De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

12 minuten leestijd

Dorothee Sölle over de troost van het geloof

Het is al weer een aantal jaren geleden dat de duitse theologe en filosofe Dorothee Sölle haar boek over de theologie na de dood van God, Plaatsbekleding publiceerde en daarmee in binnen- en buitenland veel verontrusting en verontwaardiging wekte. Immers het knap geschreven boek komt op bijna iedere bladzijde in botsing met de bijbelse boodschap der verzoening. Het weekblad De Tijd plubliceerde in het nummer van 23 december een vraaggesprek van Ton Oostveen met Dorothee Sölle. In dat gesprek komt naar voren dat zij kiest voor een verbinding van christendom en socialisme, een terugreis midden in de klassenstrijd. De interviewer stelt haar dan de vraag wat het element van de troost voor haar betekent. Daarop geeft ze als antwoord:

De verbinding van het christendom aan het socialisme zal veel christenen moeite kosten, zeg ik. Ze voelen zich dan uitgedaagd. Geloof is altijd beschreven als challenge and comfort, uitdaging èn troost. De falende mens kan niet zo best buiten die troost. Wat betekent de troost van het geloof voor u?

Sölle: 'Troost, dat is het oervertrouwen dat het leven een zin heeft. En dat ik, ondanks alles, aan die zin deel heb. Het consumptiegeloof -die kapitalistische religiositeit van wat-krijg-ik-ervoor - heeft de troost veel te personalistisch uitgedrukt. Het is niet redelijk al je troost te halen uit de woorden: God houdt van me. Je moet veeleer zeggen: een stroom van liefde draagt uiteindelijk de wereld, en die stroom is er ook voor mij, of ik die nu wel of niet zie of voel. Troost is, dat God destijds toch zag dat het goed was, en dat alles dus weer goed zal worden.'

Dat 'alles zal weer goed worden' is een troost, die men vaak van een hiernamaals verwacht, en daar moet u niks van hebben.

Sölle: 'Nee, ik denk niet in die Platoonse onderscheiding van deze en gene zijde van de dood. Platonisme heeft een christen niet nodig. We hebben liefde tot die wereld van ons nodig, een echt menselijke wereld, en geen privécircus na onze dood'.

Toch vinden velen dat te weinig.

'Dat begrijp ik nooit. Met de dood is alles alleen maar uit als je meent dat je zelf alles bent. Maar niet als je meer durft te zijn, deel van een groter geheel: de bomen, de wolken, de zee, je omgeving, je kinderen. De boom blijft, het blad valt af. Ik vind het niet vroom als mensen niet slechts dat blad willen zijn. Dat is theologisch kapitalisme, denken in de sfeer van het hebben. De joodse traditie had de gene zijde van de dood niet nodig: ik zou willen zijn als Jesaja en Jeremia, zó geloven, dat zou ik willen. Dat is me genoeg: zij spraken nooit over een gene zijde. Evenmin als de in onze Konzentrationslager vermoorde socialisten zoiets nodig hadden om stand te houden. De kerken hebben de troost tot een raar ding gemaakt: een postmortale existende.'

Waarom we dit gedeelte dat velen wellicht schokkend en verbijsterend in de oren zal klinken hier opnemen? Omdat ook in onze kerk dergelijke geluiden, wat minder onverbloemd wellicht, klinken. Ook hier zijn er die christelijk geloof verbinden met een marxistisch socialisme, en wat smalend spreken over het verlangen naar troost en geborgenheid. Laat men niet denken: Duitsland is ver van onze deur. Dat is geografisch niet waar. Dat is ook theologisch niet het geval. Wat dat betreft heeft het Getuigenis, dat destijds de gemeente wilde bemoedigen, nog niets van zijn actualiteit verloren.

