidt en trouweloos maakt aan God en aan hun roeping!'
Taal van 150 jaar geleden, taal van het toen beginnend reveil. Da Costa eindigt zijn geschrift als volgt:
'En wij allen, laten wij christenen zijn! Bidden wij daartoe om geloof, om liefde, om nederigheid, om zelfverloochening, om heiliging, om ijver, om moed, om standvastigheid, om vertrouwen, om de Heilige Geest!
Het is vooral in dagen gelijk wij thans beleven, dat de gelovigen opgeroepen worden met de woorden van de profeet:
De verstrooier trekt tegen uw aangezicht op, bewaart de vesting, bezichtigt de weg, strekt de lendenen, versterkt de kracht ten zeerste (Nahum 2 : 1)'.
Ziehier de profetische taal van Isaac da Costa. Zó wilde het Reveil inderdaad allereerst een godsdienstig reveil zijn, maar het leverde daarin en daarmee kritiek op een samenleving, op een eeuw, waarin God niet als de hoogste Souverein (meer) werd gediend en geëerd. Prof. C. Veenhof zegt van dit Reveil:
'De mannen en vrouwen die daardoor gegrepen werden doorzagen de duisternis van de toen zo hooggeroemde 'verlichting', de benepen onverdraagzaamheid van het luid op de vrijheid pochende liberalisme, het farizeïsme van de algemene bewondering van eigen voortreffelijkheid. Ze leerden weer verstaan wat zonde en genade en in onlosmakelijke samenhang daarmee ging ook de liefde voor daadwerkelijke barmhartigheid heerlijk bloeien. Mevrouw Groen van Prinsterer en mevrouw Elout van Soeterwoude bezochten persoonlijk de troosteloze arbeiderswijken en leerden de nood van het volk uit eigen aanschouwing kennen. En ze begonnen toen, onder spot en hoon van de Haagse society, met een systematische armverzorging. Maar wat men in de Reveilkring in dit opzicht kon doen was niet meer dan een druppel op een gloeiende plaat'.
Ik onderstreep nu dit laatste: de sociale bewogenheid. Inderdaad werd vanuit een godsdienstig reveil, met persoonlijke vroomheidsbeleving, met profetische kritiek op een samenleving en een cultuur die al in de greep van secularisatie kwam, beseft hoe nodig het was om in te gaan op de sociale nood. Inderdaad niet los van de persoonlijke vroomheidsbeleving, maar de persoonlijke vroomheidsbeleving óók niet los van de sociale roeping. Ds. J. C. Sikkel zei eens: 'Een gemeente die zegt het eerste te willen maar het tweede niet zoekt mist het bewijs der oprechtheid'. Of dat inderdaad altijd verstaan is? Ik citeer opnieuw prof. Veenhof:
'Neen, wanneer men de ontwikkeling der dingen op het gebied van de diaconie der barmhartigheid overziet is er geen reden om zich op de borst te slaan en uit te roepen:
Wij hebben het er toch maar goed afgebracht! Alle waarderende oordelen over wat de kerk in dit opzicht presteerde moeten ons de ogen daarvoor niet doen sluiten. Hoe heeft een man als prof. L. Lindeboom niet tot beschamens toe moeten bedelen om bijeen te brengen wat voor een christelijke verzorging van de krankzinnigen minimaal nodig was. Ik hoor het hem nog zeggen: De gereformeerde mensen kochten liever russische effecten dan obligaties van Veldwijk, Dennenoord enz. Die 'russen' gaven namelijk iets meer rente! Maar God heeft die geldzucht geducht gestraft. Alle 'russen' zijn in de eerste wereldoorlog waardeloos geworden. Maar wie geld leende aan de vereniging voor de christelijke verzorging van krankzinnigen heeft daarvan nooit één cent verloren! En moest 'Sonnevanck' niet veel te klein worden opgezet omdat na een paar jaar vragen en smeken met slechts enkele honderden guldens als 'bezit het sanatorium moest worden gebouwd? '
Maar afgezien van dit, van het Reveil mag gezegd worden, dat het zicht had op de totaliteit van het leven Coram Deo, voor Gods Aangezicht. Geen reveil zonder echte bekering, persóómlijk en zó ook als volk, tot de dienst aan de levende God en zo óók tot persoonlijke verantwoordelijkheid voor elkaar. Mr. W. F. de Gaay Fortman heeft bij de herdenking van het sterfjaar van Groen van Prinsterer (1976) gezegd:
'Het Réveil, die machtige opwekkingsbeweging van de eerste helft der negentiende eeuw, had hen gegrepen. Wie zegt, dat het het Réveil alleen ging om de verhouding van God en de ziel, heeft niet begrepen, wat déze beweging ten diepste bedoelde. De hoofdsom der wet was voor de mensen van het Réveil in het leven van alle dag een eenheid. De liefde tot God betekende liefde tot de naaste. Zij gingen er op uit om mensen voor Christus te winnen en dus ook maatschappelijk te recht te brengen'.
