Een theocraat over de verhouding van Kerk, Staat en School
Uit de weergave van de inhoud van het boek moge blijken welk een belangrijk werk Kalsbeek*) ons middels zijn speurwerk heeft geleverd. Het geeft materiaal in handen om een eigen standpunt in deze vragen scherper te bepalen. Daarom tot slot enkele punten ter overweging over onze positiebepaling.
1. Openbaar of bijzonder onderwijs
De houding van de Hervormde Kerk tegenover het bijzonder onderwijs is zoals we zagen meer terughoudend geweest dan die van andere kerken van gereformeerde signatuur. Deze houding komt voort uit een niet kunnen loslaten van de openbare school, een houding die de Hervormde Kerk niet altijd in dank is afgenomen: men vertrouwt vaak Hervormden niet als loyale partners in het bijzonder onderwijs.
Kerken voor wie de band met de openbare school geen enkel probleem vormt, begrijpen deze terughoudendheid niet.
Hoe hebben we in deze tijd als Hervormd-Gereformeerden deze visie te waarderen?
Voorzover de betrokkenheid op de openbare school voortkomt uit een theocratische visie op kerk, staat en school, hebben we er naar ons gevoelen positief tegenover te staan. De strijd van Groen van Prinsterer voor een christelijke overheidsschool is legitiem geweest en in overeenstemming met onze belijdenis (art. 36. Ned. Gel. Bel.). Naar onze belijdenis heeft de overheid een taak inzake het onderwijs. In deze traditie staand zullen we nimmer het 'heel de kerk en heel het volk' en noem daarbij 'heel het onderwijs' kunnen loslaten. Daarom blijft kerstening (in bijbelse zin) van de (openbare) school een bijbelse opdracht voor kerk en overheid.
Een goede illustratie van dit standpunt is te vinden in wat de ons bekende ds. H. G. Abma in de Tweede Kamer zei ter gelegenheid van de debatten over de voorgestelde Grondwetswijziging van art. 208 dat de vrijheid van onderwijs regelt.
Ds. Abma, (de vrijheid van onderwijs verdedigend!) zei toen: 'de vrijheid van onderwijs die wij kennen is de op één na beste regeling'.
De op één na beste. Welke is dan de beste? Ook hier is gezinspeeld op de christelijke overheidsschool, waarbij geheel het onderwijs en ook elke school is ingericht op de grondslag van de Heilige Schrift. Dat is het onderwijsbestel welke beantwoordt aan de roeping van de overheid.
Inmiddels mogen we dankbaar zijn voor de vrijheid van onderwijs, waardoor het mogelijk geworden is dat in geval een overheid haar roeping verzaakt, een stelsel van bijzonder onderwijs kon ontstaan; scholen konden gesticht worden waar de Bijbel voluit aanwezig mag zijn. In deze tijd met een overheid die haar greep op het onderwijs wil versterken, helaas niet in bijbelse zin, is het goed om waakzaam de erfenis van de Schoolstrijd te verdedigen. Principieel de op één na beste oplossing; in de praktijk van deze tijd de best mogelijke, in de wereldsituatie zelfs een uniek stelsel. We mogen dankbaar zijn voor de mogelijkheden die deze vrijheid biedt om scholen te stichten die in dezelfde geest willen werken als gezin en kerk voorstaan.
In de discussie over de keuze openbaar en bijzonder onderwijs is de christelijke school wel als noodwoning getypeerd. Dat is naar onze mening een juiste typering, alhoewel deze noodwoning een permanent karakter heeft gekregen.
Door onze binding aan de belijdenis waarin de roeping van de overheid voortreffelijk is beschreven, blijven we over de vrije christelijke school spreken als de op één na beste oplossing, als de noodwoning. Met deze theocratische achtergrond verschillen we duidelijk van hen die om principiële redenen een openbare school met de Bijbel verwerpen. Zij stellen (in navolging van Van der Brugghen en vooral van Kuyper) dat de overheid niets van doen heeft met het christelijk karakter van de school. De school moet van de ouders uitgaan. Zonder de uitspraak van Van Ruler over te nemen 'als de staat er helemaal buiten is, is een school niet helemaal christelijk meer', scharen we ons wel in de traditie van Groen van Prinsterer die de taak van de overheid in dezen heeft duidelijk gemaakt. De school volledig aan de ouders, correspondeert met de gedachte van de neutrale staat en dit behoort in wezen tot het neo-calvinisme van A. Kuyper, waarmee we als hervormden niet overweg kunnen.
