De roeping tot het ambt
(2)
Ik las, dat iemand tot de inwendige roeping rekende:
1. de mededeling van ambtelijke begaafdheden;
2. een oprechte en standvastige begeerte naar het ambt.
En het is vast waar, dat opvoeding in de vreze des Heeren, goed onderricht, hartelijke liefde bij de ouders voor de dingen Gods, liefde tot het Woord en dan ook niet te vergeten de gebeden van een moeder, of vader veel doen!
3. in het banen van de weg.
Als de Heere hier wegen afsluit en als Hij door zijn voorzienigheid daar wegen opent en daarin voorspoedig maakt en getrouw, dan mag men daarin de hand en de weg des Heeren zien. Gelukkig, wie door zijn studie en door zijn werk gedragen wordt door Gods hand. Dan wórdt men geen predikant, maar dan wordt men predikant gemaakt.
Maar . . . voor alles blijft staan het parool van onze vaderen in de formulieren: 'Wettig van Gods gemeente en mitsdien van God Zelf geroepen' . Ik durf dat niet maar uitwendige roeping te noemen. Ik zou zeggen, dat sluit al het voorgenoemde in.
- Het is de kerk, die roept.
- Het is de kerk, die zendt.
- Het is ook de kerk, die bevestigt.
Die bevestiging met de handoplegging doet wat.
Men had voorheen ook de examinatie en de approbatie. Het onderzoek vanwege de classis naar bekwaamheid, naar staat, naar roeping. Soms door predikanten - en dat zijn doorgaans niet de beste examinatoren. Soms door eenvoudige ouderlingen - en dat zijn vaak Schriftkundige mensen; het zijn ook vaak zeer zachtmoedige, begrijpende, milde mensen. De approbatie - de goedkeuring van de kerk - sla ik hoog aan. Dat sla ik net zo hoog aan als het oude voorstel, waarbij men voorheen als laatste examenstuk toegelaten werd om te prediken.
De vaderen gingen geweldig aan tegen het nabootsen van de predikdienst, doordien men samenkomt buiten de ordelijke diensten - geheel de vorm van de predikdiensten nabootsen en, o schrik, leven en dood aankondigen. Al zouden zij bekwaamheden hebben, beter dan de beste prediker, al zouden zij bedoelen te stichten, dan doen zij toch meer schade dan nut. Doorgaans zijn hoogmoed en bijoogmerken de verborgen doeleinden. Zelfs in de tijd zal zulk werk op de duur geen stand houden - het komt niet in het tweede en derde geslachten de eeuwigheid zal het wel openbaren, dat de kerk als lichaam van Christus zich niet straffeloos laat scheuren.
Vervulling van de roeping
En nu dan de roeping in de zin van vervulling. Als men tot het predikambt komt, staat men onder het opzicht van de kerk, van de gemeente, maar ook onder het opzicht van de Heere Zelf. En denkt er om, dat Hij opzicht houdt en dat Hij zeer barmhartig is voor de oprechten, maar ook dat Hij zeer gestreng is den halsstarrigen, den luiaards, den onoprechten!! De Heere is geen ledig toeschouwer over Zijn kerk. De dienaren der kerk staan onder ede! Vergeet dat maar niet. Dat 'Ja ik van ganser harte' is de eed, die men bij zijn toelating en bij elke bevestiging opnieuw heeft afgelegd. En de HEERE is de God des eeds. 'Wie is de man, die de berg des HEEREN beklimt? De man, die geen bedrog pleegt in zijn eden. Dit is Jacob, dit is 't vroom geslacht, dat naar God vraagt.' Is er één profeet, is er één ware priester, is er één apostel, die de kerk verlaten heeft om haar gebrek, zelfs om haar zonden? Trouw is een hoog goed.
Vertrouwen is ook een hoog goed.
Noemt die te zamen het geloof. En dat is het eigen goed der kerk.
Om leraar des volks te zijn is nodig kennis en wijsheid. De leraren moeten de oorspronkelijke bijbeltalen kennen, om de oorspronkelijke tekst te kunnen lezen, waarin de Bijbel geschreven is. Dat geeft veelszins licht over de zin en de mening des Geestes. Men doet ook goed de talen te kennen, om de kerkvaders te kunnen lezen. Men praat wel eens over oudvaders en dan spreekt men over mensen van een eeuw geleden. Vergeet u niet, dat u bij die kerkvaders aan de wortels van het christelijk geloof zijt en ook aan de fundamenten der kerk.
Een predikant moet de Schriften kennen en leren kennen en dat vraagt een levenslange arbeid, niet alleen als student, maar nog veel meer als predikant. Hij mag wel een halve week op zijn studeerkamer verkeren om gedegen werk te leveren. En dan dagen maken van vijftien, zestien uur. Dat moet een kundige predikant - en een domme man moet er maar heel de week aan geven. Daartoe moet ook de Schrift in het huisgezin gedurig in de hand zijn. Leven bij de Schrift. En als hij dit alles doet, dagelijks, jaar en dag, dan heeft hij nog nodig al de hulp van boven, zegen van boven, van het begin tot het eind. En vergeet het maar niet, om een woord aan te halen van mijn leermeester, prof. dr. Hugo Visscher, dat de grootste geleerdheid hierin bestaat, om moeilijke dingen eenvoudig te zeggen.
Een predikant moet de waarheid en de waardigheid van zijn ambt hoog houden. Oprecht zijn in zijn preken, oprecht zijn in zijn spreken. Gewoon zijn zoals hij is, niet zich hoger voordoen dan hij is, niet meer willen geven dan hij kan geven, ook niet minder geven dan hij kan geven: kortom waar zijn. Maar de plaats in acht nemen, waar hij spreekt: hij staat niet op de markt, hij staat in de kerk, hij staat ook in de week in de gemeente van Christus.