Dit is juist. Maar ik keer het ook óm, om niet het eerste teveel te benadrukken ten koste van het tweede. Het Réveil, die machtige opwekkingsbeweging van de eerste helft der negentiende eeuw, had hen gegrepen. Wie zegt dat het het réveil alléén ging om liefde tot de naaste, zeg om sociale bewogenheid, heeft het niet begrepen. Het ging hen ook en allereerst om de verhouding van God en de ziel.
Het is onmogelijk, zegt onze Catechismus, dat wie Christus door een waar geloof is ingeplant, niet zou voortbrengen vruchten der dankbaarheid. Maar het is óók mogelijk vruchten der dankbaarheid voort te brengen zonder Christus door een waar geloof te zijn ingeplant.
Waardering
Ik denk -en nu kom ik aan een waardering van het huidige ethische reveil - dat in dit Reveil niet alle accoorden van het reveil uit de vorige eeuw worden aangeslagen. Ik denk, dat daaraan ten grondslag ligt dat én Da Costa in zijn 'Bezwaren tegen de Geest der eeuw én Groen van Prinsterer in zijn 'Ongeloof en Revolutie' onbevangen vanuit het Woord gesproken hebben, terwijl in het huidige ethische reveil, het accent vaak verlegd is naar het evangelie of de evangelische inspiratie.
Wie mij dan tegen wil werpen, dat hier toch geen tegenstelling ligt stel ik de tegenvraag: waarom staat in de discussie over grondslagen en dergelijke dan toch telkens evangelie tegenover Woord Gods?
Het motto van het CDA verkiezingsprogram is geweest: 'Niet bij brood alleen...' Het is voor mij steeds de vraag geweest waarom het betreffende Schriftwoord niet gehéél is weergegeven: 'De mens zal bij brood alleen niet leven, maar bij alle woord dat uit de mond Gods uitgaat'. Alle woord dat uit de mond Gods uitgaat: wet én evangelie! Wat zal een ethisch reveil zijn als het niet teruggaat op alle woord uit Gods mond, op het hele Woord? Vaak kreeg het motto 'niet bij brood alleen' een louter sociale interpretatie. In dit verband noem ik als voorbeeld de toespraak, die mr. W. Aantjes hield op het CDA congres in augustus 1975.
Hij zei toen, n.a.v. Mattheüs 25:
'Het evangelie geeft geen rechtstreekse richtlijnen voor het politieke handelen. Neen, maar het geeft wel richtlijnen voor het rechtstreekse politieke handelen, en soms wel degelijk heel concreet. Leest u er Mattheüs 25 maar eens op na: Hongerigen voeden, dorstigen te drinken geven, vreemdelingen huisvesten, naakten kleden, zieken en gevangenen bezoeken.
Maar dat moeten wij dan wel nu voor vandaag toepassen. Intussen zijn wij 2000 jaar verder, en kijk eens om u heen! De hongerigen wórden niet gevoed; zij sterven als ratten langs de wegen van hun uitgedroogde landen. En als wij I % van ons nationaal inkomen voor ontwikkelingssamenwerking uitgeven hebben wij meer zorg over de vraag of die ene procent wel goed wordt besteed dan over de vraag of die 99% die wij voor onszelf reserveren wel goed wordt besteed.
