Uit de pers
Gevaarlijke openheid
Naar aanleiding van de geruchtmakende en kwetsende TV-uitzending van 25 november waarin de arbeid van de Bond tegen het vloeken onder de loep genomen werd, wijst ds. L. H. Kwast in het Centraal Weekblad van 10 december er op hoe zich hier een algemeen verschijnsel in onze cultuur voordoet, nl. de neiging om alles te zeggen wat voor de mond komt, al klinkt het nog zo grof of kwetsend. Men pleit voor openheid en niets ontziende eerlijkheid, en meent die te vinden in het gebruik van schuttingtaal, vloeken en ruwe woorden. Mensen willen kwetsen en provoceren. Was een vroegere generatie geneigd om op de woorden te letten, vandaag is het mode om de dingen ronduit te zeggen, hoe hard ze ook aankomen en hoe grof ze ook zijn. En wie daar niet aan meedoet, wordt al spoedig voor fatsoensrakker of huichelaar uitgemaakt. Kwast schrijft in dit verband:
Er wordt wel gezegd dat ontmaskering en openheid kenmerken van deze tijd zijn.
Maar wanneer deze ontmaskering en openheid zich manifesteren in vloeken en schuttingtaal, in grievende en kleinerende bejegeningen, dan is het de grote vraag of er niet nog heel iets anders aan de hand is. Dan groeit het vermoeden dat een nieuwe zelfopenbaring zich aandient: die van een generatie die haar negatieve levensbesef niet onder stoelen of banken wil steken. Waar het hart van vol is, loopt de mond van over. En dan is het geen wonder dat moderne mensen niet meer weten wat ze moeten zeggen en zwijgen. Het is een tijdsbeeld geworden, een signalement van een geestelijke ontwikkeling. Wie daarbij wil juichen en applaudiseren, moet dat voor zichzelf uitmaken. Ik kan dat niet, omdat ik veel te veel mensen tegenkom die aan de vergroving en de lompheid van hun eigentijdse onderlinge en publieke taalgebruik lijden. En het zou heel anders kunnen, óók open en óók eerlijk en óók ontmaskerend, maar zónder schoffering van toehoorder en lezer.
In de bijbel wordt ook de waarheid gezegd. Maar daar gebeurt het helemaal niet op de manier waarop wij elkaar de levieten plegen te lezen. Jezus wordt pas hard en scherp (Matth. 23!) nadat hij maanden en jaren achtereen het hart van schriftgeleerden en Farizeeën heeft willen winnen voor het Koninkrijk Gods.
Simon Petrus wordt op een bijna onnavolgbare wijze door Jezus Christus gekritiseerd en in het ambt hersteld (Joh. 21). Paulus schreef aan de Efeziërs (4, 29): 'Geen liederiijk woord kome uit uw mond, maar als gij een goed woord hebt, tot opbouw waar dit nuttig is, opdat zij die dit horen, genade ontvangen'. En ergens anders (Col. 3, 17): 'En al wat gij doet met woord of werk, doet het alles in de naam des Heren Jezus, God, de Vader, dankende door Hem!'
In het Nieuwe Testament komt het blijkbaar op daden én woorden aan. Ook het woord staat in dienst van de daad, in dienst van God en van mensen. Wellevendheid en vriendelijkheid zijn helemaal geen maskers en geen rollenspel, maar ze horen bij het nieuwe leven uit Gods Geest. Ze zijn de tekenen van de komst van Gods Koninkrijk. 'Lasteren' is in het Nieuwe Testament altijd de aanduiding van een kwalijke zaak. Wie lastert, zegt geen goed woord. Niet van God en niet van mensen. Petrus betitelt lasteraars als 'vermetelen, vol van zelfbehagen' (II, 2, 10). Ze hebben zelfs geen verstand van wat zij belasteren, schrijft hij. Wij zouden zeggen: ze hebben er geen antenne voor. In een scherpe tekening komt Petrus ertoe hen te vergelijken met 'een hond, die teruggekeerd is naar zijn uitbraaksel' en met 'een gewassen zeug naar de modderpoel' (II, 2, 21).
Daar is geen woord Frans bij. Blijkbaar kunnen wellevendheid en fijngevoeligheid vergezeld gaan van een grote openheid en eerlijkheid.
Maar hoe nauw het in de communicatie van de taal luistert, wordt duidelijk in Paulus' woorden dat de liefde niet praalt, niet opgeblazen is en niemands gevoel kwetst (1 Cor. 13, 4, 5).
