Gave en opgave in het kindschap Gods
Artikel 14 Nederlandse Geloofsbelijdenis
In ons vorige artikel over het beeld Gods, hebben we gezien, , dat Adam bij zijn schepping in een kindschapsverhouding met God werd geplaatst. We hebben toen twee woorden gebruikt om dat nader aan te duiden, de woorden gave en opgave. Daarover in het onderstaande iets meer.
Het beeld Gods in de ziel (Calvijn)
Het valt op in het scheppingsverhaal van Gen. 1, dat er een zekere opklimming is in de scheppingsdaden van God. Het gaat naar een climax toe. Eerst het anorganische, de levenloze stof. Daarna het organische leven (de planten). Vervolgens de dierenwereld. En tenslotte de mens. Alleen van de mens wordt gezegd, dat hij is geschapen naar het beeld van God. Dat we daarom bij de omschrijving van het beeld van God de grens met de dierenwereld mede in het oog vatten, is een wettige zaak. Het beeld-Gods-zijn van de mens verheft hem boven het dier in elk geval. De mens is wezenlijk anders dan het dier. Dat heeft niet slechts wat te maken met een totaal andere functie, die die mens te vervullen heeft. Dat is gegeven met de structuur van zijn mens-zijn. Hij is in de totaliteit van zijn bestaan een schepselmatige weergave van God de Schepper.
Calvijn zegt, dat het beeld Gods ook enigermate uitkomt in het lichaam van de mens. 'Daarin gloeien enige vonkjes' (het rechtopgaan van de mens in tegenstelling tot het dier b.v.) Toch bestaat het beeld Gods volgens de opvatting van Calvijn vooral in de ziel met haar geestelijke vermogens: het verstand als de leidsman en bestuurder der ziel en de wil om te kiezen. De ziel van de mens, zegt Calvijn, is onsterfelijk. 'Zij zijn door de duisternis verblind, die niet bedenken, dat ze na de dood zullen voortleven'.
De mens in relatie (Berkhof)
Er zijn grote bezwaren ingebracht tegen deze omschrijving van het beeld Gods. Ze zou ontleend zijn aan een stuk verouderde psychologie. Bovendien zou zij uitgaan van een onbijbelse scheiding van lichaam en ziel. We houden ons met deze ingebrachte bezwaren op dit moment niet bezig. Wel willen we naar voren brengen, wat meestal in de plaats wordt gesteld van deze zg. verouderde opvatting van het beeld Gods. Het wezen van de mens als beeld van God zou volgens nieuwere opvattingen nl. niet moeten worden gezocht in zijn creatuurlijke (schepselmatige) zijn, maar in zijn positie en functie in de schepping van God. Prof. dr. H. Berkhof b.v. zoekt het wezenlijke van het mens-zijn in de relaties, die de mens kan onderhouden. De mens is de 'gans andere', de unieke in Gods schepping. Hij staat in een verhouding met God, met zijn medemens en met de natuur. En het instrumentarium, waarvan hij zich bedient bij de uitoefening van dit mens-zijn in relaties ligt dan in zijn geest, in de vrijheid en in de tweeëenheid van ziel en lichaam. Op het laatste gaan we hier niet in. Ons interesseert de vraag, of het juist is het wezen van de mens te beschrijven als een zaak van het hebben van relaties. Ligt daarin het wezenlijke van het beeld Gods, dat de mens in een verhouding staat met God, de medemens, de natuur?
God en mens gaan niet op in relatie en functie
Mij dunkt, dat dit een boeiende, maar toch ook niet ongevaarlijke denklijn is. Ze hangt samen met een tendens in nieuwere theologische beschouwingen, die wars is van zg. zijnscategoriën. Niet het zijn, het zo geschapen zijn van de mens vormt dan meer het uitgangspunt, maar de functie die die mens vervult in het geheel van Gods schepping. Met andere woorden: het mens-zijn wordt opgehangen aan zijn functioneren als mens. Dat geldt niet maar van het mens-zijn. Zo wordt het ook gesteld met betrekking tot God. Het eeuwig zijn van God, los van de schepping en de mens, kan dan ter discussie staan. God is dat, wat Hij is in relatie met Zijn schepping en met ons mensen.
