De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De radicaliteit van de zonde

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De radicaliteit van de zonde

Artikel 14 Nederlandse Geloofsbelijdenis

11 minuten leestijd

In onze vorige uiteenzettingen over artikel 14 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis, hebben we gezien, hoe de mens na de zondeval tot op zekere hoogte nog steeds het beeld van God is; maar dat hij het is als een spiegel, die gebroken is. De gevallen mens functioneert niet meer naar de oorspronkelijke bedoeling van God de Schepper. Het beeld van God is, althans in zijn rechte functionering, verloren gegaan. Artikel 14 van de Geloofsbelijdenis zegt daarvan: 'Maar als hij in ere was, zo heeft hij het niet verstaan, noch zijn uitnemendheid erkend; maar heeft zichzelf willens der zonde onderworpen en over zulks de dood en vervloeking, het oor biedende aan het woord des duivels. Want het gebod des levens, dat hij ontvangen had, heeft hij overtreden en heeft zich van God, Die zijn ware leven was, door de zonde afgescheiden; hebbende zijn gehele natuur verdorven; waardoor hij zich schuldig gemaakt heeft des lichamelijken en eeuwigen doods. En in al zijn wegen goddeloos, verkeerd, verdorven geworden zijnde, heeft hij verloren al zijn uitnemende gaven, die hij van God ontvangen had'.

De ruïnerende kracht van de zonde

De zonde heeft de spiegel in stukken geslagen. Het beeld van God is bezoedeld en misvormd. Het is tot een 'schandelijke ruïne' (Calvijn) geworden. Over deze ruïnerende kracht van de zonde nu wordt diep gesproken in het bovenaangehaalde artikel van de Nederlandse Geloofsbelijdenis. Zonde is moedwillige ongehoorzaamheid, afscheiding van God. Ze brengt dood en vervloeking met zich. De wissel is omgetrokken. De trein gaat naar het verderf. Vooral de ruïnerende gevolgen, de z.g. dieptewerking van de zonde komen in artikel 14 van de Geloofsbelijdenis in een felle belichting te staan. De zonde brengt een algeheel bederf van de menselijke natuur teweeg. Het verstand wordt blind geslagen. Het is als met de druk in het menselijk oog. Als die lange tijd te hoog is geweest, knapt het gezichtsvermogen opeens af. Het hart van de mens is bovendien niet buiten schot gebleven, toen de zonde zijn werking ging doen. Het is verhard. En de wil heeft al evenzeer een verandering ondergaan. Ze is kromgebogen, zodat de mens vanaf het moment, dat de zonde kwam, een ego-centrisch, egoïstisch wezen is geworden (in curvatus in se-in alles op zichzelf gericht) 'In al zijn wegen goddeloos, verkeerd, verdorven...', zegt artikel 14. Vervreemd van het leven Gods (Ef. 4 : 18), dood door de misdaden en de zonden (Ef. 2:1). Een zondeslaaf (Joh. 8 : 34). Hoe scherp tekent ons vooral Paulus de mens in zijn weerbarstigheid en onboetvaardigheid (Rom. 2 : 8), in zijn goddeloosheid en ongerechtigheid (Rom. 1 : 18), in zijn duisternis en misverstand (Rom. 1 : 21), in zijn dwaasheid en hartstocht (Rom. 1 : 22v.) en in zijn vijandschap tegen God. (Rom. 5 : 10). Kortom, de zonde is niet zo maar als het water op de veren van een eend, dat dat dier van zich afschudt, wanneer hij wil. Het is met de zonde als met iemand, die boven op een duintop staat. Wanneer hij eenmaal beslist heeft om één, twee, drie stappen naar beneden te doen, móet hij door. Er is geen terug meer mogelijk. De zonde brengt een mens in heel zijn bestaan op de helling.

Op deze wijze is ook door de Reformatie het Bijbels getuigenis getrouw nagesproken. De mens heeft door zijn zondeval zijn bestaan als beeld van God radicaal op het spel gezet. Hij is zijn oorspronkelijke gerechtigheid (iustitia originalis), die fundamenteel was voor zijn functionering als koningskind op aarde, kwijt, niet maar een weinig, maar helemaal en radicaal. Zijn uitnemende gaven, die hij van God ontvangen had, heeft hij verloren.

