De spiegel is gebroken
Artikel 14 Nederlandse Geloofsbelijdenis
Toen we de vorige keer nadachten over de eerste regel van artikel 14 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis, hebben we geprobeerd vanuit de gegevens van het boek Genesis zicht te krijgen op de betekenis van het beeld Gods. De mens is geschapen naar het beeld van God. We ontdekten daarin de trekken van het koningskind, dat weerspiegeling van de heerlijkheid van God op aarde mag zijn, uit kracht van zijn schepselmatige structuur als redelijk - zedelijk-onsterfelijk wezen en bevolmachtigd met een hoge roeping om bij de gratie van God te regeren over alle schepselen.
De functionering van het beeld Gods
Daarmee is echter nog niet alles over het beeld van God gezegd. Iets kan een goede structuur hebben. Maar daarmee is nog niet altijd een goede functionering gegeven. Welnu, over de functionering van het beeld Gods gaat het in het thans volgende. God gaf de mens, om hetmaar direct te zeggen, bij zijn schepping ook het geestelijk vermogen om werkelijk verantwoord koningskind te zijn. Over dit geestelijk vermogen, de drijfkracht voor de rechte functionering, de motor, het hart van het beeld van God wordt vooral in onze belijdenisgeschriften gesproken. De Nederlandse Geloofsbelijdenis zegt, dat de Schepper de mens gemaakt had naar Zijn beeld en gelijkenis, 'goed, rechtvaardig en heilig; kunnende met zijn wil in alles overeenkomen met de wil van God'.
En de Heidelbergse Catechismus zegt in Zondag 3 'God heeft de mens goed en naar Zijn evenbeeld geschapen, dat is, in ware rechtvaardigheid en heiligheid, opdat hij God zijn Schepper recht kennen. Hem van harte liefhebben en met Hem in de eeuwige zaligheid leven zou, om Hem te loven en te prijken'.
Beeld Gods in engere zin
De oude dogmatiek heeft altijd over deze geestelijke functionering van het beeld Gods (het hart van de zaak) gesproken als over het beeld Gods in engere zin, in onderscheiding van het beeld Gods in ruimere zin (dat, waar we de vorige keer over schreven). Men kan op die oude onderscheiding critiek hebben. Duidelijk is, dat zij ons wil helpen om het verschil tussen het beeld Gods vóór en na de zondeval te verstaan. Bij Adam voor zijn val functioneerde het beeld Gods volmaakt. Het was volmaakt in werking. Zijn Maker had hem immers met en naast alles, wat hij in zijn schepselmatige structuur had meegekregen, 'ook uitnemende gaven gegeven, geestelijke vermogens om zijn roeping als representant van God op aarde goed te kunnen vervullen. Ook daarin weerspiegelde Adam de heerlijkheid van God, dat hij 'goed, rechtvaardig en heilig was, kunnende in alles overeenkomen met de wil Gods' (art. 14 N.G.B.). Een koningskind, dat helemaal beantwoordde aan de wensen van zijn Maker, Zijn hemelse Vader, de Koning van hemel en aarde. Een vertegenwoordiger van het hoogste gezag, die zich volkomen liet bevolmachtigen door zijn Opdrachtgever en innerlijk volkomen afgestemd was op Diens bevelen. Het heersen van de mens stond in het teken van een heilig dienen, zowel van God als van zijn medemens. De mens als gemeenschapswezen, dat op-ademt in de verrukkelijke liefdesgemeenschap met de almachtige God en met zijn medeschepselen. Hij kende God als zijn Vader en had Hem lief. Hij kwam de Rechter van hemel en aarde onbevreesd, zonder schaamte onder ogen. lustitia originalis-oorspronkelijke gerechtigheid is dat genoemd. Ware kennis, gerechtigheid en heiligheid.
In Christus hersteld
Dat dit alles bij het originele beeld Gods behoort, wordt door Calvijn in zijn Institutie afgeleid uit de wederoprichting van de verdorven natuur in de mens door en in Christus, het z.g. herstel van het beeld van God. Terecht is steeds gewezen op het verband tussen wat Paulus zegt over Christus als het beeld Gods en de in Christus vernieuwde mens als beeld Gods enerzijds en de uitspraken van de eerste Bijbelhoofdstukken over de mens als beeld van God anderzijds, (vergelijk hiervoor: Col. 3 : 10; Ef. 4 : 24; Col. 1 : 15; 1 Cor. 15 : 45; 2 Cor. 3 : 18; 2 Cor. 4:4). Christus wordt hier uitdrukkelijk het beeld van God genoemd. En Hij wordt zo genoemd, omdat Hij de tweede Adam is. Met andere woorden: In Hem komt terug, wat in Adam de eerste verloren ging. Of nog anders gezegd: In Christus ontdekt het geloofsoog de oorspronkelijke opzet van God met de mens. Hij is Gods volmaakte Koningskind, in Wie het beeld Gods in al zijn luister voor de dag komt. Zie, de Mens! Zie, Uw koning! De mens, die in alles beantwoordt aan de wil van zijn Schepper. De Koning, die dienend regeert en Wiens heerschappij in het teken staat van de gemeenschap.
