De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Eigen identiteit van de GZB

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Eigen identiteit van de GZB

9 minuten leestijd

Sinds bij de invoering van de Nieuwe Kerkorde in 1951 de verschillende zendingscorporaties, die binnen de Hervormde Kerk werkzaam waren, de verantwoordelijkheid voor hun arbeid overgedragen hebben aan de Raad voor de Zending, is telkens weer de vraag aan de orde gesteld waarom de Gereformeerde Zendings Bond toch gemeend heeft zijn aparte plaats te moeten handhaven. Bij de behandeling van de jaarverslagen van de Raad voor de Zending en van de GZB komt deze vraag telkens weer naar voren. Daarom is het een goede zaak, dat de GZB ditmaal bij zijn jaarverslag een brochure voegde, getiteld: Het eigen karakter en de plaats van de GZB binnen het geheel van de Nederlandse Hervormde Kerk. We geven van deze brochure hier enkele kernnoties weer. Over de eigen plaats van de GZB wordt gezegd:

'Wanneer wij mogen leven uit dit wezenlijke van de Reformatorische belijdenis, en dat wat wij zoeven noemden, levende werkelijkheid voor ons is geworden, dan moet de roeping tot zending ons zwaar wegen. Wij zien deze roeping tot zending ook als wezenlijk onderdeel van het kerkzijn als zodanig. Haar toch geeft de Drieënige God kennis van en deel aan Zijn heil. Tevens heeft zij uit het Woord er weet van, dat Hij nog niet klaar is met Zijn werk, om steeds weer anderen bekend te maken met dat heil en eveneens daamit te doen leven; dat zij als Zijn kerk hierbij Zijn bijzonder instrument is.

Het lijkt ons niet onjuist, er aan vast te houden dat bij Zijn nog steeds voortgaand werk het hoogste doel van de Heere God is: de verheerlijking van Zijn Naam. Is dit dan tevens niet het hoogste doel van het zendingswerk? Hij wil immers een volk, voor wie het 'Sola Scriptura, Sola Gratia, Sola Fide' ('Alleen de Schrift, alleen door genade, alleen door het geloof') levende realiteit wordt? ! Hij wil immers dat zo een gerechtvaardigde goddeloze, die tot Zijn kind is aangenomen. Hem weer begeert te dienen, in alle verhoudingen van het leven? ! Ja: 'Ad Gloriam et Manifestatiam Gratiae Divinae' ('tot verheerlijking en openbaring van de Goddelijke genade').

Ligt hierin niet mede als doel opgesloten: de bekering en verlossing van totaal verlorenen in absolute zin? ! Heel het hart en leven zijn bezet gebied door de machten der duisternis. Maar de bekering en verlossing hebben hun effect op beide.

Gaat het hierbij tevens dan niet om de planting, de 'vergadering' van de gemeenten Gods? In de Schrift is niet voor niets sprake van de kudde van de Goede Herder, van het lichaam op aarde van het Hoofd, de Heere Christus. De Heere God wil naar Zijn Woord, Zijn verlosten niet hebben als een Robinson Crusoe op een eilandje, maar samenverbonden tot een nieuwe gemeenschap, waarbij het individu en de gemeenschap niet aan elkaar worden opgeofferd. Hierbij draagt ieder persoonlijk verantwoordelijkheid voor de ander en heeft hij zijn 'gaven' te besteden tot nut en zegen van de naaste. Het gaat hier om de 'koinoonia', de gemeenschap en de daadwerkelijke betoning hiervan , zoals ook de apostelen hierover in hun brieven spreken.

Nog eens: als wij leven mogen uit het wezenlijke van de Reformatorische belijdenis, dan zullen wij ons goed bewust zijn, dat de kerk niet slechts introvert (naar binnen gekeerd), maar tevens extravert (naar buiten gekeerd) moet leven. Zij weet van en deelt in het heil. Zij heeft dit uit te dragen. Zo wil de Heere God in deze wereld gestalte geven aan Zijn heilvol Koninkrijk. De drie genoemde doeleinden zijn eigenlijk hieraan dienstbaar!'

