Een theocraat over de verhouding van Kerk, Staat en School
2
Uitvoerig is Kalsbeek*) nagegaan hoe de houding van de Ned. Herv. Kerk via synodeuitspraken is geweest t.a.v. openbaar en bijzonder onderwijs. Er is alle reden om deze houding nauwkeurig te peilen. Immers, anders dan bij de kerken ontstaan uit Afscheiding en Doleantie is de Hervormde Kerk onduidelijk geweest in de keuze. Men heeft de openbare school nooit volledig vaarwel willen zeggen en daarom nooit zonder reserves willen kiezen voor de christelijke school. Waarom niet?
III.
Het onderwijsbeleid van de Nederlandse Hervormde Kerk
Dr. Ph. Idenburg, voorzitter van de Hervormde Raad voor zaken van Kerk en School stelde in zijn beantwoording van de vraag: 'Is de Raad bereid zich uit te spreken vóór de scholen met de Bijbel? ' o.m. het volgende: 'Men heeft de Kerk wel de Moeder van het Volk genoemd. Welnu... Er is een moeder met twee zonen. De ene heeft de goede levenskeuze gedaan. Hij bewandelt het principieel juiste pad. De andere zoon heeft de rechte achtergrond van zijn leven verloren. Wat zal moeder nu doen? Zij zal in de eerste zoon de goede keuze prijzen en hem vermanen, deze waar te maken in heel zijn wandel. Zij zal den tweede zoon laten zien, wat hij mist en hem voorhouden, wat hij nodig heeft. Maar hoezeer zij zich verheugdt in de blijde hoop welke de eerste in haar deed groeien en hoe zij zich bedroeft over de teleurgestelde verwachting, welke den tweede haar bereid heeft, nooit en te nimmer zal die moeder in ernst zeggen, dat zij voor den eersten kiest en den tweeden afwijst. Hoe zou zij dan ooit bij den tweeden nog gehoor vinden voor haar woord? '
De lezer begrijpt dat hier met de eerste zoon de christelijke school wordt bedoeld en met de tweede de openbare school.
Kalsbeek tekent bij deze uitspraak aan: 'Hier is de lijn van Van der Brugghen verlaten en zijn we in principe weer bij Groen van Prinsterer terecht gekomen'.
De Raad voor 'Kerk en School' is haar werk begonnen in de tweede Wereldoorlog, maar wordt zeer aktief in de fase van gemeenteopbouw na de oorlog.
In deze jaren is de kerstening of beter herkerstening van het volksleven de taak die de kerk in al haar geledingen zich stelt.
De Raad wilde kerstening van het onderwijs, dus zowel het openbaar als het bijzonder onderwijs. Een andere uitspraak uit die tijd: 'De Kerk mag niet aflaten te verlangen, dat het onderwijs op de scholen der Overheid naar de eis van Gods Woord wordt ingericht'.
Het schoolbeleid loopt volgens Kalsbeek parallel met de algemene beleidsvoering van de kerk. Kerstening van het volksleven betekent voor de school, de Bijbel die plaats op de 'algemene overheidsschool teruggeven' die haar toekomt. De christelijke en maatschappelijke deugden die de wet noemt moeten gegrond zijn in het belijden van de kerk. De kerk spreekt zich niet uit over de schoolkeus van de ouders voor hun kinderen. De christelijke school kan slechts als een noodwoning worden gezien. Volgens het Woord Gods, zo stelt de kerk, moeten we blijven verlangen naar een christelijke volksschool, ook al heeft de bijzondere christelijke school in de toenmalige situatie pedagogisch een pré t.o.v. de openbare.
De synode stelt in 1946 deze lijn officieel vast en zij hoedt zich er voor een zekere voorkeur te laten blijken voor één van de bestaande schooltypen.
Na 1946 is het roer ongemerkt omgewend. Idenburg treedt af als voorzitter van de Raad en hij wordt opgevolgd door Kohnstamm en met hem neemt, aldus Kalsbeek, ook de geest van Van der Brugghen zijn intrek. De gedachte aan een kerstening, van de openbare school is dan ook door de Raad voor zaken van Kerk en School losgelaten en men legt zich neer bij de bestaande situatie, d.w.z. men geeft het openbaar onderwijs definitief over aan de neutraliteit, daarbij zich distantiërend van het beleid van de kerk.
Zonder overleg met de synode gaat de Raad eigen wegen.
Kalsbeek speurt het beleid van de Raad met argusogen na en hij komt tot de conclusie dat de Raad o.l.v. haar voorzitter Dekker zich steeds verder afwendt van de kersteningsgedachte. Men spreekt nauwelijks verholen zijn voorkeur uit voor het neutrale openbaar onderwijs. Men vervreemdt zich van het christelijk onderwijs, zoals in de kwestie Hardegarijp in 1951. In deze laatste kwestie onthoudt de Raad zijn medewerking aan het stichten van een christelijke school, terwijl de openbare school beheerst wordt door de invloed van een vrijzinnige predikant. Naar aanleiding van deze kwestie heeft de synode zich voor de laatste maal omonwonden uitgesproken over het onderwijsvraagstuk.
