De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Geslingerd geloof

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Geslingerd geloof

8 minuten leestijd

(I)

Inleiding. De Heidelbergse Catechismus geeft ons een kostelijke omschrijving van een waar zaligmakend geloof. Het bestaat uit twee elementen. Vooreerst in een stellig weten of kennis, waardoor ik alles voor waarachtig houd wat God in Zijn Woord heeft geopenbaard. Maar voorts uit een vast vertrouwen, dat niet alleen anderen maar ook mij vergeving der zonden, gerechtigheid en zaligheid van God geschonken is, uit louter genade om de verdiensten van Christus. Men spreekt het geheel vanzelf dat het aanstaan in de volle verzekerdheid der genade dan alleen mogelijk is, wanneer het geloof werkzaam is met de beloften des Heeren en wij het getuigenis van de Geest in het hart ontvangen. Wij weten ons dan vastgehouden door de eeuwige trouw van onze God. Deze bewaart ons zeker voor definitieve afval. Dit dringt ons tevens om niet naar het vlees, maar naar de Geest te wandelen. Daardoor wordt onze verzekerdheid voor ons besef nog vaster gemaakt.

Zijn wij daarmee boven alle wankeling verheven geworden? Op het eerste horen, zal menigeen dit wellicht vermoeden. Maar de werkelijkheid is anders: ook in de Heilige Schrift komen tal van heiligen voor, die volkomen van hun verlossing verzekerd waren, maar toch van tijd tot tijd heftig geschokt werden. De stam van de boom staat wel stevig geworteld in de aarde, maar de kruin wordt daarom niet minder bewogen door de storm. Onder de gelovigen van de huidige tijd ziet men hetzelfde gebeuren. Aan de ene kant is er soms een roemen in de Heere, aan de andere kant een heen en weer geschud worden, op een zodanige wijze dat men het kwade gaat denken. Wij menen zelfs soms, dat de vaste overtuiging van de oprechtheid van het geloof en de roem in God door Christus zeldzaam wordt onder ons. Het hangt daarmee samen dat het genadeleven niet eenvormig en genivelleerd is, maar gecompliceerd. Er is in de genade rust en bewogenheid. Het komt ons voor, dat het goed is voor deze zaak eens uw aandacht te vragen. Het houdt tegelijk in de gedachte dat wij ook moeten waarschuwen tegen vanzelfsprekendheid en automatisme; anderzijds moeten troost bieden voor aangevochten zielen.

1. Het verschijnsel

Wij wijzen er met nadruk eerst eens op enkele bijbelse figuren. Abraham bijvoorbeeld wordt in de Schrift genoemd de vader der gelovigen. Hij staat met deze titel wel als een rots in de branding getekend, maar vergeet vooral niet, dat hij ook de twijfel heeft gekend, toen hij Hagar tot vrouw nam. Langs die verkeerde weg wilde hij meewerken om de zoon der beloften te ontvangen. Heel eerlijk moeten wij er bij vermelden dat hij op dit punt voor Sara's aandrang is bezweken. Zijn vrouw, heeft hem wel op de bedenkelijke weg voortgestuwd, maar dit doet niets af van Abrahams zonde. Denk ook aan David. Deze wordt vele malen door de Heere tegen Saul in bescherming genomen. Toch is hem ook het woord van de twijfel over zijn lippen gekomen: één dezer dagen zal ik door Sauls hand omkomen. Alsof de Heere geen Waarmaker van Zijn Woord was...

Zie ook eens naar de figuur van Johannes de Doper. Wat was hij welverzekerd, dat hij Christus terstond aanwees als het Lam Gods, dat de zonden der wereld wegnam. Maar later in de gevangenis komt de vraag van het zwaar geschokte geloof: zijt gij, degene die komen zou of verwachten wij een ander?

En neem nu eens uw eigen hart: wanneer wij niet vreemd zijn aan de beginselen van het leven der genade komt ook daar dikwijls de vraag in op of onze weg voor de Heere verborgen is en ons recht Gods oog voorbijgaat. Wij hebben dan zo het gevoel dat de Heere zich van ons wegtrekt, geen gemeenschap met ons oefenen wil en ons op die manier aan ons eigen lot overlaat. Hoe kirren wij dan als een duif en als een mus op een dak?

Het is in dit verband dus niet vreemd, dat tot op de huidige dag het geloof wordt aangevochten.

Nu kunnen wij de verschijnselen die van dorheid en zwakheid in het leven der genade spreken gemakkelijk met een oppervlakkig gebaar afdoen en als het ware onder één noemer brengen. Maar zulks gaat niet aan. Het is aan de ene kant een bewijs van lichtvaardigheid aangaande de zielen van ons toevertrouwde gemeenteleden, aan de andere kant een vertoon van gebrek aan kennis van de doolpaden waarlangs soms de mens gaat buiten Christus.