Het bovennatuurlijk toevoegsel der genade bij Rome

Hier is duidelijk sprake van een ander uitgangspunt dan in de klassieke-katholieke theologie. Daarin wordt immers gezegd, dat wel het beeld Gods door de zonde is weggevallen. Maar het beeld van God is volgens dit theologisch stelsel een bovennatuurlijk toevoegsel der genade geweest in de staat der rechtheid (donum superadditum), een gouden teugel om de begeerte (de concupiscentia als bron der zonde) te beteugelen. Deze bovennatuurlijke genadegave was er om de natuur te veredelen en tot de aanschouwing Gods te brengen. En al is dan de teugel weggevallen, het paard zonder teugel is wel een onbestuurd, maar daarom nog geen onbestuurbaar dier. Zo ook de mens na het verlies van de bovennatuurlijke genade. Hij blijft mens met een vrije wil, met een vermogen tot het goede, waardoor hij zich, mits goed gebruikt, verdiensten kan verwerven. Ook de gevallen mens heeft nog steeds een natuurlijke gerechtigheid (iustitia naturalis), dat wil zeggen, dat hij in zijn wil nog altijd de kracht bezit tot het goede. Heidenen, die dan ook een goed gebruik maken van het licht der natuur, behoeven niet zondermeer verloren te gaan. Met de hulp der genade (via de kanalen van de sacramenten ingestort), aansluitend op de natuur van de mens, is het mogelijk tot de oorspronkelijke staat van de mens terug te keren.

De reformatorische leer betreffende de zonde is bepaald anders. Als in artikel 14 van de Geloofsbelijdenis gezegd wordt, dat de mens zich van de uitnemende gaven, die hij van God ontvangen had, heeft beroofd, dan wil daarmee niet gezegd zijn, dat de mens slechts de bovennatuurlijke genade, die de natuur veredelt, is kwijtgeraakt. Het wegvallen van die uitnemende gaven betekent, dat de natuur van de mens tot in de wortel (radicaal) is aangevreten door de zonde. Er is sprake van een totale corruptie van zijn natuur. 'Hij was in ere, maar hij heeft het niet verstaan', zegt artikel 14 van de Geloofsbelijdenis, daarbij herinnerend aan wat Ps. 49 zegt over het onverstand van de mens. De mens is tot in zijn diepste wezen met de zonde besmet, abnormaal ziek en doodschuldig. Slechts door wederbarende genade, die hem tot in de grond van zijn natuur omzet, wordt de mens weer mens voor God.

De kleine overblijfselen

Toch komen ook hier weer allerlei vragen op. De mens is, gezien zijn oorspronkelijke staat, thans weinig meer dan een 'afzichtelijke puinhoop'. (Calvijn) Maar hij blijft mens. Er is binnen de horizon van zijn (onvernieuwde) bestaan ook nog sprake van menselijkheid (humaniteit). De mens is geen dier. En dat is niet niets. Onze Nederlandse Geloofsbelijdenis zegt, dat er 'kleine overblijfselen' zijn overgebleven van de uitnemende gaven, waarmee de Schepper de mens bedeeld had. Maar waaruit bestaan die kleine overblijfselen dan? En zijn die er dan niet om de mens weer wat moed te geven en hem hoop te doen krijgen, dat het, zij het met de hulp van Gods genade, wel weer goed komt?

Calvijn spreekt over vonkskens, sporen van het beeld van God, een klein smaakje, droppeltjes van de waarheid, die in de mens na de zondeval zijn overgebleven. De bovennatuurlijke gaven (het licht des geloofs, de gerechtigheid en heiligheid, de liefde tot God en de naaste) zijn verloren, de natuurlijke gaven (de gezondheid van het verstand, de rechtheid van de wil) zijn bedorven. Dat betekent echter niet, dat de mens niet allerlei menselijke trekken heeft overgehouden, waaruit iets van zijn oorspronkelijke luister oplicht. Calvijn wijst erop, dat heidense filosofen soms rake dingen gezegd hebben, al hadden ze wat God betreft, maar een klein smaakje van Zijn Goddelijkheid (droppeltjes van waarheid, met leugen bezoedeld). Verder blijkt 's mensen scherpzinnigheid op velerlei terrein: in de staatkunde, de economie, allerlei handwerken en vrije kunsten. Ook is b.v. de matigheid en billijkheid van een keizer als Titus te prijzen, wanneer we die b.v. leggen naast de wreedheid van een Nero. En is er tenslotte gelukkig vaak onder de mensen ook niet een publiek schaamtegevoel en een besef van burgerlijke eerbaarheid? Kennelijk is er in 's mensen geweten toch nog enig onderscheid tussen goed en kwaad.

De 'gemene gratie'

