Hij had er maar één
Kerstboodschap uit Putten
Met kerst moet er sfeer zijn. Tenminste zo heet het allerwegen. De kamers worden opgesierd, tafels worden sfeervol gedekt. Kerst is voor velen het feest van de gekleurde ballen en de groene takken, imitatie-sneeuwvlokken en romantische muziek. En verder: even moeten de conflicten haar achter worden gedrongen, even moeten om zo te zeggen de kanonnen zwijgen, even moet het alles pais en vree lijken. Een schijnvertoning, dat wél! Een romantische inkadering van het kerstgebeuren, dat verre is van de echte realiteit: het Woord is vlees geworden.
Wonden
De VARA had dit jaar iets anders op het program. Met kerst moesten de wonden opengehaald worden van hen, die onder onnoemelijk oorlogsleed zijn doorgegaan. We bedoelen uiteraard, dat de VARA van zins was een televisieprogram op tweede kerstdag te wijden aan het drama van de wegvoering van 660 mannen uit Putten in 1944, waarvan de meesten zijn omgekomen. Ik schrijf van plan was, hoewel het op het moment, dat ik dit schrijf, nog niet geheel zeker is of het VARA-bestuur inderdaad voor de aandrang is gezwicht om in ieder geval van de uitzending op de A: émdagen af te zien. Hoe dat ook zij, de VARA gaf opnieuw haar mentaliteit bloot. De zaak zelf blijft recht overeind staan.
Er komt kennelijk deze maand nog een boek van Willem van Maanen, waarin het Puttense oorlogsdrama nog eens wordt opgehaald maar waarin dan ook vooral - we moeten helaas nog afgaan op de krantenberichten - de Puttense bevolking te kijk staat, vooral te kijk staat in godsdienstig opzicht. De kerk moet het vooral ontgelden. De kerk heeft de mensen weerloos gemaakt door te prediken, dat het Duitse gezag moest worden aanvaard, de kerk heeft na de oorlog onvoldoende nazorg gedaan. De kerk ... en dat is dan in Putten déze kerk, orthodox als die is, zeg maar gerust 'zwaar'. En dat zal de VARA nu ook laten zien.
Verdediging
Putten kan zich nu natuurlijk gaan verdedigen. Er zijn immers argumenten genoeg. Ook in Putten is er verzet geweest; in andere gemeenten in den lande was er met dezelfde prediking ook verzet tegen de Duitse tyrannic; de aantijgingen van onvoldoende nazorg worden door de feiten weersproken (is niet uitgerekend in de jaren na de Tweede Wereldoorlog het aantal kerkgangers toegenomen van vijfentwintighonderd tot vierduizend? ).
Putten kan zich gaan verdedigen door te wijzen op de grootse houding van ds. C. B. Holland, die zich aanbood bij de Duitsers en zei: 'laat deze mannen vrij en laat mij gaan', al kan niet ontkend worden dat deze grote prediker, deze prediker van de gerechtigheid en het oordeel in Kohlbruggiaanse zin, inderdaad niet de stoot tot het verzet heeft gegeven. Maar kerkelijk Putten kan zich beter niet verdedigen. Daarvoor werpen zich toch al onverdachte getuigen op, getuige bijvoorbeeld de verbolgen reactie op het koniende boek van Van Maanen van de kant van de oorlogs-historicus dr. L. de Jong.
Binnenkant
Er is een andere kant, die de kerk niet zichtbaar kan maken naar buiten, een kant die de wereld niet verstaat, een ergernis en dwaasheid is zelfs, een kant die de VARA nooit op het scherm zal (kunnen) brengen. Dat is de binnenkant. Dat is de geestelijke verwerking van het onnoemelijke leed. De psalmen, die meegingen in de moordspelonk, de gebeden, die meegingen met de weggevoerden en later met de nabestaanden, de getuigenissen die doorkwamen, passend bij de wijze waarop de Veluwnaar zich uit. Prof. Van Ruler heeft van het geestelijk leven op de Veluwe eens gezegd, dat het gekenmerkt is door gestolde vreugde. Men zou ook kunnen zeggen verstilde vreugde, innerlijke verwerking zonder veel uiterlijk vertoon. Maar de hoop op God, de vreugde in God is er in het oorlogsdrama óók geweest. Dat zal de wereld niet verstaan. Ik meen, dat het de schrijver Marsman was, die in Putten of directe omgeving in de oorlog ondergedoken zat. Hij vroeg zich verbaasd af wat de levensvreugde kon zijn van een vrouw des huizes wier leven zich afspeelde tussen haar huis en het winkeltje op de hoek van de weg waar zij de levensmiddelen haalde. Maar toen ze gestorven was stond er op de kaart zoiets als 'eindelijk thuis'.
Slechts Eén
Boven dit artikel schreef ik 'Hij had er maar Een'. Dat is ook een stukje van die binnenkant. De vader, die drie zonen in dit oorlogsdrama verloor, zei 't toen hem gevraagd werd hoe hij verder had kunnen leven.. Ik ken er Eén, was het antwoord, die er maar Eén had, één Zoon. Hij stond Hem af tot in de dood, tot in de diepte van de Godverlatenheid. Hier is een kerstboodschap bij uitnemendheid. Christus' komst in het vlees maakt de kern uit van de zeg dan maar gestolde vreugde, maakt het mogelijk geestelijk te verwerken wat in de wereld en naar wereldse maatstaven niet te verwerken is. In de Puttense kerken mocht toen en mag nu dat wonder worden verkondigd. En of de VARA nu met kerst of daarna de godsdienstigheid van de Puttense bevolking aan de kaak meent te moeten stellen, we hebben een boodschap, een kerstboodschap van groter waarde. Het Woord werd vlees!