Over de andere godsdiensten wordt gezegd: 'Actueel is de vraag: 'Hoe hebben wij deze godsdiensten te waarderen? ' De Schrift spreekt van Gods algemene openbaring en een natuurlijke godskennis. Moeten wij deze godsdiensten ergens hiermee in verband brengen? Zitten er positieve elementen in?

Vallen wij echter niet onder het oordeel van Paulus in Romeinen 1 en in 1 Corinthe 1: 'Wat God hen heeft geopenbaard, houden zij in ongerechtigheid ten onder. In al haar eigenwijsheid heeft de wereld God in Zijn wijsheid niet gekend, niet opgemerkt.'

Zo wordt haar alle verontschuldiging ontnomen. En het heil des Heeren wordt alleen gekend door de bijzondere openbaring, exclusief in het Woord en in de dwaasheid der prediking en door radicale bekering tot het geloof in het Woord en Christus alleen.

In de praktijk is dit geen eenvoudige zaak. Moet toch dit laatste niet de gesteldheid en houding van de kerk principieel bepalen? 

En over de zending en de jonge kerken:

'Thans is de zending niet meer los te denken van de jonge kerken. Hier wordt het tweede gedeelte van Christus' zendingsbevel actueel: 'Maakt hen tot Mijn leerlingen, leert hen onderhouden, alles wat Ik u geboden heb.' Hier gaat het weer om de planting en vorming van de gemeenten, om de bekering en rechtvaardiging en heiliging van goddelozen, om het discipelschap. Dit raakt immers heel het leven en is daarom geen zaak van korte duur.

Zo is mede de taak van de zending, deze kerken te dienen in opleiding en vorming, opdat zij mogen komen tot zelfstandigheid; en wel in deze zin, dat zij niet alleen pastoraal en diakonaal, doch ook weer apostolair hun roeping verstaan en deze enigszins aankunnen, om dus op hun beurt ook weer zendingsgemeenten te zijn.

Na enkele andere stromingen te hebben genoemd, die zich richten op de bevrijding in aardse zin, wordt gezegd:

Wij zijn kopschuw van die stromingen, welke de indruk wekken: hier wordt nog wel gesproken over de verzoening tussen God en de mens, maar als aanloopje. Het gaat om de intermenselijke verzoening. Hier wordt nog wel gesproken over de verandering van het hart van de mens, doch als aanloopje. Het gaat om de verandering van de structuren. Spelen de zojuist aangestipte gedachtengangen geen dominerende rol in het huidige beleid en de activiteiten van de Wereldraad van Kerken?

* * *

Wij laten hier niet onvermeld dat thans ook bijzonder aan de orde is de dialoog met de belijders van de andere wereldgodsdiensten, welke - zoals wij reeds signaleerden - al meer in positieve zin worden gewaardeerd.

Wij erkennen, dat in de benadering van de ander de dialoog van betekenis kan zijn. Wij zien echter gevaren in de wijze, waarop, en in de achtergrond, waaruit thans hierover gesproken wordt, en in datgene wat men er mee op het oog heeft.

De proclamatie van het exclusieve heil in Christus mag toch niet in gevaar komen. Hier moet toch blijven klinken de oproep tot bekering van de dwaalwegen en afgoden en het zoeken in eigen werk, tot het geloof in de Christus der Schriften alleen. Paulus trad in Athene met de anderen in een dialoog, maar hij kwam niet voor niets tot de proclamatie.

'En zo staan wij binnen de Nederlandse Hervormde Kerk. Bewust. Wij gevoelen ons met haar verbonden, van Godswege, omdat zij kerk der Reformatie is. Mede in haar midden is dit belijden, dit wezenlijke, geboren. Uit deze wortel is zij tot openbaring gekomen.