De wijze waarop mensen zich uitdrukken heeft te maken met hun innerlijk, met wat er leeft in hun hart. Een geestelijke zaak staat, zo schrijft Kwast terecht, altijd in verband met Gods Geest of met afwezigheid van Gods Geest. Ook dat laatste. Men denke aan het verband in Efeze 4 tussen het bedroeven van de Heilige Geest en het gebruiken van vuile taal. De zonden van de tong worden in de Schrift scherp gesignaleerd. Nu gaat het niet alleen maar om taalverruwing in de relatie van mens tot mens. Vloeken betekent vooral de Naam Gods ontheiligen. Natuurlijk is het waar dat men ook op een zeer ingetogen wijze Gods Naam ijdel kan gebruiken, b.v. als die Naam een valse 'levenslading' moet dekken. Maar dat mag men niet aanvoeren om het kwaad van het vloeken te vergoelijken. Onze woorden verraden zo menigmaal de gesteldheid van ons hart. Waar de Naam des Heeren ontheiligd wordt heeft dit als gevolg dat ook in andere verhoudingen verruwing optreedt. Het verschijnsel dat Kwast signaleert heeft diepe wortels. Het is goed om daaraan te denken. En zo gewezen te worden op de roeping. De roeping om die Naam, zo heilig, groot en goed, te belijden en hoog te houden. De rechte openheid voor dit belijden geeft ook de rechte openheid ten opzichte van de ander vanuit de liefde die wel eerlijk is, maar het goede voor de ander zoekt.
Gebed en wereldnood
In 'De Wekker' van 11 november schrijft ds. J. H. Velema over het gebed in verband met de wereldnood die in menigerlei opzicht te signaleren valt. Nu heeft de voorbede voor de nood van gemeente en wereld vanouds een plaats gehad in de eredienst der gemeente. Ook de Bijbel laat ons dat zien. Men leze 1 Timotheus 2 : 1, 2. Velema gaat in op de vraag, hoe we de wereldnood hebben te verwerken:
Hoe verwerken we al deze gebeurtenissen in deze spannende tijden? Er is een, overigens steeds kleiner wordende, categorie mensen die onverschillig staat tegenover alles wat er rondom hen gebeurt. Zij trekken zich als wijlen Gallio niets van deze dingen aan. Als zij het maar goed hebben en als aan hun leventje maar niet gewrikt wordt, dan is het hun alles goed. Dit egoïsme, deze ik-gerichte levenshouding is een christen onwaardig. Ze is onvruchtbaar voor anderen en ze verkilt het leven van de betrokkene zelf. Als zijn bunkertje wordt aangetast weet hij niet waar hij zich bergen moet.
Vele anderen worden door deze gebeurtenissen hyper-nerveus, overspannen, kunnen het haast niet verwerken en gaan er innerlijk aan stuk. Dat is wel een groot onderscheid met vroeger toen grote gebeurtenissen de gewone man lang niet zo aangrepen als vandaag en zijn leven veel rustiger was. Maar vandaag worden we door de moderne massa-communicademedia dusdanig op de hoogte gebracht met wat er gebeurt dat het bijna niemand kan voorbijgaan. Met al de gevolgen van dien. ledere pastor kent de stereotype uitdmkking die hij tegenkomt: Wat een tijd, wat een wereld; het gaat snel op het einde aan, want...
Hoe begrijpelijk deze houding ook is, ze is niet de houding die typerend is voor een christen.
Een christen moet en mag de tijd anders beleven. Hij gelooft in Gods regering en weet dat Christus de Verhoogde Koning, ook in 1977 nog altijd zit aan de rechterhand van Zijn almachdge Vader. Dat 'zittende' gaat nog steeds door.
Dat betekent niet dat hij onbewogen zal blijven onder de daverende dingen, die gebeuren. Het kan hem alles niet zonder meer voorbijgaan; het mag hem zelfs niet voorbijgaan omdat de Bijbel ons oproept waakzaam te zijn en te letten op de tekenen der tijden.
Gods Woord wijst ons de weg hoe wij alles moeten verwerken: we zullen biddende christenen moeten zijn.
De wereldnood moet ons dringen tot gebed. In onze kerkdiensten moet de nood van de wereld, concreet aangeduid, een vaste plaats hebben in de gebeden.
Dat is de juiste verwerking van de wereldnood.
