Wat is de mens...?
Artikel 14 Nederlandse Geloofsbelijdenis
'Er is wel nauwelijks één thema in de menselijke bezinning, dat zo veel strijd opriep als het thema van de mens, dat ons thans zal bezighouden'. Dat is één van de eerste zinnen, die prof. dr. G. C. Berkouwer schrijft in zijn boek over 'de mens als het beeld van God' (Dogmatische studiën). Inderdaad, wie over de mens wil gaan schrijven, moet wel weten, wat hij doet. Vanuit hoeveel verschillende gezichtshoeken kan men niet bezig zijn met de mens? Hoeveel (overdreven) belangstelling heeft die mens blijkbaar altijd weer gehad voor zichzelf? Hoeveel mensbeschouwingen zijn er niet in omloop op aarde? Als wij ze allemaal voor ons uit zouden willen spreiden, zouden we hoe langer hoe meer het gevoel krijgen in een doolhof terecht te komen. De mens zelf wordt dan voor ons een steeds groter raadsel. Of om het te zeggen met de woorden van K. Rahner'. De mens is de vraag, waarop geen antwoord bestaat' (Evangelischer Erwachsenenkatechismus, blz. 201).
Niet de mens op zich
Wat is de mens? Toch kunnen we niet ontkomen aan deze vraag naar het wezen en de bestemming van de mens, wanneer we in het kader van onze behandeling van de Nederlandse Geloofsbelijdenis toegekomen zijn aan het veertiende artikel. Daarin gaat het immers ook over het mens-zijn. Het geloof doet hier uitspraken vanuit de Bijbel over ons menselijk bestaan, die temidden van de wirwar van meningen en opvattingen het overdenken ten volle waard zijn. Zeker, een uitvoerige mensbeschouwing (antropologie) zoeken we in onze Geloofsbelijdenis tevergeefs. Het gaat blijkbaar niet om die mens op zich. Het is hier net als in Psalm 8, waarvan de met eer en heerlijkheid gekroonde mens wordt uitgeroepen. 'Wat is de mens? ' Een weinig minder dan de engelen. Een heerser over de werken van Gods handen. Eén om de loftrompet over op te steken? Wat is er al niet in hem te prijzen? Nee, vele malen nee. De nadruk valt in Psalm 8 helemaal op God. 'Wat is de mens, dat Gij zijner gedenkt en de zoon des mensen, dat Gij hem bezoekt? 'Gij hebt hem gekroond'. 'Gij doet hem heersen'. Gij hebt alles onder onder zijn voeten gezet'.
De mens... dat ben ik
Zó met alle nadruk op God, komt de mens aan de orde in de Nederlandse Geloofsbelijdenis. En zo is het goed. Maken we de vraag naar het wezen en de bestemming van het mens-zijn los van de Godsvraag, dan komen we inderdaad onherroepelijk binnen de kortste keren in de doolhof terecht. Niets is immers voor ons mensen moeilijker dan objectief, zakelijk, eerlijk te spreken over onszelf. En over onszelf spreken toch, wanneer we spreken over de mens. 'We hebben het dan maar niet over een ding buiten ons'. We kunnen er geen vrijblijvende beschouwingen over houden. Altijd weer, wanneer we uitspraken doen over de mens, raken we er onszelf mee. Het is hier net als met een klein kind, dat steeds gesproken heeft over zichzelf in de derde persoon (Keesje doet het niet) en op een goede dag opeens 'ik' gaat zeggen (ik doe het niet). Hij wordt zich bewust van zijn ik. Wel, zo kunnen ook wij alleen maar recht spreken over de mens (derde persoon), als we beseffen, dat ons dat altijd ook persoonlijk raakt. De mens, dat ben ik. En dat (dat we het altijd min of meer ook over onszelf hebben), dat maakt het allemaal zo moeilijk.
Een eerlijk zelfportret of een karikatuur?
Want wanneer wij mensen over onszelf beginnen, hoe gemakkelijk vertekenen we dan niet ons beeld! 'Ken uzelf', zeiden de oude Grieken. En ze bedoelden daarmee, dat bij nadere beschouwing in de diepten van 's mensen bestaan ongekende mogelijkheden liggen om hem goed en groot te maken. Het ideaal van de humaniteit en van een sterke persoonlijkheid is een typisch Grieks en menselijk ideaal. Maar is het objectieve uitbeelding? Of is het vertekening van het mensbeeld, wanneer wij maar voortdurend blijven slaan op het aanbeeld van de grootheid van de menselijke geest? Is het geen vertekening, als dit oude Griekse idealisme ook in het humanisme van onze dagen opduikt? Hoeveel ellende de mens in de wereld ook overhoop haalt, en hoezeer die mens vaak ook vreest het niet te zullen redden, onvernietigbaar lijkt zijn zelfvertrouwen, ongeschokt ontwikkelt hij steeds weer nieuwe idealen, ontsproten aan de overtuiging, dat hij ten diepste goed genoeg is om de zaken op aarde te regelen. Maar ontmaskert onze tijd dit mensbeeld niet als karikatuur? Maken twee wereldoorlogen, opgestapeld atoommateriaal, niets ontziende terreur, morele barbarij, geestelijke decadentie, enz. niet duidelijk, dat het met die hooggeroemde en verwoed gepredikte humaniteit niet zo best gesteld is?