En nu is de GZB een vereniging, maar zij doet haar werk bewust binnen en mede namens deze kerk. Hoe is zij ontstaan? Wat staat in haar statuten? Wie behoren tot haar leden? Mensen, zeker met tekortkomingen en zonden, ook als het gaat om een belijden van en een leven uit het wezenlijke van de belijdenis der Reformatie. Toch -en dit zeggen wij niet in hoogmoed - zij mogen hierop worden aangesproken dat het hun bij alles toch hierom gaat. Het hooghouden van dit wezenlijke mag geen leuze zonder inhoud zijn, geen vlag welke de lading nauwelijks dekt. Zo zijn zij hervormd, rechtmatig, gewoon hervormd, gezien de oorsprong en de belijdenis van de Nederlandse Hervormde Kerk.'

Nadat dan de actuele situatie in de Hervormde Kerk is geschetst, waarbij aangetoond wordt hoe de Kerk met haar nadruk op 'de gemeenschap met de belijdenis der vaderen' vaak op wegen buiten het Woord kwam, wordt gesteld dat de GZB zijn eigen plaats met droefheid inneemt:

'Ons bewaren van de eigen plaats is daarom tevens een hartelijk appèl op onze kerk. Ze houdt tegelijkertijd een bijzondere verantwoordelijkheid in. Wij willen kerkelijk zijn. Dat betekent dat ook de gemeenten nauw bij het werk betrokken moeten worden. De binnenlandse arbeid mag niet alleen , gericht zijn op de geldwerving, doch veel meer op de bewustmaking van de gemeenten inzake haar zendingsroeping. Hoe kunnen zij met hun kerkeraden nog meer bij de zending betrokken worden? De zending, die niet voor niets kerkelijk wil heten, is ten diepste zending vanuit de plaatselijke gemeenten.

Deze verantwoordelijkheid sluit tevens een roeping tot bezinning in. Het gaat ons om het reeds meer genoemde principe. Welnu, hoe staat het ook onder onszelf met de prediking en het belijden en het in praktijk brengen hiervan, juist in onze tijd en in onze omstandingheden? Hoe is dit in de gemeenten en in ons persoonlijk leven? Zijn er geen tekorten, afwijkingen, zelfs ketterijen in leer en leven? Is dat Sola Scriptura, Sola Gratia, Sola Fide (alleen de Schrift, alleen door genade, alleen door geloof) slechts een leuze of doorleefde werkelijkheid? Hoe staat het met de liefde tot de zending; met de werving van zendingsarbeiders en - arbeidsters onder ons; met de bereidheid om uit te gaan; met het gebed hiervoor?

Is in onze gemeenten eveneens niet een voortdurende bezinning nodig op de roeping en de inhoud en het doel van de zending, juist in verband met allerlei gedachtengangen en stromingen, welke wij signaleerden, nl. de wereldgodsdiensten, de voortgaande saecularisatie, het communisme in haar verschillende gestalten, de bevrijdingsbewegingen en de spanningen tussen de rijke en arme landen? Is er ook geen bezinning nodig in verband met de vragen omtrent de juiste verhouding tussen verkondiging en verder dienstbetoon in de brede zin van het woord? Waar loopt de weg tussen de klippen van een verengd piëtisme en van een vals activisme door? 

Bij deze drang tot zelfbezinning sluiten we dit waardevolle werkje (gratis verkrijgbaar op het bureau van de GZB, Utrechtseweg 117, Zeist) af. Het mag inderdaad te denken geven, dat we in eigen kring momenteel gemakkelijker geld dan zendingsarbeiders bijeen brengen. Alsof ook nu de velden niet wit zijn om te oogsten. God stote ook nu arbeiders uit in de wijngaard. Een gemeente, die slechts de eigen leden bereikt en geen werfkracht zou hebben naar buiten, raakt in het slop. De verkondiging naar binnen en naar buiten zijn nu eenmaal als schering en inslag, de twee vleugels voor kerk en gemeente. Daarom mag de geringe aanwas van nieuwe zendingsarbeiders ons reden tot zorg en gebed zijn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 november 1977

De Waarheidsvriend | 14 Pagina's

Eigen identiteit van de GZB

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 november 1977

De Waarheidsvriend | 14 Pagina's