Geslingerd geloof
De oorzaak
2
Het spreekt geheel vanzelf, dat het van belang is om de bron van de geloofsbelemmering te vinden. Wij kunnen de slingeringen immers verklaren uit velerlei motieven. De voornaamste oorzaak is de zwakheid van de mens. Het geloof is naar zijn aard volmaakte zekerheid. Het is onaantastbaar voor elke twijfel in zijn wezen. Toch kan het door onheilige machten fel bestreden worden. Zo fel, dat wij het duidelijke gevoel der onzekerheid bijna geheel verliezen, ofschoon de wortel nog steeds aanwezig is. Men spreekt over het kleingeloof, het zwakgeloof, een beginnend geloof, elders handelt men over het verduisterd en geschokt geloof, maar ook komt het helder en welverzekerd geloof naar voren. Er is dus duidelijk een graadverschil aanwezig en dit wordt bepaald door de geestelijke gesteldheid van 's mensen ziel. De toestand, waarin wij verkeren maakt het geloof voor ons bewustzijn, voor onszelf minder zeker. De twijfel heerst over ons. Het Woord wordt verduisterd in zijn kracht over ons. Wij worden gelijk aan wankelende kegels. De boom van het geloof zwiept heen en weer; het kraakt en kreunt in zijn takken. De gelovige is ook een tweemens. Het gaat voor zijn zielservaring op en neer. De gelovige heeft een trek in zich van een dubbelwezen.
Ons Heidelbergse leerboek geeft zulk een duidelijke verklaring van deze dingen. Daar toch wordt indringend geschetst hoe het vernieuwde leven zich openbaart in een afsterven van de oude mens en in een opstaan van de nieuwe mens. Die twee bewegingen verdragen elkaar maar nauwelijks. Ze brengen spanningen met zich mee in het genadeleven.
Het is een minder worden van het natuurlijk zelfvertrouwen. Daarnaast een vorderen in Godsvertrouwen. De oude natuur gaat niet in één keer weg. Wij sterven af, naarmate de nieuwe mens door de Geest rijker gestalte in ons ontvangt. Heeft nu de Geest op een gegeven moment de overhand in ons zieleleven, dan worden wij gevoed in de volle zekerheid des geloofs. Overheerst door de zwakheid van ons vlees weer de macht der zonde in ons, zinkt ? voor onze zielservaring de oefening van het geloof in; een doorborende twijfel verwoest alles. Wij kunnen nergens bijkomen en ondervinden geenszins de smaak der genade. Zie het maar aan Abraham, aan David en Johannes de Doper. Op zulke momenten leven wij uit de eigen wijsheid van onze geest. Wij gaan dan weer op zoek naar de mogelijkheden van ons menszijn. Abraham zocht de belofte te verkrijgen uit de natuurlijke hulpmiddelen. David verzuimt zijn plicht en valt in zonde van zinnelijkheid. Johannes de Doper valt in ^e gevangenis in de grootste twijfel en aanvechting of Jezus wel de ware Messias is. Dat is altijd in ons sterk, wanneer wij in eigen kracht voort kunnen leven. Hoe meer gebroken in onszelf, hoe meer behoefte aan verzoening. En hoe meer behoefte aan verzoening des te meer voorwerp van tere genade. Het is bij uitstek een tijd van welvaren voor het genadeleven, naarmate het ons ontbreekt aan diep vertrouwen op onze natuurlijke mogelijkheden.
Zwaarder dan de zwakheid van het eigen vlees in ons de bestrijding van de Boze. De duivel wil steeds twijfel aan het Woord van God in ons hart zaaien. Dat is reeds in het paradijs gebeurd. Daarom behoeft het niet te verwonderen, dat hij ook in later periode kinderen Gods bij voorkeur zo zoekt te doen vallen. Wij weten reeds uit de paradijsgeschiedenis, dat hij er steeds op bedacht is twijfel aan Gods Woord in het mensenhart te wekken. Zijn éérste vraag aan de mensheid had immers reeds deze bedoeling: Is het ook, dat God gezegd heeft: gijlieden zult niet eten van alle boom dezes hof?
Het is daarom niet te verwonderen, dat Satan ook later bij voorkeur de kinderen Gods op deze wijze ten val zocht te brengen. Bij de wereldse mensen moet hij uiteraard andere middelen aanwenden. Zij kennen het Woord niet, of aanvaarden het althans niet als Gods Woord. De Boze zal op hun eigen wereldse terrein moeten overstappen om hen steeds vaster aan zich te verbinden, hij zal op hun wereldse zin, op hun zucht naar weelde en genot, op hun begeerte naar aanzien en eer moeten speculeren, maar in de gemeente naar Christus' naam genoemd zoekt hij allereerst het vertrouwen op het Woord te schokken en het door twijfel te vervangen. De diepst ingeleide kinderen Gods hebben in dat opzicht het meest van zijn aanvechtingen te lijden. Door hun verkleefdheid aan en hun leven uit het Woord zijn zij het meest voor het rijk der duisternis te vrezen. En onder deze uitverkorenen Gods richt hij zijn vurige pijlen natuurlijk het eerst op degenen die uitblinken en daardoor de invloed van het Koninkrijk Gods op buitengewone manier bevorderen. Er zijn nu eenmaal ook op dit heilig terrein leidende geesten Satan volgelingen, die zich laten leiden. Vandaar dat satan al het mogelijke doet om hen, die baanbrekers zijn het eerst te strikken. De anderen worden evenwel van de aanvallen van de Satan ook niet gevrijwaard, maar ongetwijfeld zullen de volgelingen weer op andere manier worden benauwd gemaakt.