De Synode spreekt in verband met haar apostolische opdracht haar medeverantwoordelijkheid uit voor het onderwijs. Zij wil blijven meewerken aan de kerstening van het onderwijs. Tussen het bestaande openbare en het bestaande christelijke onderwijs is een niet voor allen geldende keuze te doen (d.w.z. de Kerk wil de ouders niet dringend adviseren, de schoolkeuze is geheel aan de ouders voorbehouden). Wel wordt zowel in 1946 als in 1952 ondubbelzinnig uitgesproken vóór christelijk onderwijs, evenwel zonder daarbij de bestaande christelijke school een pré toe te kennen boven de bestaande, nog ongekerstende openbare.
In Synode en Raad zijn duidelijke voorstanders van de openbare school. Zij verwerpen de grondgedachte van de bijzondere school, dat deze draagster behoort te zijn van dezelfde levensovertuiging die in het gezin leeft. De voorstanders van de openbare school zien de school niet als onderdeel van de gezinsopvoeding, maar als aanvulling van dat, wat het het gezin naar zijn eigen aard niet kan geven, nl. het leren van een goede omgang met andersdenkenden, binnen de ruimte van een school waarin de zedelijke normen die christendom en humanisme gemeen hebben de grondslag vormen.
Kalsbeek schetst dat dat niet kan: de zedelijke normen van christendom en humanisme gaan steeds verder uiteen. Hij stelt terecht: op welke punten is nog een gemeenschappelijke basis te vinden?
Maar terug naar de Raad voor zaken van Kerk en School.
Deze wil duidelijk van de kersteningsgedachte af hoewel de Synode tot in 1955 toe bepaalde theoretische idealen blijft verwoorden.
Bij de Raad is er een groeiende sympathie te bespeuren voor de ongekerstende openbare school: drs. Dekker, de voorzitter, verklaart zelfs dat het een gezonde zaak is dat de openbare school als een autonome en geseculariseerde instantie t.a.v. de kerk optreedt. In 1966 treedt Dekker af als voorzitter en stagneert het werk. Vermeld moet worden dat de Raad zich intensief heeft bemoeid om volgens art. 26 van de Lager Onderwijswet godsdienstonderwijs op openbare lagere scholen mogelijk te maken.
Het werk van de Raad verzandt echter als het tegen de bedoelingen van de Synode in zich neerlegt bij een 'neutrale openbare school in geseculariseerde vorm en de kersteningsgedachte als onjuist brandmerkt. Trouwens ook de Synode laat volgens Kalsbeek, de theocratische lijn los. Dat gebeurt in 1962 wanneer de Kerk zich moet beraden over de vraag of aan het Humanistisch Verbond van regeringswege ruimte moet worden gegeven voor onderwijs terzake van de geestelijke en zedelijke vorming. De Synode spreekt zich uit tegen de humanistische levensleer, maar voor een democratische staat en op grond van de tolerantiegedachte moet deze mogelijkheid voor het Humanistisch Verbond toch geschapen worden ('Het Humanistisch Verbond bezit dezelfde democratische rechten als de kerken om het volk te beïnvloeden'). Verder wordt gezegd: de dienst van God te zoeken is de roeping van de christen en de christengemeente en niet van de overheid. En met deze uitspraak zijn we weer voor het dilemma Van der Brugghen-Groen van Prinsterer en is hier de lijn Van der Brugghen overgenomen en de theocratische gedachte in principe opgegeven. De democratie is in al haar consequenties aanvaard.
In 1970 spreekt de Synode in een advies aan de Regering inzake de Zedelijkheidswetgeving uit dat de overheid geen censor morum, geen zedenmeester behoort te zijn.
En in 1975 (naar aanleiding van een rapport over abortus provocatus): 'de overheid kan in een neutrale, democratische samenleving principieel niet aan de leiband van een bepaalde samenleving lopen'.
Aan de hand van de achtergrondsvragen inzake de verhouding kerk, staat en school heeft Kalsbeek ons een boeiend en deprimerend beeld geschetst van de neergang van de theocratie. Tijdens de Republiek een geweldig experiment met het theocratisch ideaal van de kerkstaat.
Onder invloed van de Verlichting een nieuw experiment met de scheiding van kerk en staat.
In onze dagen de verdere consequenties getrokken zowel uit de beginselen der Verlichtingen als uit de scheiding van kerk en staat. Deze ontwikkeling heeft Van Ruler op de volgende wijzen voorspeld:
'En wanneer men dan de theocratie niet wil, omdat men bang is voor de heerschappij van de theologie, dan komt men persé onder de tyrannie van de philisophie'. Een beangstigende waarheid die in onze dagen in vervulling gaat.
*) L. Kalsbeek, Theologische en wijsgerige achtergronden van de verhouding van Kerk, Staat en School in Nederland, ƒ 47, 50. Kok, Kampen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 november 1977
De Waarheidsvriend | 14 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 november 1977
De Waarheidsvriend | 14 Pagina's