De Heilige Geest en het Ambt
Woord en Geest
1
Wat verstaan we onder het ambt? De vaak moeizame discussie in onze kerk over deze kwestie sinds de invoering van de nieuwe kerkorde in 1951 geven nogal wat spraakverwarring te zien. Een definitie blijkt niet zo eenvoudig te zijn. Het bestek van deze artikelen staat ons niet toe hier breed op in te gaan. Daarom geef ik hier slechts een paar gegevens die ik ontleend heb aan een artikel vandr. H. Schroten over kerk en ambt in de bundei Roeping en belofte. Schroten wijst erop dat de oudste uitgave van de Nederlandse Geloofsbelijdenis in artikel 31 niet spreekt over 'verkiezing tot hun ambten', maar over 'in haren dienst' (Frans: 'en leurs offiches'). Ook de Dordtse Kerkorde spreekt in artikel I over de diensten die nodig zijn om de goede orde in de gemeente van Christus te onderhouden.
In de Staten-Vertaling worden vijf Hebreeuwse woorden weergegeven met het woord 'ambt'. Twee van deze woorden werpen op de zaak die ons hier bezig houdt enig licht. Het ene woord, peqoedah, wordt in een aantal gevallen vertaald als 'ambt', en vormt dan de aanduiding voor de dienst van de priesters en levieten in het heiligdom als wachters, voor het opzicht en voor de offerdienst. Dit woord sluit dus de notie gezag in zich.
Het tweede Hebreeuwse woord is het begrip abodah, dat in de Staten-Vertaling van 1 Kron. 6 : 32 vertaald wordt met 'ambt', maar op andere plaatsen doorgaans met 'dienst'. Dit woord ziet dus op de heilige dienst in het Huis van God.
De conclusie die Schroten dan trekt en die we gaarne overnemen is de volgende: Abodah duidt aan de dienst van de ambtsdrager in zijn betrekking tot de Heere God, waarbij de ambtsdrager zich dus bewust moet zijn dat hij onderworpen is aan Gods gezag, instrument in Zijn hand, onderworpen aan Zijn Woord. De regering van de kerk door de ambtsdragers kan dus nooit heerschappij betekenen, omdat in feite niet de ambtsdrager regeert, maar Christus de Heere.
Het andere woord, peqoedah, duidt aan het ambt van de ambtsdrager in betrekking tot degenen over wie hij gesteld is. Hierbij is wel degelijk sprake van gezag Dat gezag is ontleend aan de Opdrachtgever. 'Wie u hoort, hoort Mij en wie u verwerpt, verwerpt Mij, en wie Mij verwerpt, die verwerpt Hem die Mij gezonden heeft' (Luc. 10 : 16). De ambtsdrager vertegenwoordigt zijn Zender en Opdrachtgever. Zo bestuurt Christus Zijn gemeente door Zijn Geest en Woord, maar Hij gebruikt in deze dienst mensen, die Hij daartoe geroepen heeft en toerust voor deze hoge taak.
Het is in dit licht dus niet zo verwonderlijk, dat we in het Nieuwe Testament, waarbij we met name denken aan de Paulinische brieven, voornamelijk twee woorden gebruikt vinden nl. gaven en diensten. De ambten zijn gaven van de verhoogde Christus die Hij door Zijn Geest de gemeente schenkt. Zij vormen het middel in zijn hand om de gemeente te regeren en te leiden, op te bouwen en toe terusten. Aandacht voor ambt en kerkorde, kerkorganisatie en kerkrecht is dus voluit bijbels. We mogen niet in een overgeestelijke houding ons daarvan afmaken, alsof een door de Geest geleid gelovige boven deze institutionele gegevenheden verheven zou zijn. Nee, de verbinding die in het opschrift boven dit artikel gelegd wordt, is terecht: De Heilige Geest en het ambt.
Kritische stemmen
Nu is deze verbinding tot op de dag van vandaag niet onweersproken. We denken b.v. aan wat omstreeks 1900 met kracht en klem verdedigd is door de jurist Rudolf Sohm. Deze was van oordeel dat iedere vorm van kerkrecht met het wezen van de kerk in volstrekte strijd is. Want de kerk is z.i. een geestelijke werkelijkheid, die slechts bijeengehouden wordt door gemeenschappelijk geloof en door de inwerkingen van de Geest. Een uitwendige, ambtelijke organisatie zou aan dit waaien van de Geest afbreuk doen. Want de Geest leidt de kerk onmiddellijk door aan bepaalde personen zijn wil bekend te maken. Van een door de gemeente ingestelde ambtelijke orde kan geen sprake zijn, op straffe van ongehoorzaamheid aan de vrije werking van de Geest.