Gedachtenisdiensten
Toen in 1946 de namen bekend werden van de omgekomenen, werd in Putten in twee kerkdiensten het leed voor Gods aangezicht gebracht. Ds. L. Kievit preekte tweemaal. Ds. C. B. Holland kreeg aan de vooravond van de herdenking namelijk een attaque. We kunnen niet beter doen dan dit stukje afsluiten met twee passages uit de preken van ds. Kievit over Job 5 : 8 en 9 en Job 5 : 17, 18. Ds. Kievit zei:
'Al is, wat u overkwam, onherroepelijk, onherstelbaar is het niet. Ik zou naar God zoeken, om te kunnen leven. O, God, Gij zijt vreselijk in Uw heiligdommen; de God Israels, die geeft den volke sterkte en krachten. Geloofd zij God!
Te kunnen sterven. Dat is nog onmogelijker! Of niet? Gemeente, laat uw 'levensmoeheid niet leiden tot onverschilligheid! Gods rechterstoel verrijst achter de dood! Hoe zult gij voor Hem rechtvaardig verschijnen. Dezer dagen werd mij nog verteld van een man, die tot de slachtoffers behoort. Vorig jaar was hij hier nog in de kerk, waar gij als een kudde stond opeengepakt. Hij snikte het uit: Nu moet ik sterven en ik kan niet. Hij raakte in de knel! 'Doch eer de ochtend daagde, verklaarde hij: Nu kan ik sterven.
Gij kunt leven, als gij in de enige troost leeft. Ge kunt sterven, als gij in de enige troost sterft. Wat is u nodig om dat te weten? Wel, dat gij God leert kennen in de drie stukken. Al wie niet leven kan, en niet sterven, kan, zoeke de Heere. Zoeke Hem, opdat hij - en hier wordt het samengevat- dit leven, dat toch niet anders is dan een gestadige dood, getroost verlate! Om Zijnentwil, om Jezus' wil.
Jezus! Zijn naam is Wonderraad. In Hem heeft God zijn volk bezocht, zodat de menigte erover juicht. Naar dat bezoek verwijst elke bezoeking, zoals de schaduw verwijst naar het licht.
Weet het wel, wie God vindt, vindt Hem uitsluitend in de Heere Jezus. Buiten Hem ontmoet gij de Heere nooit, buiten Hem is God een vuur dat verteert. Zodat de rechte zoeker bij de Middelaar belandt, die tussentreedt, die de ontmoeting tot een feest maakt. Deze Middelaar krijge de plaats die Hem toekomt, ook in uw zoeken! Hij wordt de Zaakwaarnemer, tot wie gij uw aanspraak richt. En Hij zuivert die en rondt ze af, in Zijn voorbede, in het loutere reukoffer, die wierook die uit het vat Zijner verdiensten opstijgt. En deze Voorspraak is het Wonder, in Wie men kan leven en sterven: Ik vermag alle dingen, door Christus, die mij kracht geeft!
Roept de Wijsheid niet, en verheft niet de Verstandigheid hare stem? Is het niet in Zijn naam, dat ik u, nabestaanden en overlevenden, deze goede raad spelde: Doch ik zou naar God zoeken en tot God mijne aanspraak richten; Die grote dingen doet, die men niet doorzoeken kan, wonderen die men niet tellen kan.'
'Wie Hem met een waarachtig geloof is ingelijfd, en met een waarachtig geloof aankleeft, die is gelukzalig onder de kastijding. Niet dat het dan meevalt, neen, want wat maaksel zijn ze: De mens, zegt Elifaz, de broze, de sterfelijke. God matigt de kastijding, want Hij weet dat wel, en Hij sterkt hen eronder.
Niets is sterkender, dan de gemeenschap met de Middelaar, in de gelijkmaking zijns doods! Het kruis achter Hem aandragen, vrolijk zelfs, omdat Hij ertoe verwaardigt. Ja, wat machtige troost: Indien gij zonder kastijding zijt, welke allen deelachtig worden, zo zijt ge dan bastaarden, en geen zonen! Hij is de Zoon, smartelijk werd Hij gekastijd! Zij worden kinderen Gods genaamd - ziet hoe grote liefde hen de Vader gegeven heeft; een liefde die zich in de kastijding laat gelden! Het is onderscheiding: Als wij geoordeeld worden, zo worden wij van de Heere getuchtigd, opdat wij met de wereld niet zouden veroordeeld worden. De littekens worden eretekens, en de oudgediende toont ze trots, ook al bezwijkt zijn vlees en zijn hart. Hij kastijdt en loutert uit getrouwheid, tot ons nut. Opdat, o lichtend verschiet, opdat wij Zijner heiligheid zouden deelachtig worden! Mijn Vader, laat Job beproefd worden tot het einde toe! En deze Job stamelt bij ogenblikken: Hij beproeve mij, als goud zal ik uitkomen. Zie, gelukzalig is de mens, welke God straft, vastsnoert aan Christus Jezus!'
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 december 1977
De Waarheidsvriend | 14 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 december 1977
De Waarheidsvriend | 14 Pagina's