Nooit platvloers zijn. Nooit te gemeenzaam zijn met de mensen, nooit hooghartig zijn, maar niet te familiaar. Een prediker is altijd een gezant van Christus' wege. Hartelijkheid en goedheid kan men altijd paren aan bescheidenheid en een zekere teruggetrokkenheid. Jezus liet tijdens Zijn preken het scheepje wat van de wal houden. Jezus liet soms de scharen van Zich. Men moet altijd onder veel volk verkeren, maar men moet toch boven het volk staan: geen onderscheid inaken tussen rijken en armen, men moet de rijken niet naar de ogen zien, men moet ook niet de predikant zijn van de armen (een klassedominee!), men moet ook maar niet te veel vrienden erop nahouden, opdat men herder der gemeente zij.
De tijd eraan gegeven
De tijd, die men aan het werk geeft, is ook een belangrijk ding. Vanouds is de levenstijd, voor het werk bestemd, een gelimiteerde. In Israël diende een priester niet voor zijn dertigste levensjaar, de tijd van de volwassenheid: Ook de Heere Christus begon zijn openbare optreden nietdan op zijn dertigste levensjaar. Wij lezen van Hem, dat de scharen Hem dag aan dag bezighielden en zelfs dat Hij niet vermocht vanwege de schare. Wij lezen van Hem dat Hij de nacht moest benutten óm te bidden, in de eenzaamheid van, de woestijn en hoog op een berg, voorts ook weer in de nacht in een hof. Wij lezen ook van Hem, dat Hij in diepe slaap was en dat Hij zijn discipelen maande om een weinig te rusten. Zijn levensdienst duurde slechts driejaren.
Toen de kerk de uiterste termijn stelde op 65-jarige leeftijd, meende ik mij met kracht daartegen te moeten verzetten. Ik meende: die God riep tot Zijn dienst, die riep Hij voor het leven. Dus doorgaan, tot de gesteldheid van het lichaam en van de geest het niet meer toeliet. Op weg naar de classisvergadering maakte ds. D. J. van der Graaf mij erop attent, dat de priesters of de Levieten maar mochten dienen tot aan hun vijfenvijftigste jaar. Voorts werd van hen om de zwaarte van de dienst gevraagd een lichaam zonder gebrek. De kerk stelde als de leeftijdsgrens 65 jaar en ten uiterste 70 jaar. Nu ik daar zelf voor kwam te staan, merkte ik, dat de eind-beperking goed is.
In vroeger tijden gaf de kerk alleen naar de onderkant tijdsbepalingen. Van vrije tijdsbepalingen leest u niets. Ook Wilhelmus a Brakel, die de dienst der predikers nauwkeurig beschrijft, spreekt van geen verpozingen in de dienst. Van vakanties leest u ook in vroegere tijden niet en als men al van reizen sprak, dan was het alleen van dienstreizen. Studies, die in het buitenland gevolgd werden, of reizen in dienst der kerk met het doel: het Evangelie te brengen onder Joden en heidenen, kwamen oudtijds voor. - De tijden veranderden, de intensiteit en de invloed van het kerkelijk leven verminderden, de studie en de vakantietijden van de kinderen - voorgeschreven vakantietijden en toegekende vakantietoelagen gaven een onderbreking van de arbeid in de kerk en in de gemeenten. Velerlei nevenarbeid in en buiten de kerk maakten de pastorale taken minder overzichtelijk. Allerlei semi-kerkelijke en buitenkerkelijke arbeid, met een min of meer evangelisatorische inslag, deden een inbreuk op het eigen kerkelijke werk. Te meer moeten wij echter het belang van onze ambtsopdracht van Godswege en vanwege de kerk en ook onze ambtseden, die weinig ruimte overlaten voor andere dan de directe kerkelijke en gemeentelijke taken, ten volle laten gelden. Wij hebben onze taak in de gemeente, waarin onze roeping ligt, en die daarvoor een niet geringe bezoldiging moet opbrengen . Onnodig te zeggen, dat wij daarvoor en daarvoor alleen verantwoordelijk zijn. In het zakenleven zou men de honorering opschorten, als de dienst niet of slechts ten dele werd uitgevoerd. De kerk heeft deze gewoonte niet, maar zou mijns inziens niet onrechtmatig handelen, als zij deze gewoonte wel aannam. Het kerkegeld is gezegend geld en de Heere onderhoudt Zijn dienaren met penninkjes der weduwen - en Hij zet die op hoge rente. Van de HEERE Zebaoth zal zekerlijk niet gezegend zijn tijd, aan de gemeenten onttrokken en geld, buiten de orde verkregen.
Wij hebben de tijd wekelijks wel zeer nodig. Het voorbereiden van de preken en van, de catechismus, vraagt in kleine gemeenten evenveel tijd als in een grotere gemeente. Het pastorale werk, ziekenbezoek, huisbezoek, catechese vullen waarlijk de week wel. En dit is een zaak, die ons week aan week, zomer en winter, wel zodanig bezighoudt, dat wij geen tijd hebben voor andere dingen, dan die, waartoe wij geroepen zijn. Brengen wij bovendien planning in onze prediking, planning in onze catechese, over jaren uitgestreken, ook planning in onze studie van de Schriften en in de leer des HEEREN, dan zal waarlijk onze tijd wel gevuld en ook wel te besteden zijn. Dit temeer, als wij bedenken, dat de tijd nadert, waarin wij rekenschap moeten geven van onze arbeid aan onze Hoge Opdrachtgever.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 januari 1978
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 januari 1978
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's