De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De roeping*

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De roeping*

13 minuten leestijd

1

Toen men binnen de kring van het Hoofdbestuur van de Bond enige tijd geleden zich afvroeg welke themata op de thans gehouden contio aan de orde zouden kunnen komen, was men algemeen het erover eens, dat de roeping, de roeping tot het heil en de roeping tot het ambt een heel geschikt onderwerp zou kunnen zijn.

Wie zich met de roeping bezighoudt bezint zich op wat de kern uitmaakt van de ambtsbediening. Die moet het hebben over de prediking en over haar uitwerking. En die mag dus ook verwachten het oor te hebben van allen die tot deze taak geroepen zijn.

Dat wil intussen niet zeggen dat het zo eenvoudig is om daar op een waarlijk verantwoorde wijze wat over te zeggen. De vele controversen die zich rond dit thema: de roeping (en dan beperk ik mij nu verder tot de roeping tot het heil) in de loop der tijd hebben voorgedaan en die nog steeds voortleven, bewijzen wel dat men met een zeer delicaat onderwerp bezig is. Van harte hoop ik er enige zinnige en verantwoorde opmerkingen over te zullen maken.

Dogmatiek

Wij menen ervan uit te moeten gaan dat aan elke prediking, welke het ook is, al dient zij zich nog zo ondogmatisch aan, toch altijd bepaalde dogmatische inzichten en beslissingen ten grondslag liggen. Wie zich getrouw aan de Schrift houdt en zijn belijdenis kent, althans enigermate kent, mag hopen in de grondwaarheden van het christelijk geloof niet al te ver af te dwalen. Een sterk dogmatisch bewustzijn in de prediker is bepaald geen garantie voor rechtzinnigheid. En omgekeerd, een sterk bijbels prediker, die niet zo heel veel weet van de dogmatiek en in ieder geval niet op de hoogte is van alle controversen die er bestaan, behoeft nog niet automatisch naast de weg, d.w.z. bezijden de waarheid te zitten. Het kan zelfs zijn voordeel hebben geen last te hebben van een teveel aan dogmatiek.

Mogelijk dat de aantrekkingskracht van de hervormd-gereformeerde prediking voor een deel hiertoe te herleiden is dat wij naast Schrift en belijdenis geen eigen uitgewerkte verbondsleer hebben, geen eigen leer aangaande dit of aangaande dat, en ook geen eigen ordo salutis, en geen eigen bekeringspatroon. Dat behoedt ons voor schematiseren, teveel systematiseren, houdt ons open voor een putten uit de levende bron van het Woord Gods, in de gemeenschap met de kerk van alle eeuwen. Natuurlijk betekent dat wel allerlei nuances. Dat lijkt ons echter geen bezwaar te zijn zolang deze nuances niet uitgroeien tot aperte tegenstellingen.

Intussen, énige bezinning blijft gewenst. Al was het alleen maar om te weten waar wij staan. Maar vervolgens toch ook om voor eventuele afdwalingen te behoeden; immers, daar staat ieder bloot voor.

Dit dan ter rechtvaardiging van ons onderwerp en de behandeling daarvan.

Nog één opmerking vooraf. Wie het Christelijk Geloof van Berkhof opslaat, dus zijn dogmatiek, en het register raadpleegt, zal ontdekken dat het woord 'roeping' daarin niet voorkomt. Wie dan, daarna opslaat de Gereformeerde Dogmatiek van Bavinck of van welke andere oude gereformeerde theoloog ook ontdekt, dat die hele hoofdstukken aan dit onderwerp hebben gewijd. Dat is typerend voor de verschuivingen die zich hebben voorgedaan. Het heeft de schijn dat wij niet bij-de-tijd zijn als wij ons met de roeping bezighouden. Wij bevinden ons dan buiten het veld van de nieuwe theologie. Doch één ding wil ik daar tegenover Stellen: Of men er aandacht voor heeft of niet, of men het belangrijk vindt of onbelangrijk. God gaat intussen door met Zich een gemeente te vergaderen, dus te roepen, door zijn Woord en Geest, en die roeping is sommigen een reuke des levens ten leven en anderen een reuke des doods ten dode.