Hoewel Sohms opvattingen veel bestrijding ondervonden hebben en in zijn krasse vorm ook geen aanhangers meer vinden, werken ze in allerlei nieuwtestamentische literatuur over het ambt toch nog door. Zo heeft de Duitse Nieuwtestamenticus, Ernst Kasemann de stelling geponeerd dat er een tegenstelling zou bestaan tussen de z.i. echte Paulinische brieven aan de Corinthiers en de latere Pastorale brieven. De apostel Paulus zou een ambtelijke, institutionele orde niet kennen. Alles zou beslist worden door de Geest die gaven uitdeelt en leiding geeft. Ouderlingen zouden in de door Paulus gestichte gemeenten onbekend zijn. Alle gedoopten zijn ambtsdragers met hun eigen verantwoordelijkheid, krachtens de hen geschonken genadegave. Er is geen ambtelijke orde die tegenover de gemeente staat. De latere ontwikkeling zoals we die in de brieven aan Timotheus en Titus en in de Handelingen der Apostelen aantreffen wordt door Kasemann dan ook beschouwd als een afbuiging van de zuiver geestelijke. Paulinische lijn. Want dan gaan ouderlingen, oudstencolleges, kerkordelijke maatregelen, geordende diensten enz. het vrije werken van de Geest verdringen. Dan laat de kerk Paulus los en gaat zij van een theologie van het kruis en de genade over op een theologie van de heerlijkheid, nl. van ambtelijkheid en kerk ordelijkheid. Dan gaat het instituut de Geest verdringen.
Het behoeft voor wie wat op de hoogte is van de huidige aanvallen op ambt en orde, instituut en gezag weinig betoog dat Kasemann's visie bij velen gehoor vindt.
Twee spitsen
Nu behoeft ons dat op zichzelf niet te verbazen. Dr. W. Balke heeft er in zijn proefschrift Calvijn en de doperse Radikalen op gewezen hoe de Calvijnse visie op het ambt twee polemische spitsen vertoont (blz. 243v). En ik meen dat we wat Balke ten aanzien van Calvijn opmerkt, ook kunnen laten gelden voor de reformatorische belijdenisgeschriften en kerkorden. Enerzijds hebben Calvijn en zijn volgelingen zich verzet tegen de r.-k. priesterheerschappij, de bisschoppelijke hiërarchie, waar bij het zicht op Jezus Christus als Hoofd van Zijn gemeente verduisterd werd door mensen en de kerk de plaats ging opeisen die aan Christus, aan Zijn Woord en Geest toekomt. Anderzijds heeft Calvijn scherp positie gekozen tegen de doperse geestdrijverij. Hij is bijzonder scherp tegen de Dwepers en de Libertijnen die het ambt en de uiterlijke prediking verachten. 'Het zijn dweperse mensen, die dromen dat het kinderen zijn, die nog gebonden worden aan het lezen van de Schrift en het horen van het Woord. Alsof niemand geestelijk was dan de verachter van de leer. Zij verachten hoogmoedig de dienst van mensen, ja ook de Schrift zelf om de Geest te verkrijgen. Vervolgens wat de duivel hen aan waanzin heeft ingegeven, verkopen zij als verborgen openbaringen van de Geest. Hoe ongeleerder iemand is zoveel te meer is hij door hoogmoed opgeblazen en gezwollen' (bij Balke, a.w. blz. 248v).
Elke tegenstelling tussen Geest en ambt is Calvijn vreemd. De nauwe verbinding die de Reformator legt tussen Woord en Geest zal hier wel alles mee te maken hebben.
Ik meen dat we uit de geschiedenis de nodige lessen kunnen halen. Wij zien bij velen ook vandaag een verzet tegen allerlei gezagsstructuren, ook in de kerk. Verzet dat vaak gevoed wordt, door misbruik dat helaas gemaakt wordt van ambtelijk gezag. Uit reactie tegen de 'dominees-kerk' roepen velen om het vergeten ambt, de dienst van de gelovige op zijn plaats in gemeente en wereld. We zien dat niet alleen binnen de Reformatorische kerken. Maar ook in de Rooms-katholieke kerk, waar b.v. een theoloog ah Hans Küng nogal sterk beïnvloed is door de opvattingen van Kasemann. We menen dat de bijbelse verbindingslijn tussen Geest en ambt een smalle weg aangeeft tussen een ambtsopvatting waarbij Christus op de achtergrond geraakt en de • Geest wordt tegengestaan en een visie waarbij uit overgeestelijkheid tekort gedaan wordt aan ambt en orde.
Niettemin blijft de vraag die ons door Kasemann voorgelegd wordt over ter beantwoording: Is het waar dat er een tegenstelling is tussen de oudere Paulinische brieven en de latere brieven aan Timotheus en Titus? Op deze vraag wil ik graag ingaan in een tweede artikel.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 november 1977
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 november 1977
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's