Dat in Christus 'herstelde' beeld van God wordt a.h.w. afgedrukt door de heilige Geest in het hart en leven van de zondaar. En gestempeld door die Geest, gaat die zondaar dan weer iets vertonen van het originele beeld van God, aan de mens bij zijn schepping gegeven. Dat geschiedt in de weg van bekering en geloof. Calvijn zegt ervan: 'Wij zien nu, hoe Christus het volmaakte Beeld Gods is, naar hetwelk wij gevormd worden en daardoor zo vernieuwd worden, dat wij in ware godvruchtigheid, rechtvaardigheid, zuiverheid en kennis het beeld Gods dragen'.
Wat in Adam de tweede aan het licht komt, dat is 'reproduktie' van wat Adam de eerste kenmerkte in zijn ware mens-zijn. In Christus is levensechte originaliteit. Men zou tegen dit alles kunnen inbrengen, dat in Christus meer geschonken is dan wat Adam ooit bezat. Dat kan niet ontkend worden. Maar de parallel met Adam is in Paulus' brieven echter zo aanhoudend aan de orde, dat er geen enkel bezwaar tegen kan worden ingebracht om uit lïet herstel van het beeld Gods in Christus te concluderen tot de oorspronkelijke inhoud daarvan bij Adam.
Rechte kennis, heiligheid, gerechtigheid. Geestelijke vermogens om op een Gode verantwoorde wijze beeld van God te zijn. Welnu, deze geestelijke vermogens, die de motor waren voor de rechte functionering van het beeld van God, kunnen we ook omschrijven als geestelijke weerbaarheid, waarmee Adam was uit-en toegerust. Zijn goedheid bestond niet slechts in het feit, dat hij nog nooit kwaad gedaan had, hoewel hij de keus had tussen goed en kwaad, maar vooral ook hierin, dat hij een innerlijke afweerkracht bezat tegen het kwade.
Een spot-koning
Van dit geestelijk vermogen (de staat der rechtheid) belijden wij, dat het verloren is gegaan. Daarmee heeft het beeld van God een geweldige klap gekregen. De spiegel is gebroken. Het verstand is verduisterd. De wil is bedorven. De geestelijke afweerkracht tegen het kwade is omgeslagen in een slaafse gebondenheid aan de zonde. De koning bij de gratie Gods is een spotkoning geworden, die zijn heilige roeping verkeert in zijn tegendeel en geen representant van God, maar opstandeling tegen God is geworden. De spiegel is gebroken.
In zijn ellendestaat op aarde zwerft de mens rond. En daar hij het niet waar wil maken, dat hij koning is door tegelijk het kind te zijn, afgestemd op God en op zijn medemens, ontpopt hij zich als een geweldenaar, een supermens, een uitbuiter, die alle dingen om zichzelf laat draaien. Zo is die mens bezig in autonomie en zelfbeschikking zich een weg te banen naar het verloren paradijs. Het gaat desnoods over lijken. Dat paradijs zal weer open. En zo, juist zo graaft die mens zijn eigen graf.
Zijn weg loopt dood. De koning is slaaf van zichzelf. De spiegel is gebroken. Hoe toegetakeld het beeld van God door de zonde is, ziet u schrikbarend duidelijk uitgebeeld in de lijdende Christus, zoals Hij op Gabbatha staat: de doornenkroon op de slapen, een rietstok, scepter, teken van koninklijke waardigheid in de hand, een purperen soldatenjas om de schouders 'Wees gegroet. Koning...' Ave, Caesar...' 'Ziet, Uw Koning!' (Joh. 19: -1-16) Dat... dat hebben wij mensen gemaakt van het beeld van God. En een ontdekte zondaar ziet er zichzelf in terug. Tat tuam asi-dat ben ik'. Zo ontadeld. Een spotkoning.
Leven in de stijl van de nieuwe mens
Nu, wat wij kwijt zijn geraakt door moedwillige ongehoorzaamheid, dat komt alleen maar weer terug door vrijmachtige genade. Dan, als wij door Gods wederbarende heilige Geest bij het kruis van Golgotha terecht komen. Daar leren wij onze eigenmachtigheid in te ruilen voor de gerechtigheid van Koning Jezus... Daar heft een koninklijke genade ons op uit onze ontadelde staat. Daar drukt het Koningskind bij uitnemendheid Zijn Beeld in ons af. Daar worden wij door het geloof 'vernieuwd in de geest van ons gemoed en doen de nieuwe mens aan, die naar God geschapen is in ware rechtvaardigheid en heiligheid' (Ef. 4 : 23, 24). Daar gaan we leven in de stijl van de nieuwe mens, het mensenkind op niveau, de mens Gods, 'geschapen in Christus Jezus tot goede werken, welke God voorbereid heeft, opdat wij in dezelve zouden wandelen' (Ef. 2 : 10), 'opdat wij met Hem in de eeuwige zaligheid leven zouden om Hem te loven en te prijzen'.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 december 1977
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 december 1977
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's