Het valt te verstaan dat de schrijver voorts ook ingaat op de vraag naar de inhoud van de voorbede. Hoe concreet dient deze te zijn? Loopt degene die geroepen is deze dienst te verrichten niet gevaar eigen ideeën in het gebed in te dragen. Het is 'n tere en zeer verantwoordelijke zaak. Maar ze wordt ons nief afgenomen. De priesterlijke roeping van de voorbede voor volken en overheden blijft ons op het hart gebonden.
Gemakkelijk is dat overigens niet.
Ook hier geldt dat wij vaak niet weten wat wij bidden moeten zoals het behoort. Wij zijn vaak niet van alle kanten van een zaak op de hoogte; wij hebben onze indrukken, die vaak bepaald worden door de voorstelling die wij krijgen uit de nieuwsmedia. Is die voorstelling objectief, betrouwbaar? Door welke normen is die voorstelling bepaald en vanuit welke gezichtshoek is het bericht opgesteld, dat wij voor waar houden? Waarom wordt dit ons meegedeeld en waarom blijkt later dat andere dingen ons niet worden meegedeeld? Dan moeten we zeggen: als we dat ook geweten hadden zouden we de zaak anders hebben beoordeeld.
Dat zijn de moeiten om op de juiste wijze te bidden! Het is wel te begrijpen, al is het niet goed te praten, dat vanwege de machteloosheid en de hulpeloosheid waarin sommigen zich bevinden als het gaat om het zicht op wereldnoden, zij het gebed maar nalaten. Maar dat zou niet juist zijn.
Wij behoeven trouwens ook niet te bidden om een concrete oplossing en opheffing van de wereldnood.
We dienen voor alle dingen te bidden om de komst van Gods Rijk, de wederkomst van de Here Jezus Christus. Daartoe dringt de wereldnood meer dan ooit. Daarbij zal nooit mogen verstommen de bede om de eer van Gods Naam. Wat is het belangrijk dat in ons gebed alle noden en de oplossing daarvan ondergeschikt zijn aan de glorie van de Koning der koningen.
In ons gebed zal niet rhinder een plaats moeten hebben de vraag om de kennis van het heil voor allen, die zich in welke nood ook bevinden. Dat is het waarachtige meeleven dat zondaren in nood het heil en de vrede leren kennen, of daaruit leren leven in al hun benarde omstandigheden.
Dat betekent tegelijk dat we zelf door de wereldnood gericht worden op het allerbelangrijkste dat er in het leven is, dat aan geen inflatie onderhevig is: het geloof in Hem, Die daar Hij 't wereldrond gebiedt van Zijnen hogen zetel ziet op 't laag en nietig aards gewemel.
Zo is het gebed in de kerk en van de christen op z'n plaats in dagen van terreur, bij de gespannen situatie in Zuid-Afrika, rond Israël en in dagen van kabinetsformatie om maar iets te noemen, want er is telkens weer wat anders aan de orde.
Prediking en gebed behoeven niet het laatste nieuws te brengen - de dominee is geen nieuwslezer van het A. N .P., maar hij brengt wel het oudste, grootste en laatste nieuws: Het komt, Hij komt! Ons gebed voor de wereldnood dient onder de spanning te staan van deze verwachting.
Bidden we zo in onze kerken en huiskamers, gemeentelijk en persoonlijk?
We zijn het van harte met deze woorden eens. We betreuren wel dat de schrijver niet ingaat op de vraag, in hoeverre er verband bestaat tussen de voorbede en het diaconale handelen van de christelijke gemeente. Zeker, wij mogen net de suggestie wekken als zouden wij de grote problemen wel eens oplossen. Die hoogmoed komt ook hier voor de val. Maar we mogen ook niet in moedeloosheid bij de pakken neergaan zitten. Waar ook maar mogelijk is zal de christelijke gemeente in getuigenis en dienst van Jezus Christus en Zijn Koninkrijk hebben te spreken en van daaruit te handelen. Niet als revolutionaire actiegroep in een klassestrijd. Maar wel als mensen die het woord over het 'zout der aarde' gehoord hebben en daar niet meer los van komen.
