De roeping tot het Ambt*
1
Voordat ik het voorzitterschap van de Gereformeerde Bond neerleg, wilde ik nog gaarne in onze predikantenkring tot u spreken over dat, wat de Gereformeerde Bond in de Hervormde Kerk ten diepste en ten hoogste beweegt, nl. hoe men tot het predikantschap komt, en hoe men dat uitoefent. - Hoe men tot de Heilige bediening komt en hoe men die Heilige bediening vervult. - Roeping dus, die van God uitgaat tot de Evangeliedienaar en de roeping, zoals de Evangeliedienaar die te verstaan en te vervullen heeft.
Over het wettig tot de Heilige bediening komen zegt de Schrift in Hebreeën 5:4 'En niemand neemt zichzelven die eer aan, maar die van God geroepen wordt, gelijkerwijs als Aaron'. Deze regel vinden wij ook in Art. III van de Dordtse kerkenorde: Het zal niemand, alhoewel hij een doctor, een hoogleraar in de theologie, ouderling of diaken is, geoorloofd zijn de dienst des Woords en der Sacramenten te betreden, zonder wettelijk daartoe beroepen te zijn. En wanneer iemand daartegen doet en meermalen vermaand zijnde niet aflaat, zo zal de Classe oordelen, of men hem tot een scheurmaker verklaren of op enige andere wijze straffen zal'. In zijn Politica Ecclesiastica, III blz. 529 en volgende zet Voetius de zaak van de roeping tot het predikambt in den brede uiteen. Dr. A. D. R. Polman zet in zijn verhandeling van de Ned. Gel. Bel. deel IV de ontwikkeling van de verschillende ambtsopvattingen uiteen en bijzonder de verschillen in ambtsordening tussen Rome en de Reformatie. Louis du Tillat, de vriend van Calvijn, die later tot de Roomse kerk terugkeerde, ontkende niet, dat Calvijn de nodige gaven bezat tot de uitoefening van het ambt, maar bij ontbreken van de Apostolische successie en de handoplegging bezat hij noch de roeping, noch de ordening. Calvijn liet zich daartegen niet onbetuigd in zijn schrijven aan koning Sigismund August van Polen, waarin hij tenvolle toestemt 'dat alles in de kerk met goede orde moet geschieden, zoals de gezonde rede en het gebod Gods eisen. Iemand behoort daartoe door het oordeel der herders verkoren en aan de gemeente voorgesteld en met haar toestemming geapprobeerd en door handoplegging geordend te worden. Daarover loopt de discussie niet. Niemand kan zich echter bij de pauselijken met een vrij en goed geweten doen ordenen. Zij laten immers het voornaamste weg, nl. de verkiezing. Zij wijden hun priester niet tot herders en leraars, maar tot misdienaars, wat niet is dan een profanatie van het ware ambt van Christus'. Verder betoogt hij dat de Pauselijken zelf de ononderbroken successie verbraken, ware het niet dat God Zelf het geneesmiddel gegeven had om geschikte en beproefde leraars op te wekken, die dus op ongewone wijze in de bediening gesteld werden.
Christus roept
Waar Christus het enige Hoofd der kerk is, is Hij het alleen Die Zijn dienaren roept. Waar Hij aan de rechterhand van Zijn Vader gezeten is, daar is Hij dat om vandaar uit Zijn gemeente te vergaderen door Zijn Woord en Geest, om die gemeente te besturen, te regeren, te beschermen en te onderhouden. Het bevestigingsformulier voor de dienaren des Goddelijken Woords stelt aan de te bevestigen dienaar als eerste vraag: 'Of gij gevoelt in uw hart, dat gij wettiglijk van Gods gemeente en mitsdien van God zelven tot dezen heiligen dienst geroepen zijt? ' Zo wordt dat ook bij de bevestiging van de ouderlingen en diakenen gevraagd. Het is dus de klassiek Gereformeerde opvatting in de kerk. Wij zijn zó gewend achter of boven deze roeping een andere buitengewone roeping te plaatsen. En die heeft onder ons dan 'de' waarde. Nu moet ik zeggen, dat de kerk nooit ontkend heeft, dat er zulke buitengewone roepingen waren, in de Schrift zelf, bij voorbeeld bij de profeten en bij de Apostelen. Maar daar moet wat bij verteld worden, nl. dat de Apostelen een éénmalig ambt bekleedden. Zij waren de stichters van de Nieuw Testamentische kerk en het is bij dit twaalftal gebleven. Zelfs van de twaalfde Apostel, Matthias, hoorde ik prof. Severijn eens zeggen, dat hij deindruk had, dat Matthias nooit zo functioneel geweest was, maar dat kennelijk de Heilige Geest Paulus op die twaalfde plaats gesteld had. Ik weet niet, of men dat zeggen mag, maar ik hoorde dat van hem. Dus het éénmalig ambt der Apostelen! En nu de Profeten uit het Oude Testament. Die zijn inderdaad met extra ordinaire roepingen geroepen - als tenminste van hun roeping iets bekend was, maar hun dienst was geen kerkelijke dienst. Zij dienden in de staat. Bij al de Schriftprofeten leest ge, dat zij dienden onder die en die koningen van Juda of van Israël. Zij dienden onder het volk. Samuel offerde, maar deze was ook van Levitische afkomst. Zo ook Mozes. Wij lezen dat niet van Elia -terwijl die ook offerde op Karmel. - Het valt mij keer op keer op, dat veel predikanten, die zeggen een extra ordinaire roeping te hebben, met zulk een profetische roeping voor de dag komen. Wij mogen wel een woord Gods krijgen, maar dan moet dat woord passen op ons geval en op onze omstandigheden.