Heere, Gij doorgrondt mij
Het lijkt een onmogelijke opgave voor ons mensen om een zelfportret te maken, een mens-beeld, dat lijkt, zodat men zou moeten zeggen: 'Ja, dat is hij ten voeten uit'. Zullen de mens-wetenschappen, die bezig zijn met de vraag naar het mens-zijn, het antwoord kunnen vinden en het 'mysterie' van dit mens-zijn kunnen ontsluieren, zolang als zij gevangen blijven in de cirkel van het oud-Griekse, humanistische ideaal? En van hoeveel kanten wordt inmiddels door die zg. menswetenschappen de mens bekeken. Psychologie, sociologie, antropobiologie, pedologie, andragologie, culturele antropologie, hebben zij bestaansrecht, los van de laatste waarheid, die ons in het Woord van God geboden wordt, de laatste waarheid ook over het wezen en de bestemming van de mens? Dat doet uiteraard niets af van het nut van al die wetenschappen. Ik wil alleen maar onderstrepen, dat zij de mens niet wezenlijk uit de droom helpen, wanneer zij die mens niet van God uit zien en wanneer zij de geestelijke nood van de mens (zijn schuld voor God) niet hebben gepeild. De hulp, die een ongelovige psychiater b.v. aan zijn patiënten geeft, al leidt deze hulp tot nog zoveel innerlijke rust, is toch niet meer dan een lapmiddel (een doekje voor het bloeden) , als de diepste bron van alle onrust en het enig rustpunt voor het hart buiten beschouwing blijven.
De volle waarheid over ons mens-zijn komt van een andere kant dan van de kant van ons mensen zelf. Eerst in het licht van God komt de ware aard van ons mens-zijn voor de dag. De mens is het mysterie, waar de levende Schepper Zijn licht over moet laten schijnen. Dan wordt de cirkel van onze zelfbeschouwing, van onze zelfbepaling en van ons zelfbewustzijn doorbroken. Hij, Die ons van binnen en van buiten kent, omdat Hij ons gemaakt heeft. Hij heeft het laatste woord, als het over de mens gaat. De vraag naar het mens-zijn hangt aan de Godsvraag. De mens is alleen maar te doorgronden, als God hem doorgrondt. 'Heere, Gij doorgrondt en kent mij...; doorgrond mij, o God en ken mijn hart...' (Ps. 139).
Zo nu vanuit het geloof in de levende God wordt ook in artikel 14 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis een (geloofs) uitspraak gedaan over de mens. 'God heeft de mens geschapen van het stof der aarde en heeft hem gemaalct en geformeerd naar Zijn beeld en gelijkenis'. Hier de mens 'in het zoeklicht van de presente God' (Berkouwer). De mens geschapen naar het beeld van God. Het is het Bijbelse mens-beeld, waarin zowel de Goddelijke opzet alsook de Godonterende verstoring door de zonde aan de orde komen, waardoor we bewaard kunnen blijven voor een verschrikkelijke vertekening van onszelf.
Het beest uit de aarde
Het laatste Bijbelboek laat ons zo'n vertekening zien in het beeld van de mens in de eindtijd, het schepsel, dat het toppunt van humaniteit heeft bereikt. Een weinig minder dan God Zelf. Zijn getal is 666. Net iets minder dan 777, het getal, dat God in Zijn heilige volheid aanduidt. En dan het ontstellende, dat juist deze mens op het toppunt van Zijn kunnen en kennen, hoog verlicht, ontembaar sterk, het beest genoemd wordt in het boek van de Openbaring. Een weinig minder dan God Zelf en juist zo het meest beestachtig. Geen engel voor God, maar een groot beest bij God.
Als we dit lezen kunnen we niet nalaten te denken aan de mens in onze apocalyptische tijd. Zo groot als hij is, verlaagt de mens zich immers steeds meer tot het beestachtige in brute loochening van het Godsbestaan (atheïsme), in hartstochtelijke pleidooien voor sex in allerlei vormen (sexualisme, homosexualiteit), in vergoddelijking van het stof (materialisme). Nooit heeft de mens meer zijn eigen bestaan op aarde op het spel gezet als juist nu. De geest van gewilde zelfvernietiging zet krachtig door. Denk aan het druggebruik, aan het toenemend aantal zelfmoorden, aan de moord op grote schaal op het ongeboren kind, aan de dreiging met atoomgeweld.
De mens in zijn ellende en grootheid (Pascal)
Juist nu in zo'n tijd komt het erop aan, dat we om met Pascal te spreken voor twee gevaren beducht zijn. Het is gevaarlijk om de mens zijn grootheid (grandeur) te laten zien. Weinig minder dan de engelen. Bijna goddelijk. Want voor God is hij als een groot beest. Maar tegelijk is het gevaarlijk om de mens in zijn ellende (misère) af te schilderen, zonder hem te herinneren aan zijn dure roeping. Juist in onze tijd komt het erop aan, dat we de ware grootheid van de mens verkondigen, zijn schepping naar het beeld van God. Want in de schepping naar Gods beeld en gelijkenis ligt ook voor de mens, die met Asaf in Psalm 73 moet zeggen: 'Ik was een groot beest bij U', de weg om tot ware grootheid te komen. Wat dat precies betekent, zullen we de volgende keer zien. De mens als beeld van God, dat is de mens in zijn ware wezen en naar zijn heerlijke bestemming. De mens in het zoeklicht van God.
Rembrandt heeft in een schilderwerk van de verloren zoon, zijn eigen gelaat getekend in dat van de tot de vader weerkerende jongen. 'Ken Uzelf'. Ja, als we zo onszelf teruggevonden hebben in de gang van een verloren zoon tot zijn vader, eerst dan komen we het recht aan de weet, wat de mens is.
En o God, wat een wonder, dat Gij die mens gedenkt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 november 1977
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 november 1977
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's