Het moge begrijpelijk zijn, dat men op deze manier verlost wil worden van een oud-Grieks denkpatroon (Aristoteles met zijn onbewogen, koude idee van het zijn), inmiddels komen we met deze denkmethode ook op buitenbijbels spoor. In de Bijbel immers gaat de levende God bepaald niet op in Zijn verhouding met Zijn schepping en met de mens. Hij openbaart Zich weliswaar op een wijze, dat de mens Hem kennen kan, zoals Hij is. Maar het is openbaring van Hem, Die eeuwig is, die Hij is. God blijft volop God, ook als Hij de verhouding met een zondaar verbreekt, zoals Hij het ook was, voordat Hij een betrekking met die zondaar had. God is niet onbestaanbaar, los van Zijn schepping. Zijn schepping is onbestaanbaar, los van Hem. Daarom kan de prediking van de levende God doorgaan, ook al functioneert deze God voor het besef van de moderne mens niet meer. God gaat niet op in zijn functies en in dat wat wij daarvan ervaren. Niet minder geldt dit alles ook met betrekking tot de mens. Nemen we ons uitgangspunt voor de beschrijving van het wezen van de mens in de functie van die mens in het geheel van de schepping, dan voorkomen we weliswaar, dat we die mens zien als een in zichzelf rustend wezen. Maar we hangen inmiddels het menszijn op aan zijn functionering. En nogmaals, dat gevaarlijke konsekwenties. Een atheïst, die geen relatie met God onderhoudt, zal in Gods schepping niet functioneren, zoals het behoort. Toch is hij geschapen naar het beeld van God en kan hem het mens-zijn niet ontzegd worden. Een demente bejaarde, met wie elk gesprek onmogelijk is en bij wie alle relaties gestoord zijn, moet die uit zijn 'lijden' verlost worden, omdat er niets menselijks meer aan hem te beleven valt? Is het menselijke weg, als de relaties wegvallen? Heeft een oorlogsmisdadiger als Joseph Kotalla, de beul van Amersfoort, het recht om zich bij de Commissie voor de rechten van de mens in Straatsburg te beklagen, omdat hij een onmenselijke straf uitzit: Levenslang. U weet, dat dat onlangs is gebeurd. Als het mens-zijn alleen in de relaties gevonden wordt, heeft Kotalla misschien gelijk. Want in de gevangenis vallen er nogal wat relaties weg. Mij dunkt, de strafgevangene van Breda heeft met betrekking tot zijn mens-zijn zich wel op andere dingen te bezinnen.
We keren terug tot de omschrijving, die Calvijn gaf van de mens als beeld van God. Daarin ontdekken we een ander uitgangspunt. Hij en vele oude theologen zijn bij het spreken over het wezen van de mens uitgegaan van de schepselmatige structuur van de mens als redelijk-zedelijk-onsterfelijk wezen. Dat is de mens als gave Gods. Het beeld Gods ligt verworteld in het zijn, het zo zijn van de mens.
Gave is tegelijk opgave
Maar daarmee is toch nog niet alles gezegd. Dit menszijn brengt onmiddellijk een hoge roeping met zich mee. De gave is tegelijk opgave. De mens is geen in zichzelf rustend wezen. Zijn weerspiegeling van Gods heerlijkheid ligt ook in de positie, die hij als kroon van de schepping van Zijn Maker krijgt. Onmiddellijk aan de uitspraak over het beeld Gods in Gen. 1 : 26 is de opdracht verbonden: Opdat (en dat) zij heerschappij hebben over de vissen der zee en over het gevogelte des hemels en over het vee en over de gehele aarde en over al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt'. De mens als beeld Gods heeft een geweldige verantwoordelijkheid. Hij krijgt alles op de aarde in beheer. Hij moet er koning over zijn, Gods stedehouder en vertegenwoordiger, die de zaken op aarde in de Naam van de Schepper mag behartigen. En voor de uitoefening van die opdracht is hij levenslang verantwoording schuldig aan zijn God.
Koningskind bij de gratie Gods
In één woord: een mens op niveau. Zoals oudtijds een oosterse vorst, als hij een land en volk aan zich onderworpen had, soms zijn beeld liet oprichten onder dat volk om daarin zijn heerschappij uit te drukken en zijn gezag te symboliseren, zo is de mens als beeld van God uitdrukking en symbool van de Opperheerschappij van de levende God. Hij is het koningskind, dat als verantwoordelijk wezen bemiddelt in de Godsregering van deze aarde. Koning bij de gratie Gods. Theocratie van de beginne. Of te spreken in een ander beeld: zoals de afbeelding van onze koningin op onze dubbeltjes en guldens van hand tot hand gaat, zo is de mens beeltenis van God op aarde, de gouden munt in aardse omloop.
Het kindschap Gods in gave en opgave. Zo kunnen we het ook verstaan, dat ook na de zondeval de mens voor God aanspreekbaar blijft als beeld Gods. Wanneer Noach na zijn uittocht uit de ark, in de nieuwe wereld na de zondvloed, opnieuw de opdracht krijgt om de aarde te bebouwen en te heersen over al wat leeft, geeft God hem al het groene kruid tot spijs, ook het dier, maar hij zal de hand niet slaan aan het mensenleven. Want de mens is naar Gods beeld gemaakt (Gen. 9 : 6 slot) De Schepper zoekt en ziet in de gevallen mens nog maar steeds Zijn beeld. Die mens doden is hetzelfde als wanneer men iemands foto (beeld) onder zijn ogen aan stukken scheurt.
De functionering van het beeld Gods na de zondeval
Met dit alles zijn we echter nog niet klaar met alles, wat de Bijbel ons zegt over het beeld van God. Het is duidelijk, dat er een groot verschil is tussen de mens vóór en na de zondeval, ook in de wijze waarop hij beeld van God is. Het beeld van God functioneert, nadat de zonde zijn intrede heeft gedaan in zijn bestaan, niet meer in het leven van de mens als vóór die tijd. zodat we moeten zeggen, dat het haast volkomen geruïneerd is. Over die functionering van het beeld van God gaat het in ons volgend artikel.
Mens zijn bij de gratie Gods. Op dat stramien zijn wij geborduurd. Dat is onze bestemming.
En de verkondiging daarvan kan en mag ook in onze tijd, waarin de mens, ondanks zijn hoge vlucht in kunnen en kennen, zo gedurig aan zichzelf vertwijfelt, het vuurtorenlicht zijn, dat zich verspreidt over een donkere zee.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 november 1977
De Waarheidsvriend | 14 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 november 1977
De Waarheidsvriend | 14 Pagina's