Het tweede, wat ik hierover wil opmerken is dit, dat de priesters de eigenlijke leraars van het volk waren in het Oude Testament. Die trokken langs de tenten in de woestijn rond om aan het volk de religie te leren. Die woonden in Kanaan ordelijk verspreid onder de stammen Israels - en zij waren zeer velen in getal - om het volk te onderrichten in de religie. Maleachi 2 : 7 zegt nog: De lippen des priesters zullen de wetenschap bewaren, en men zal uit zijn mond de wet zoeken, want hij is een engel des HEEREN der heirscharen'. En de priesters kenden geen bijzondere roeping, want zij dienden van vader op zoon, te beginnen van hun dertigste jaar.
Bevestigingsformulier
Zo komen wij dus al wat dichter bij ons bevestigingsformulier. Maar die formulieren zijn zo oppervlakkig niet, gelijk onze vaderen zo oppervlakkig niet waren! Leest u maar eens goed. Van Gods gemeente geroepen. Hoe zien wij de kerk? Hoe zien wij de gemeente? Zien wij die als een enkele vrome temidden van een hoop gemeen volk? Dat is toch wel op zijn allerkarigst. Zien de Apostelen de gemeenten van Corinthe, Efeze, Galatië, enz. ook zo? Of zien zij die toch als een gemeente Gods? En als Jezus de zeven gemeenten aanspreekt, bij monde van Johannes in Openbaring, is dat dan een gemeente of niet, een gemeente Gods of niet, ondanks het vele wat er aan ontbrak? Als wij de gemeente aanzien als een gemeente Gods, dan krijgen wij daar ook meer respect voor, dan zien wij wel degelijk het zondige, het menselijke eraan, maar ook het Goddelijke. Durven wij nog te zeggen, dat de gemeente de gemeente is, die de Heere Jezus verkregen heeft door Zijn eigen bloed? Is de gemeente nog de gemeente, of is zij dat niet? Met haar ambten, met haar prediking des Woords, met haar sacramenten, met haar lidmaten, met haar gedoopten? Zo waarlijk moet de gemeente gemeente zijn, als de kerk kerk is. Als wij de kerk zien door alle tijden heen. Oude Testament, Nieuwe Testament, de Oud-christelijke kerk, de Middeleeuwen, de kerk van de Reformatie, de kerk van de Nadere Reformatie, de kerk thans (met al haar afsplitsingen daar bij), dan is ze altijd maar een kerk in hope geweest - met veel menselijks, toch ook veel van God - maar Gods gemeente.
Welnu, en van die kerk wettig geroepen. Naar goede regels, naar een goede leer en naar goede orde - zonder omkoping en zonder knoeierij. Dan mag men weten van God zelf aldaar geroepen te zijn. Of gij dat ook in uw hart gevoelt, gelovig gevoelt. En nu kom ik nog dichter bij huis. De vaderen voegden hier in 'de inwendige roeping'. W. a Brakel noemt hier vijf dingen:
1. kennis van het ambt: wat het in heeft, dienstknecht van Christus te zijn, de mond des Heeren te zijn, het grote Evangelie te verkondigen, onwetenden de weg der zaligheid te leren, mensen aan de duivel te ontrukken, en tot Christus te brengen, de bedroefden te troosten, tragen op te wekken, afgedwaalden weder te brengen, geveinsden en tijdgelovigen te ontdekken, zondaren te bestraffen en te weren, Christus te eren en de kerk luister bij te zetten;
2. kennis van zijn eigen bekwaamheid te hebben, grondige kennis van de waarheid, ook een innerlijke kennis van de waarheid te hebben, want men moet kunnen spreken, en men moet met een hart kunnen preken. Men moet een goede stem hebben en men moet zich wel uit kunnen drukken. Al moet men zeggen: 'Wie is tot deze dingen bekwaam? ' dan moet men toch een natuurlijke en een geestelijke bekwaamheid hebben.
3. Men moet een bijzondere liefde hebben tot Christus, als tot het Hoofd der kerk, om Hem in al Zijn deugden bekend te maken. Men moet een bijzondere liefde tot de kerk hebben, om die als een reine bruid voor Christus te bereiden en om die tot eer van God te doen blinken. Men moet liefde tot de mensen hebben, om die voor Christus te winnen en op te voeden in de genade.
4. Men moet gewillig zijn in zelfverloochening, om niet naar aards goed, geld of eer te staan. Men moet geen aanzien zoeken en geen gewin. Er is geen wanstalliger ding dan een predikant, die de heilige dingen gebruikt tot zijn eigen interest.
5. Hij moet grote lust hebben tot dit werk. Hij moet zijn werk, zijn tijd, zijn leven aan de Heere offeren. Hij moet een werk willen doen, dat veel te zwaar is voor zijn schouders. Hij moet goed tegen tegenstand kunnen, moet de tegensprekers goed kunnen verdragen, zachtmoedig zijn en de andere predikanten beter vinden dan zichzelf.
Ziet, dat is de inwendige roeping, naar de mening van onze vaderen.
*) Lezing, gehouden op de Predikantenconferentie van de Gereformeerde Bond te Woudschoten op 4 januari 1978.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 januari 1978
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 januari 1978
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's