Ik denk nu eerst aan de achteruitgang van de godvrezenden in het leven der genade. Daardoor verstaan wij niet de dagelijkse struikelingen en geesteloosheden, die na korte tijd weer overgaan. Wie bidden en strijden kan, heeft niet veel te klagen over achteruitgang. Bedoeld is het afnemen van hebbelijke en dadelijke genade. Het leven in de ziel zelf kan minder en krachteloos worden. De levende omgang met de Heere verstart tot een dorre gewoonte. Daaruit volgt het verminderen van daden des geloofs, hetzij in hun geestelijkheid, hetzij in hun uitwerking. Er valt een donkere schaduw over de ziel, die tevoren leefde in de koesterende zonneschijn van 's Heeren gunst en genade. Dat gebeurt soms plotseling. Van een goede staat vervalt men plotseling in duisternis, in een zondige staat. Bij anderen gaat dit langzamerhand zonder dat zij dit merken, zoals Simson buiten zijn weten van kracht beroofd werd. Toen hij meende ze te gebruiken, bevond hij dat de Heere van hem was geweken. Zo gaat het ook met sommige gelovigen. Zij gaan hun gewone gang en zij bemerken niet dat zij verliezen. Maar de oefeningen worden nagelaten en de nadrukkelijke onderhandelingen met God door Christus worden niet geoefend en als men dat met ernst op de oude manier eens beginnen wil, bevindt men eerst wat men verloren heeft en men staat versteld dat men er niet bij kan komen. Spanningen komen wel weer terecht, maar anderen raken als in een geestelijke tering en kwijnen tot aan hun dood toe.

Verlating

In verband met het voorgaande staat ook de geestelijke verlating. Dit is niet hetzelfde als wat zoeven werd getekend. Er is hier sprake van wel dezelfde aanzet, maar veel dieper en scherper. De geestelijke verlating wordt door Brakel getekend aldus: een inhouding voor lange tijd en onttrekking van de gewone medewerking en invloeden van de Heilige Geest in de wedergeborenen tot verlichting, verzekering van Zijn gunsten, vertroosting, kracht tegen de zonde en aanvechting en tot hulp in en uit lichamelijke wederwaardigheden. Daardoor worden zij duister, zwak in het geloof en krachteloos; liggen onder in de aanvechting en blijven in lichamelijk kruis smartelijk en droevig. Er is geen dieptegroei in het geloofsleven. Het blijft alles zo hetzelfde. Het is een hoogst onzekere toestand. Wij achten ons te leven onder blijken van Gods toorn, vol van vrees en geheel moedeloos. Als wij schrijven over deze geestelijke verlating, dan verstaan wij daaronder niet de verlating van de onbekeerde Een onbekeerd mens heeft geen Godsgemis, omdat hij nooit ondervonden heeft welke goedheid in de gemeenschap met God is. Neen, in het Woord wordt alles duidelijk uitgedrukt. Wij missen God, nadat wij Zijn omgang aanvankelijk liefelijk hebben ondervonden. Wij konden uit ervaring spreken dat de Heere hielp en redde. Maar nu is het Woord ons gesloten. Wij hebben er geen smaak meer uit en het gaat alles bloedeloos daarheen. Wij achten ons een heidens schepsel, een groot beest bij de Heere. Wij willen wel geloven dat wij nog een kind van God zijn, maar alles is bevroren van de koude. Wij vrezen ons voor altijd te hebben vergist. Werkelijk menen wij dat het Woord van God nooit levenwekkend ons ontmoet is. Voor ons is het winterdag.

Dat is er menigmaal de aanvechting tot het ontkennen van God. Dit is een kwelling, die algemener is in het leven der gelovigen dan men wel denkt. Vooral komt dit van onder hen, die een scherp verstand hebben. Er komen gedurig invallen in als: is er wel een God? Bestaat er wel een hemel en een hel? Heb ik wel een ziel? Is er wel onsterfelijkheid? Beeld ik al die geestelijke bewegingen mij allemaal maar niet eenvoudig in? Heel diep in de gemeente verscholen leven zulke mensen, achtervolgd door zulke gedachten. Sommige slaan die invallende gedachten terstond af zonder veel schade. Maar bij anderen komt er nadenken en peinzen over en het atheïsme schiet wortel in hun leven. Het begint hun hinderlijk te zijn. Derden sleept het verder mee. Hun gebeden houden op. Het geloof, dat in hun hart ligt, wordt niet geoefend. Ze ontvangen geen vrucht uit de prediking van het Woord. Het gevolg is voor hen: beklemming van hart, schrik en vrees. Er is wel een worsteling daartegen, maar men kan niet overwinnen in deze weg. Ons allen kan jaren achtereen duren. Soms is men er even uit, dan valt men er weer opeens onverhoeds in.

Nog veel meer zouden wij u in deze geest kunnen noemen. Maar wij moeten het stilzwijgend voorbijgaan: de aanvechting of het Woord Gods de waarheid is, het ongeloof aan de eigen staat. 't Zou wél de moeite waard zijn. Het verschijnsel van het geslingerd en het geschokte geloof belemmert de wasdom van het geloof. Daarom moeten wij in een volgend stuk aandacht schenken aan de therapie. Voorshands evenwel wijden wij nog enige gedachten aan de oorzaak van het geslingerd geloof. Dan pas is er gelegenheid aan de genezing aandacht te schenken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 december 1977

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Geslingerd geloof

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 december 1977

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's