Over het bezoek van Sadat aan Israel
In het (uitstekend geredigeerde) maandblad Israël, het orgaan van het genootschap Nederland-Israël schrijft mr. R. A. Levisson over het bezoek van Sadat aan Israël. Hij herinnert aan de uitspraak van Ben Goerion, die sprekende over Israël zei: 'Wie hier niet aan wonderen gelooft, is geen realist'. Voor Levisson is ook dit bezoek zoiets als een wonder. Al kunnen we de draagwijdte niet overzien:
Er is evenwel niets op tegen een ogenblik stil te staan bij het wonder. Wie wat bijbels georiënteerd is, zullen de vergelijkingen bij rijtjes tegelijk zijn ingevallen: de ontmoeting van de broeders Jacob en Esau aan de Jabbok; het Vrederijk van Jesaja 11 - 'dat de volken de wortel van Isai zullen zoeken': de halve wereld zat immers met de ogen via de televisie gericht op Jeruzalem; en niet in het minst Micha's profetie, uit wiens 4e hoofdstuk de Voorzitter van de Knesset bij zijn begroeting van Sadat de verzen 2 tot en met 4 citeerde. Terzake van Israël lopen alle dingen altijd anders dan anders. Wie heeft er ooit gehoord van een Staatshoofd, dat op een officieel bezoek gaat bij een land met wie hij in oorlog is en aldaar met alle eerbewijzen wordt ontvangen? Parallellen daarvoor in het volkenrecht zijn zeker niet te vinden!
De vraag wordt alom gesteld, wat dan wel de directe en concrete gevolgen van dit bezoek zijn. Wie geloofd had, dat er nu ineens vredesverdragen zouden worden ondertekend, is al te naief; wie, zoals die adverteerder in de Jeruzalem Post zijn huis van 14 kamers in Jeruzalem te huur aanbood en erbij schreef, dat het heel geschikt zou zijn voor de Egyptische Ambassade, maakt óf een grapje óf hij is zijn gevoel voor de werkelijkheid kwijt.
Direct en concreet is het enorme gevoel van opluchting der Israeli's, omdat voor het eerst in hun bestaan als onafhankelijke natie een gesprek met een arabische staatsman mogelijk is gebleken. Sadat, één van de machtigste mannen in die grote arabische wereld, is in Jeruzalem geweest; iedereen heeft hem gezien; in het kleine Israël kent iedereen wel iemand, die Sadats hand gedrukt heeft; de burgemeesters van de arabische steden op de westoever zijn bij hem op audiëntie geweest en waren blij met hun gesprek. Deze dingen dragen in hoogst belangrijke mate bij om naar twee kanten toe de barrières van wantrouwen, die in driemaal tien jaar waren gegroeid, te doorbreken. Meer dan wat ook, zijn het deze psychologische overwinningen, die Sadats bezoek aan Jeruzalem tot een gebeurtenis van werkelijk historische betekenis maken. De wil tot vrede, die er in Israël altijd is geweest, heeft eindelijk een uitweg gevonden om zichzelf werkelijk te manifesteren.
Er is een ander belangrijk verschijnsel, dat Sadats bezoek aan Israël begeleidt: de reactie van de arabische wereld. Die reactie is helaas merkwaardig afwijzend. Duidelijk bewijst dit, dat het niet Israël is, dat geen vrede wil. Als het alle arabische staten zo om vrede te doen zou zijn, dan zou er immers geen enkele reden zijn om zich niet over Sadats bezoek te verheugen. Helaas blijken de zaken anders te liggen.
We meenden er goed aan te doen u dit geluid door te geven. Inderdaad, het is te vroeg om verstrekkende conclusies te trekken. Wat zal het voortgaande overleg brengen? Hoe zullen de arabische staten zich blijven opstellen? Maar het bezoek van Sadat mag toch een teken van hoop genoemd worden. In vele christelijke kerken zal rondom de 19de november gebeden zijn om vrede in het Midden-Oosten.
Dat gebed zwijge niet. Dan komen de dingen nog op een ander vlak te liggen dan bij de conferentietafels en diplomatieke verdragen. Want hel gebed richt zich niet op menselijke mogelijkheden, ideeën en plannen, maar is een pleiten op de beloften van God. De voorlezing van Micha 4 in de Knesset krijgt in dat perspectief een diepe zin. Ik schrijf dit persoverzicht midden in de Adventstijd. In deze weken wordt Psalm 130 nogal, eens gezongen. De psalm van de hoop en de verwachting. Ook voor Israël. En de psalm waarin de waarachtige vrede verbonden is met de vergeving van de schuld. Dat is het eigen geluid van de bijbelse vredesboodschap. Die immers zijn centrum vindt in de gemeenschap met God, de verzoening met Hem.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 december 1977
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 december 1977
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's