Vanuit de hoop op kerstening van ons volksleven blijven we ook de bijzondere school als noodwoning zien.
2. Schoolkeuze
We kunnen ons, zo is gebleken, wel enigermate vinden in de uitspraken van de Synode in de jaren 1946-1950 wanneer het gaat om de plaats van openbaar en bijzonder onderwijs. Dit geldt niet het zich onthouden van een advies aan ouders inzake de schoolkeuze. Onze keuze moet zonder meer het bijzonder onderwijs zijn, omdat de openbare school nog steeds de ongekerstende is. Helaas hebben synodeuitspraken niet voldoende onderscheiden het ideale schoolstelsel en in de concrete opvoedingssituatie de schoolkeuze.
Dan kan deze op principiële en pedagogische gronden niet anders uitvallen dan voor dat onderwijs dat in geestelijk opzicht aansluit bij kerk en gezin. En dat is een christelijke school die nog werkelijk is school met de Bijbel. De kerk heeft in dezen ook te spreken en de ouders te wijzen op hun doopbelofte. De kerk heeft hierin niet onduidelijk te zijn.
Bij alle (geestelijke) idealen, omtrent de meest verantwoorde verhouding van kerk, school en staat zal het belang van het individuele kind voorop moeten staan. Daarom is het een laakbare zaak wanneer uit liefde voor de gekerstende openbare school de kinderen gestuurd worden naar de óngekerstende openbare school. We spelen dan met de geestelijke belangen van onze kinderen.
Deze keuze is in onze tijd zelfs niet meer uitsluitend die tussen openbaar en christelijk onderwijs. De keuze heeft ook betrekking op vormen van christelijk onderwijs; we zullen moeten kiezen voor dié christelijke school die ernst maakt met het christelijk karakter. Ook hierbij is alle neo-calvinisme uit den boze, als zou een organisatie goed zijn wanneer er maar christelijk voor staat.
Daarom: de kerk heeft haar leden op te roepen tot een duidelijke keuze inzake school en deze keuze dient gebaseerd te zijn op de gedane doopbelofte.
Raad voor zaken van Kerk en School
Een laatste opmerking betreft het beleid van de Raad door Kalsbeek nagespeurd. Opvallend is de eigen en eigenzinnige weg die deze Raad is gegaan, los van het beleid van de Synode. Veel onduidelijks dat de Hervormde Kerk inzake de schoolproblematiek wordt verweten, is de schuld van dit orgaan. De Raad blijkt een koers te gaan waardoor het ongekerstend karakter van de openbare school wordt geprezen; een koers die niets meer met kerk-zijn te maken heeft.
Een laatste publicatie van de Raad valt buiten het bestek van Kalsbeeks boek. Deze handelt over samenwerkingsscholen en in deze nota wordt het steunen van samenwerkingsscholen waarin protestants-christelijken, Rooms-Katholieken en humanisten samenwerken, aanbevolen. Je wrijft je ogen uit als je bedenkt dat dit een Raad van de kerk is.
Ook op het beleid van deze Raad is een krachtige ondersteuning van de stelling dat onze kerk weinig heil heeft te verwachten van Raden en commissies die een eigen weg gaan. Het is mede de verdienste van Kalsbeeks werk geweest dat het werk van de Raad voor zaken van Kerk en School eens kritisch is doorgelicht. Dat was hard nodig.
*) L. Kalsbeek, Theologische en wijsgerige achtergronden van de verhouding van Kerk, Staat en School in Nederiand. ƒ 47, 50. Kok, Kampen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 december 1977
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 december 1977
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's