Doch nu ter zake. Ons voornemen is, in de eerste plaats, de Schrift té raadplegen, in de tweede plaats na te gaan hoe er over ons onderwerp is gedacht en gesproken door de Reformatoren en wat onze belijdenisgeschriften ervan zeggen, om tenslotte heel kort een tweetal opmerkingen te maken ter conclusie.

I. Schriftgegevens

Wat de Schriftgegevens betreft beperk ik mij tot het Nieuwe Testament. De Evangeliën beginnen met mede te delen dat Jezus zijn openbare werkzaamheid is begonnen met de prediking: Bekeert u en gelooft het Evangelie! Voor het oog deed Hij Zich voor als een rabbi of profeet. En toch was zijn prediking een novum (iets nieuws). Op een beslissend ogenblik kon Hij vragen: Maar wie zegt gij dat Ik ben? Het Koninkrijk Gods dat Hij preekte was verbonden aan zijn persoon. Hij vroeg geloof in zijn wondermacht, in zijn Woord, in Hemzelf! Daarbij maakte Hij geen onderscheid. Eenzelfde Woord liet Hij allen horen. Heel Jeruzalem preekte Hij wat tot haar vrede dienende was. De prediking van geloof en bekering ging uit tot allen. In de hoorders zelf werd niets verondersteld. Eén roeping voor allen. Als Jezus in de gelijkenis van de zaaier en het zaad schetst hoe verscheiden de uitwerking van de prediking kan zijn, dan toont Hij nadrukkelijk aan dat dat verschil niet zit in het zaad maar in de gesteldheid van de akker. Eenzelfde zaad viel overal. Maar de gesteldheid van de akker, dus van de hoorders is verschillend. Niet allen namen Zijn Woord aan. Er waren er die horende doof en ziende blind waren. Met name de eigengerechtigheid verblindde; onder de farizeeën vond de prediking het minste gehoor. Geloof en ongeloof, dat waren de twee mogelijkheden als het gaat over de reactie op Christus' prediking. Het geloof bracht in het Koninkrijk Gods, het ongeloof hield erbuiten. Dat geloof is tegelijk bekering. Het is een zich toewenden tot het heil dat in Christus verschenen is en door Hem gepredikt wordt. Het ongeloof is een zich verzetten daartegen en zich daarin verharden, in het uiterste geval tot in de zonde tegen de Heilige Geest toe.

In Christus' Woord is de Geest werkzaam. De Geest des Heeren is op Mij (Lucas 4). Wie Christus verwerpt verwerpt de Geest, die door Hem spreekt. Is Hij niet gezalfd met de Geest? In zijn wonderen is de vinger Gods en de vinger Gods is de Geest. Wanneer zondaren geloven is dat het werk beide van Woord en Geest. In onlosmakelijke eenheid. In zulk een eenheid dat nergens in, de Evangeliën (waarin trouwens de Geest maar weinig genoemd wordt) over de werking van de Geest apart, dus los van het Woord dat gepredikt wordt, gesproken wordt.

De christelijke religie is een openbaringsreligie. Gods openbaring wordt verkondigd en wat daarop correspondeert is het geloof. Het geloof is het centrale. Wie iets anders, hetzij bekering, hetzij wedergeboorte centraal gaat stellen in plaats van het geloof doet tekort aan het openbaringskarakter van heel de christelijke religie.