Naar aanleiding van Sölle's antwoord zou ik willen opmerken, dat hier toch wel op een caricaturale wijze over de enige troost in leven en sterven geschreven wordt. Alsof het evangelie van Gods liefde, en het persoonlijke geloof in onze Here Jezus Christus zo maar afgedaan kan worden als 'consumptiegeloof'? Alsof juist een dergelijke mentaliteit waarin de genade goedkoop gemaakt wordt, in de Schrift zelf al niet veroordeeld wordt. Men denke aan het protest van de profeten tegen de valse leuze van het 'vrede, vrede en geen gevaar'. Bij Sölle verdwijnt het persoonlijk geloof achter een vaag universalisme. Hier worden de diepste motieven van de Reformatie - men denke aan Luther's worsteling om een genadige God, aan de kerkliederen van Gerhardt, aan de inzet van onze Heidelbergse catechismus - ronduit geloochend. Hier zien we waar een marxistisch voorverstaan, dat ook in ons land wel bepleit wordt, ons brengt. De prediking wordt uitgehold tot wereldoriëntatie.

En wat het leven na dit leven betreft, ik vrees dat men op het voetspoor van Sölle aan ziekbedden en sterfbedden, in rouwdiensten en aan de graven niets meer te zeggen heeft. Wat moet ik in het aangezicht van mijn schuld voor God, Zijn gericht, in het aangezicht van de dood, aan met de 'troost' van Sölle, dat ik als blad wel afval, maar dat de boom van de wereld en de mensheid verder groeit? Hier zien we ook waartoe de ontkenning van opstanding van Christus als heilsfeit toe leidt. Tot een ketterij die de prediking van haar inhoud berooft. En ook hier schrik je van de caricaturen die Sölle hanteert om haar mening te staven. Woorden als 'privécircus', 'theologisch kapitalisme' worden gehanteerd om op een goedkope wijze de prediking der Schrift inzake de troost van het eeuwig leven, het met de Here zijn, te ontkrachten. En de vlakke tegenstelling van Platoons en Joods denken moet dit dan onderbouwen. Alsof ook het Oude Testament niet zou weten van een geborgen zijn in de trouw des Heren door de dood heen. Men denke aan Psalm 73, Jes. 26, Daniël 12.

Natuurlijk betekent de christelijke troost geen vlucht. Dat heeft de Reformatie altijd geweten. Sprekende over de enige troost, zegt de Catechismus dat die ook omvat het van harte en gewillig bereid gemaakt worden om voor de Here te leven.

Een Rooms-Katholiek protest

Prof. dr. C. J. de Vogel die in de veertiger jaren van de Hervormde kerk overging naar de R.K. kerk, heeft een boek gepubliceerd waarin ze fel van leer trekt tegen het modernisme in de roomse kerk. Zij neemt geen blad voor de mond. Theologen als Van der Pol, Fiolet, Schoonenberg, Küng, Schillebeéckx en anderen passeren de revue. Over de moderne wijze van Schrift verklaren en de visie op Jezus, zoals die o.a. bij Schillebeéckx tot uitdrukking komt, laat ze zich eveneens zeer kritisch uit. Prof. dr. G. P. van Itterzon die in het Hervormd Weekblad enkele artikelen aan haar boek wijdt, schrijft hierover in het nummer van 22 december:

Men is in de Katholieke Kerk nu eindelijk de weg ingeslagen die Erasmus vier en een halve eeuw geleden heeft gewezen en voorbereid, de weg van Bijbelstudie, Bijbel-lezen en Bijbel-verklaren, een weg die de Kerken der Reformatie reeds sinds eeuwen zijn gegaan. Ongetwijfeld is dat een zeer verheugende wending', aldus Prof. de Vogel (124(: 'Ook in België, waar men van jongs af zo ernstig tegen de lectuur van dit duistere boek was gewaarschuwd, lezen nu 'gewone lieden' voor het eerst van hun leven de heilige Schrift. En zij voelen er zich door verrijkt' (125). 'Rechtstreekse Schriftverklaring hoort men in zondagse Katholieke kerkdiensten niet zo dikwijls. Laat ons het eerlijk zeggen: men hoort het nog steeds zelden, ook in onze dagen' (125). 'En waar het gebeurt, is het soms niet gelukkig' (126). Jezus is aan het kruis gestorven, voor óns. Maar pas nu op: Hij stierf niet voor onze zonden (zo zegt men dan), maar om ons te Ieren hoe men als mensen leven moet. 'De mensen moeten sterven voor elkander', zo wordt in onze kerk gezongen'. Het verwondert Prof. de Vogel dan ook niet, dat Prof. Schillebeéckx dat Schriftwoord 'Jezus Christus, die zich gegeven heeft als een losprijs voor allen' een raadselachtige tekst vindt, waar hij' niet goed raad mee weet, omdat het nu juist niet past in zijn Jezusbeeld' (126). Prof. de Vogel schrijft met ingehouden verontwaardiging over 'het dikke boek', 'Jezus, Het verhaal van een levende'.en leest nu, 'hoe in onze dagen een Katholiek priester, hoogleraar in de systematische theologie (wat vroeger 'dogmatiek' heette) aan een katholieke Universiteit, op grond van het nieuwste wetenschappelijke onderzoek zijn persoonlijk geloof belijdt aan de historische Jezus van Nazareth, als bron van inspiratie voor een nieuwe, echt Christelijke levenspraktijk, gericht op volle menselijkheid en een betere menswaardige samenleving, niet op grond van enige kerkelijke belijdenis maar juist principieel los daarvan; ontdaan van het legendarische, wat reeds de tijdgenoten en volgelingen om Jezus heen geweven hebben; ontdaan van het puin der eeuwen.' 'Geloof aan, vertrouwen in die grote Godsgezant, de mens Jezus van Nazareth, zoals hij was, konkreet-menselijk in de geschiedenis van zijn tijd en land en volk, een jodeman, opgegroeid in de tradide van de joodse godsdienst. Deze Jezus leeft nog steeds, voor en onder ons' (129, 130).

Die jodeman toch!

Prof. de Vogel ziet hier duidelijk, hoe de lijn loopt van de vrijzinnige Renan over Harnack en Bultmann naar Schillebeéckx (133). Een theologische wereld, waarin, zoals Barth later zou zeggen 'niemand meer wist wie de Christus was' (135). Een vrijzinnig verstaan Evangelie (136). 'De opstanding van Jezus was uiteraard een legende, en waar in de Evangeliën van 'Christus' sprake is, is dat een kwestie van 'na-paschale overschildering', zoals het nu bij Schillebeéckx heet' (137). Een legende, na Pasen dus door mensen overgeschilderd!

Prof. de Vogel ziet er Gods werk in, dat een paar jonge mensen die theologie studeerden aan die Duitse universiteiten waar niemand meer wist wie de Christus was, toen als iets geheel nieuws het Evangelie hebben ontdekt. Niet de boodschap dat er een twintig eeuwen geleden onder de Joden in Palestina een eschatologisch profeet was opgetreden, al of niet met een overspannen zelfgevoel, maar de boodschap, dat God is mens geworden en ónder ons gewoond heeft. Een volstrekt ongehoorde boodschap. Dit hebben zij gehoord. Karl Barth en Emil Brunner waren eenvoudig 'gegrepenen' (138). Prof. de Vogel wijst dan uitvoerig aan, dat godsdiensthistorici Griekse teksten aanhaalden, die, als men ze nalas (en Prof. de Vogel doet dat uitvoerig!), helemaal niet datgene bevatten wat men meende erin te kunnen lezen (141). En ze zegt: 'Waar de puinhopen blijven en het Woord van God niet meer wordt gehoord, daar is de mens verloren' (144).

Ten aanzien van Schillebeéckx, die 'Bethlehem' een stukje Joodse theologie noemt (167) vraagt Prof. de Vogel: Waarop berust dan het afwijzend oordeel van Schillebeéckx? Is het niet hierop, dat hij meent uit het beeld van de historische Jezus alles te moeten wegdoen wat het mens-zijn principieel te boven gaat? 'Jezus heeft nooit over zichzelf als 'de Zoon' of 'zoon Gods' gesproken; geen enkele synoptische tekst wijst in die richdng' zegt Schillebeéckx. Nee, antwoordt Prof. de Vogel, als men eerst de teksten, waar het staat als overschildering (na Pasen) wegruimt (169, 170).