Beproeving
Wij noemden een tweetal van de voornaamste oorzaken van een geslingerd geloof. Voor een terzake kundig man zijn deze twee altijd de grondpijlers van vele andere. Het is daarom goed, dat wij nog een paar stappen in details afdalen. Een oorzaak bij het verschijnsel van geestelijke achteruitgang kan wezen, dat God zich aan de gelovige onttrekt in zijn voorkomende gunst om hem te beproeven. De Heere wil ons bijvoorbeeld klein maken en verootmoedigen over onze zonde, ons bewust maken van de een of andere ongerechtigheid in ons leven en zo Christus meer hem doen leren gebruiken en waarderen. Wij denken op dit punt aan David. Deze gaf in de zonde met Bathseba toe aan plichtsverzuim. De overige koningen trokken allen naar het seizoen gebood te velde - maar David bleef thuis. Zulk een schijnbaar gering verzuim brengt een berg van zonden met zich mee. De innige omkeer met de Heere verdraagt geen achteloosheid in kleinigheden. Van het een komt het ander. En straks is de Heere van David geweken. Ook ligt soms gebrek aan gedurig gebed ten grondslag aan de voortdurende geestelijke dodigheid. Zelfs kan het gebeuren dat wij door voortdurende tekorten aan ons lichaam niet in staat zijn Hem in tere dingen te raadplegen. Het lichaam vraagt zoveel soms, dat wij in geestelijk opzicht te zeer worden afgeleid en het gebedsleven verschraalt en verdoft.
Op een andere maal trekt de Meester Christus zich terug om zich later des te meer te kunnen geven. Zie het in de geschiedenis van de Kananese vrouw. Jezus wijst haar telkens sterker af, maar steeds weer klampt de vrouw zich aan Hem vast. Jezus brengt haar in beweging door zijn weigering. Al terugwijkende trekt Hij haar in het heiligdom van de gemeenschap met Hem. Zo doet Hij altijd. Zwijgend gaat Hij de blinde Bartimeüs voorbij en des te luider gaat deze roepen. Bij de Emmaüsgangers hield Hij Zich alsof Hij verder wilde gaan en des te hoger brandde hun verlangen. Hem toch bij zich te houden: blijft bij ons. Zo doet God ook met ons. Hij komt alleen waar Hij gebeden wordt te komen. Niet omdat het tegen zijn majesteit is te komen, waar Hij niet gaarne ontvangen wordt, maar omdat Hij inwendig in ons komen wil. God vervult door... ledig te maken.
Onmacht
De wortel van de geestelijke verlating bestaat ook menigmaal daarin dat wij onze eigen onmacht nog niet genoeg hebben leren kennen. Wij hebben nog te weinig zicht op ons geestelijk onvermogen. Het betekent dat het Woord nog te weinig diep dóór ons wordt gekend. Want de wortel van dat onvermogen wordt gekend uit het Woord. Wij blijven ook bij ervaring der genade nog zo hangen in eigen kracht. Wij vertrouwen nog tezeer op onze eigen goede wil en moed. Wij willen in het geestelijk leven het zelf in orde maken. Wij nemen niet gelovig de toevlucht tot Christus. Wij maken geen gebruik alleen van Hem. Wij wanen nog heel goed uit de van dan onszelf te kunnen leven. Dat behaagt de Heere niet. Dan onttrekt de Heere Zich aan u met zijn liefelijke gunsten genade. Hij wil u juist daardoor inleiden en des te dieper bekend maken met het wondergeheim der genade. De oorzaak van die verslapping is deze: God wil u weer leren, dat Hij vrij is genade te bewijzen aan wie Hij wil en wanneer Hij wil. Genade is nooit gewoon en nooit vanzelfsprekend. Genade is nimmer op wens te bestellen. Zoals de Geest in 's Heeren vrijmacht het Woord opzoekt en daar in woont, zo zoekt ook de genade louter of 's Heeren wenk de bewegingen van ons leven op en komt God verheerlijkend in in ons gebed, in ons lezen en ons spreken. Dat is een genade, die levend makend arbeidt, zodat er een tintelende bediening ontstaat. Wanneer dat bij ons het geval is, trekt God Zich stil terug. De hemel slaat ons zo te zeggen dicht. Lang kan dat duren. Maar - het missen doet waarderen. God houdt Zijn gemeenschap in om des te meer verlangen daarnaar op te wekken.
De aanvechting tot het ontkennen van God vindt zijn oorzaak veelal in onze hoogheid van verstand. Wij willen God doorgronden en dat duldt God niet. Soms is de bron pure onkunde in het Woord.
Slordigheid in geestelijke oefening, waardoor de levenstoon uit onze ziel begint te wijken en de herfsttooi komt over het leven der genade.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 januari 1978
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 januari 1978
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's