De dorstigen wórden niet gelaafd. Zij worden aan hun lot overgelaten. En als wij ons aan ons televisietoestel' volzuigen met het vergif van de consumptiereclame, dan zit ons de verhoging van de alcoholaccijns meer dwars dan de ellende van de dorstigen in de wereld.
En de vreemdelingen wórden niet gehuisvest. Zij worden gediscrimineerd en uitgewezen. En wij laten ze uitwijzen, tenzij wij ze nodig hebben om het werk te doen waaraan geen Nederlander ondanks honderdduizenden werklozen zijn handen wenst vuil te maken.
De naakten wórden niet gekleed. Zij worden uitgestoten. En de gevangenen wórden niet bezocht. Zij worden gemarteld. En wij vinden dat wij al heel wat doen (ik spreek over mezelf) als wij een kaart van Amnesty International als kerstgroet rondzenden inplaats van een zoete afbeelding van de herdertjes in Efratha's velden'.
Ik zal bij de beoordeling van wat Aantjes hier zei niet de weg van die critici gaan, die gedaan hebben alsof Aantjes hier een soort socialistisch program van actie heeft gegeven. Want wie spreekt over 'alle woord dat uit de mond Gods uitgaat' kan niet om Mattheüs 25 heen.
Dat staat toch in de Bijbel? En ik ben er diep van overtuigd dat Mattheüs 25 een wereldwijde toepassing zal moeten hebben. De sociale bewogenheid van het reveil in de vorige eeuw vraagt om een mondiale herinterpretatie. Wie ooit de nood in de grote wereldsteden zag, waar mensen in de slumps leven ónder een bestaansminimum, op het niveau van de ratten, waartussen zij leven, moet wel eelt op de ziel hebben als dan de uitdrukking ' de mens zal bij brood alleen niet leven' zo gebruikt wordt, dat we de handen in onschuld wassen waar het gaat om onze christelijke verantwoordelijkheid. Falen we hier als christenen, dan wordt ons de Barmhartige Samaritaan als voorbeeld gesteld die, terwijl de priester en de leviet ter tempel togen, de hulpbehoevende opnam en verzorgde. Ook déze gelijkenis behoort tot 'alle woord dat uit de mond Gods uitgaat'.
Maar dan zeg ik: Het gaat om méér. Het gaat om het gebod Gods, het totale gebod Gods, dat ten leven is. Dan gaat liet om wat in Gods oog recht en gerechtigheid mag heten. En dan zeg ik - met het Hervormde synodale geschrift, waaraan werd meegewerkt door prof. dr. A. A. van Ruler en dr. A. A. Koolhaas ('De politieke verantwoordelijkheid van de Kerk'), dat de kerk (en dus ook de christenpoliticus) niet de zijde kan kiezen van hen, die de bedoeling hebben het recht af te snoeren van de dimensie der gerechtigheid en de politieke orde los te maken van zijn wortels in de wet Gods. 'Want -zo wordt gezegd- de kerk acht de humaniteit niet veilig, wanneer de levende achtergrond van Gods recht uit het bewustzijn van de mens wegzakt. De aan zijn geestelijke wortels ontrukte staat wordt rijp voor fanatieke ideologieën'.
Dit zijn woorden, waarmee het louter spreken over de rechten van de mens, lós van het recht Gods, in het hart getroffen wordt. Ik meen, dat het de geestelijke crisis van dit moment uitmaakt, dat een groot deel der christenheid in de ban is geraakt van het revolutiebeginsel van de rechten van de mens. Op zulk een wortel zal ethisch reveil geen écht reveil kunnen zijn, omdat het niet verankerd is in het totale bijbelse getuigenis. Dan zal er uiteindelijk ook geen verweer zijn tegen de fanatieke ideologieën, die ons omspoelen, of ze nu marxisme of fascisme, maoïsme of materialisme heten. De mens zal bij brood alleen niet leven. Maar zonder brood kan hij ook niet. Ze zijn als schering en inslag. Maar dan óók omgekeerd. De mens kan zonder brood niet leven. Maar bij brood alléén zal hij ook niet leven. Daarom acht ik wat de heer Aantjes zei van een ethisch reveil onvoldoende, onvoldoende gericht op de machten die zich in onze tijd opmaken tegen de Heere en Zijn Gezalfde.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 november 1977
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 november 1977
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's