Onze conclusie ten aanzien van de Evangeliën is, daarin komt men één roeping tegen, die nochtans niet bij allen dezelfde uitwerking heeft. Zij wordt beantwoord door geloof óf ongeloof. Wat daarachter zit, daarover wordt weinig gesproken, maar hetgeen erover gezegd wordt is fundamenteel: Het ongeloof is 's mensen schuld, het ligt voor zijn eigen verantwoordelijkheid, het is een niet willen komen, en het geloof is een gave Gods. Achter het geloof staat de Vader die in de hemelen is, met zijn trekkende liefde. In het geloof overwint de Geest de zondaar die dan alles prijsgeeft, zijn zondig leven maar ook zijn gerechtigheid en zo het heil in Christus vindt.

In de overige geschriften van het Nieuwe Testament, waarin wij te maken krijgen met de apostolische prediking, zien wij dat ook hier alle reactie, in geloof of ongeloof, bepaald wordt door de prediking. Over die prediking lezen wij heel sterke uitdrukkingen. Zij wordt genoemd een kracht tot zaligheid, een uitdelen van de verborgenheden van het koninkrijk der hemelen, bediening der verzoening, bediening des Geestes (2 Cor. 3, 8) enz. De mens zal naar haar geoordeeld worden. Zij is een voor ogen stellen van Christus. Christus Zelf is haar inhoud. Zij is een toesteken van de hand der verzoening, met de dringende bede: Laat u met God verzoenen.

Nergens lezen wij in het Nieuwe Testament met zoveel woorden van een inwendige en uitwendige roeping. Daarmee is niet betwist het goed recht van deze dogmatische onderscheiding, maar wel haar beperkte betekenis aangegeven. Er is één roeping die uitgaat tot allen. Het heil in Christus wordt allen voorgesteld, aangeboden, met bevel van geloof en bekering. Wij lezen dat er waren die het aannamen en wij lezen ook van mensen die het verwierpen.

Vanwaar dit onderscheid? Hier moeten wij uitermate voorzichtig zijn. Wij mogen niet tekort doen aan het Woord en de bediening daarvan en wij mogen niet tekort doen aan de Geest en Zijn werk. Men mag naar ons gevoelen, als men zich strikt aan de Schrift wil houden, niet beginnen met alles al dadelijk op te breken met onderscheidingen en eventueel scheidingen. Men kan de Bijbel verdogmatiseren. Dan doen wij hem geweld aan. De dogmatiek is maar een hulpwetenschap. Het is tot op zekere hoogte te betreuren dat zij nodig is.

Wat zegt de Bijbel over het Woord? Wij hoorden al, zij noemt het Woord een kracht Gods, tot zaligheid, een dunamis theou (genitivus subjectivus, dus: een kracht die van God uitgaat). Van Gods Woord lezen wij dat het geest en leven is. Er wordt een scheppende kracht aan toegekend. De doden zullen horen de stem van de Zoon van God en zij zullen leven. Dezelfde kracht die het Woord had in de schepping, heeft het ook in de herschepping. Het Woord is het Woord van de levende God (1 Petr. 1, 23). De heilige mannen Gods door de Geest gedreven zijnde hebben ze gesproken. De Schrift is van God ingegeven. De Schrift en haar verlcondiging is niet te scheiden van de Geest. Wanneer men van de prediking van het Evangelie maakt een louter zedelijke toespraak, als zou zij dus alleen maar aanraden, vermanen, de weg wijzen en meer niet dan doet men niet alleen aan het Woord tekort maar ook aan de Geest. Dan lijkt men de Geest te eren maar in werkelijkheid onteert men Hem, men berooft Hem dan van zijn eigen Woord. Geest en Woord worden in de Schrift zelf nauw verbonden; dat moge ook blijken uit een formule als deze: De Geest der waarheid. Joh. 17, 7 en met waarheid is hier bedoeld het Woord, want: Uw Woord is de Waarheid, Joh. 17, 17.