In dit verband is vaak gesproken over de 'gemene gratie'. Door God algemene genade wordt de totale bedorvenheid van de mens blijkbaar nog allerwege afgeremd. A. Kuyper is, zoals u weet, de man, die met deze gedachte sterk gewerkt heeft. In die gedachte van de algemene genade zit een diepe kern van waarheid, mits we twee dingen goed bedenken. In de eerste plaats, dat we van alles, wat we zojuist opsomden aan 'kleine overblijfselen', geen aanknopingspunt in de mens kunnen maken voor de 'bijzondere genade'. De kleine overblijfselen zijn er dankzij de constante bemoeienis van God, de Schepper en Onderhouder van het leven. Het licht der natuur, waar én Rome én b.v. de Remonstranten zo hoog van opgeven, is weinig meer dan het weerlichten van de bliksem, die in het nachtelijk duister even de zaak helder verlicht; daarna is 't weer donker. De kleine overblijfselen zijn flitsen van Gods gedurige bemoeienis met de zondaar, die hem alle onschuld benemen, maar waar die zondaar zelf voor de eeuwige troon van de Rechter van hemel en aarde geen been mee krijgt om op te staan. En in de tweede plaats is er het gevaar bij het spreken over overblijfselen', dat we het zo langdurig en uitvoerig daarover hebben, dat die overblijfselen op de duur niet zo klein meer zijn. We timmeren dan van het wrakhout een nieuw schip en varen uit. De kleine overblijfselen zijn dan een reductie op de total? ' corruptie van de mens (Berkouwer). En zo komt men in de verleiding om op basis van die kleine overblijfselen een ethiek, een maatschappijleer, een toekomstvisie te bouwen. Zie waartoe die bedorven mens uiteindelijk dan toch maar in staat is! Dat laatste zien we druk gebeuren in modernistische theologieën, waarin het humaniteitsideaal hoogtij viert. Dan gaat men een theologie, een universiteit, een kerk bouwen op de resten van de kleine overblijfselen. Men komt er de humanistische geest, die over die overblijfselen net iets optimistischer denkt, goed mee in het gevlij. Men biedt straks weinig meer dan wat het humanisme ooit heeft kunnen bieden. En theologie, universiteit en kerk worden weggezogen in vlakke en saeculaire ideologieën. Dat komt er van, als men de overblijfselen vergroot en het verwoestend karakter van de zonde verkleint. A. Kuyper heeft eens gezegd: 'De wereld valt mee, de kerk tegen'. Het hangt er maar van af, of en hoe men de totale corruptie van de mens in rekening brengt. Dan zal men het laatste gedeelte van de zin, die Kuyper uitsprak, onderstrepen, de kerk valt tegen. Maar men zal het eerste gedeelte van die zin, de wereld valt mee, moeilijk tot een onderbouw van hét leven kunnen maken. Aan dat laatste zijn nazaten van Kuyper, zoals Kuitert in elk geval bezig zich schuldig te maken. De wereld valt mee. Onze Geloofsbelijdenis zegt, dat de kleine overblijfselen genoegzaam zijn om de mens alle onschuld te benemen. Daar blijft het bij. 'Al het licht, dat in ons is, is in duisternis veranderd'. Tegenover God en de Goddelijke zaken is de mens blinder dan de mollen.

Geen hooggeroemde humaniteit

Gelukkig, dat er de weerhouding en de stuiting Gods van het verderf is, waardoor het menselijk bestaan nog steeds bewaard wordt voor een volstrekte deamonisering. Gelukkig is er nog zoiets als humaniteit, waardoor de ene mens voor de andere geen wolf is. Maar hoe lang gaat dat nog op? En gaat het altijd op? Zijn daar niet in de geschiedenis der mensheid de rimboes van beestachtig geweld, de woestheid en leegheid van de chaos? We denken aan zes miljoen Joden, die in concentratiekampen en gaskamers werden vermoord door bezeten Nazi's. We denken aan terreurdaden in Oeganda. Er is alle reden voor om niet zo hoog op te geven van de humaniteit, van de kleine overblijfselen. De mens der zonde, de zoon des verderfs, nog steeds weerhouden(? ), is in aantocht. (2 Thess. 2 : 1-12). Er zijn andere dingen, waar de christelijke kerk zich op heeft terug te werpen, opdat zij met de wereld niet verloren ga. Dat zijn dingen, die onder ons volkomen zekerheid hebben. Het zijn de dingen van Gods Geest, die wederbarend werkt, zodat de mens, die tot in de diepste vezelen van zijn bestaan verdorven is, vernieuwd wordt naar het beeld van Zijn Maker.

Naar deze dingen gaat het toe in artikel 14 van onze Geloofsbelijdenis. Daarom worden alle doekjes voor het bloeden afgerukt. Er blijft geen spaan heel van de mens. Calvijn heeft eens gezegd: 'Sta deze ontwijfelbare waarheid dus voor ons vast, dat het verstand van de mens van de gerechtigheid Gods zo vervreemd is, dat hij niet begrijpt, niet begeert, niet bedenkt dan hetgeen goddeloos, verkeerd, schandelijk, onrein en boos is; dat zijn hart met het vergif der zonde zo geheel duister is, dat het niet dan een verrotte stank kan uitwasemen'.

Ook zo is die mens niet te verontschuldigen. Daar is het weerlichten van Gods weerhoudende genade in 's mensen bestaan. Wij mensen zijn appellabel voor God. Maar bestaan voor de rechterstoel van God, dat is alleen mogelijk, als het God behaagt Zijn Zoon in ons te openbaren en ons te stempelen tot het beeld van God. Daardoor alleen krijgt onze Maker Zijn eer terug, waar Hij in Zijn Woord zo nadrukkelijk om vraagt: Ben Ik dan een Vader? Waar is Mijn eer? ' (Mal. 1:6).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 december 1977

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

De radicaliteit van de zonde

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 december 1977

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's