En als men de opstanding van Christus niet meer gelooft en er een opstanding in onszelf van maakt, een genade-ervaring, kan het ons overkomen zegt Prof. de Vogel dat, als we op een zondagmorgen in de tijd na Pasen onze radio aanzetten, we de pastor tot zijn gelovigen horen zeggen: 'Hoe staat het bij u met de verrijzenis? Komt het al aardig op gang? ' (174). Dat was, zegt Prof. de Vogel terecht, niet dat wat de apostelen geloofden. Ze vindt, dat de historicus eenvoudig heeft te beschrijven wat de teksten zeggen en er niet iets anders van moet maken, zoals, haars inziens, Schillebeeckx doet (175). Hoe hij de historische Jezus, ontdaan van alles wat hij legenden en overschilderingen na Pasen noemt, kan stellen tegenover de Christus van de Kerk en van het Christologisch dogma, en dan plotseling weer het dogma van de Drieëenheid Gods kan bijvallen, is voor Prof. de Vogel een vreemde zaak, die bij velen, zegt ze, verbazing denkt ergernis heeft gewekt (186). En als dan gevraagd wordt of Schillebeeckx een warhoofd is of dat hij zich alsnog veilig wenst te stellen voor het gezichtspunt van kerkelijke orthodoxie, denk ze, dat men hem dan geen recht doet. Hij spreekt dan graag van een andere 'verstaanshorizon' dan die van het historisch onderzoek. Maar Prof. de Vogel meent: Het Evangelie volgens Edw. Schillebeeckx is niet het Evangelie van de Kerk, maar een hoogst ingewikkelde, hoogst problematische zaak, waarvan we uiteindelijk geen vreugde overhouden, de vreugde omdat God mens is geworden en onder ons gewoond heeft (186, 187).

De cijfers tussen haakjes verwijzen naar de bladzijden in het boek van dr. De Vogel. Niet alleen om te ontdekken hoezeer de vrijzinnigheid veld wint binnen het Rooms-katholieke denken, is het belangrijk van dit boek kennis te nemen. Als Protestanten doen we goed om in deze spiegel te kijken en te zien welke gevaren onze kerk bedreigen. Temeer, omdat in het huidig oecumenisch klimaat, maar al te vaak gezegd wordt dat Rome zo veranderd is, en men wijst dan bij voorkeur op theologen als Schillebeeckx, Küng, Schoonenberg. Inderdaad, het is een andere theologie dan de klassiek R.K. theologie. Maar er is helaas geen terugbuiging naar de Schrift te bespeuren. Het moderne Bijbelonderzoek vormt de beslissende motor van een theologie waarin grondig afgerekend wordt met het klassieke belijden. Zeker, de weg die prof. De Vogel wijst is de onze niet. Haar pleidooi voor terugkeer naar de oude R.K. kerkleer, bv. de leer van de wezens verandering van brood en wijn in het lichaam en bloed van Christus, deelt een Protestant op geen enkele wijze. Maar terecht wijst Van Itterzon erop, dat deze afwijzing van haar typisch R.K. opvattingen niet betekenen kan, dat we aan dit boek geen boodschap hebben. Haar opkomen voor de klassieke belijdenis inzake Jezus Christus en de Drieëenheid doet weldadig aan. En haar waarschuwing tegen een theologie en prediking waarin de mens centraal komt te staan en God vermenselijkt wordt, is een waarschuwing die we ook in de Reformatorische kerken ernstig moeten nemen. Tenslotte voor diegenen onder ons die geïnteresseerd zijn in de ontwikkelingen in de R.K. kerk en nieuwsgierig geworden zijn naar het door Van Itterzon besproken boek van dr. De Vogel: Het boek is getiteld: De grondslag van onze zekerheid, en is uitgegeven bij Van Gorcum in Assen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 januari 1978

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 januari 1978

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's