Zo is het dan het Woord dat geloof werkt, het geloof is uit het gehoor van het Woord, het is het Woord dat zondaren bekeert, het is het Woord dat mensen wederbaart. Alles wat tot het heil nodig is geschiedt door het Woord, het wordt aan het Woord toegeschreven. Tegelijk echter wordt het alles ook aan de Geest toegeschreven. Hij verlicht de ogen, Hij opent het hart. Hij brengt tot geloof, tot bekering, tot wedergeboorte. Hij geeft de wasdom. Maar dit wordt nergens als een tegenstelling geponeerd. Zodat wij twee tegenover elkaar staande of elkaar beconcurrerende instanties zouden hebben: Woord en Geest. Zelfs lopen deze werkingen niet louter parallel, maar liggen ze in elkaar verweven.

En toch staat men ook in het Nieuwe Testament steeds voor de werkelijkheid dat niet allen, die het Woord horen, geloven, zich bekeren en tot een nieuw leven komen. Wij lezen van mensen die de prediking ongehoorzaam waren. Die zich aan haar ergerden. Voor wie ze dwaasheid was. Die haar wel hoorden maar wier horen niet met geloven gemengd was.

Woord en Geest, hoe nauw ook met elkaar verbonden, vallen blijkbaar toch niet samen. En eigenlijk is dat ook wel te verstaan. Zondaren die in zichzelf dood zijn tot leven brengen, ze wederbaren, dat kan alleen het werk van God Zélf zijn. Alle eer van wat God doet moge Hij aan Zijn Woord geven, niettemin Hijzelf doet het. De Geest moge Zich paren aan het Woord, Hij valt niet met het Woord samen. God Zelf alleen is bij machte in de harten binnen te dringen, het verstand te verlichten, de wil om te buigen, de genegenheden te vernieuwen, Hij doet dat door Zijn Woord, maar Hij doet het! En Hij doet dat niet bij iedereen. Er geloofden er te Antiochie op de prediking van Paulus zovelen als er tot het eeuwige leven verordineerd waren. Er zijn ook graden in het werk des Geestes. Er zijn er bij wie slechts de schors van het leven geraakt wordt, er zijn er bij wie het wat dieper gaat zonder dat nog het ganse hart vernieuwd wordt. Het Woord is wel gelijk, maar de uitwerking ervan is niet bij allen gelijk.

Waar wél de Geest binnendringt en het hart vernieuwt komt het tot een inwoning en vereniging met Christus, wordt het beeld Gods hersteld, ontstaat een nieuwe mens die naar God geschapen is, met alle kenmerken vandien. Er is een inwoning van Christus door de Geest in de harten der gelovigen. Het Nieuwe Testament kent ook de genade als gave. Maar nooit geabstraheerd van Christus en de Geest Zelf. Geen zelfstandige gratia infusa (ingestorte genade). De genade is primair gunst van God, favor Dei; doch deze favor Dei is niet een slechts boven ons zwevende werkelijkheid, zij wordt werkelijkheid in ons; het één niet van het ander gescheiden. Er is dan ook sprake van genadegiften.

De diepste grond van het verschil der hoorders onder het Woord is Gods verkiezing. Rom. 9 spreekt van een ontfermen en verharden. Hier zou men, en dat is ook al vaak gebeurd, uit kunnen afleiden dat er twee verschillende roepingen zijn, doch dan ziet men de aard van het 'verharden' voorbij, de harden worden verhard! Er is een ondoorgrondelijk verband tussen het zichzelf verharden en het verhard worden. Verkiezing en verwerping lopen in de Schrift niet zonder meer parallel. Bovendien, noch in de prediking van Paulus noch in de prediking van de andere apostelen wordt de predestinatie ooit vooropgesteld. Rom. 9 zet in met de constatering dat Paulus' broeders naar het vlees, hoewel zij deel hadden in de aanneming tot kinderen, niettemin het Evangelie van Jezus Christus verwierpen, en van daaruit gaat hij dan spreken over verkiezing en verwerping, dus a posteriori, d.w.z. achteraf.

Er is een uiteindelijk doel van God, dat Hij bereikt ook bij hen die het Woord verwerpen, hoewel zij even ernstig en even welmenend geroepen zijn als de anderen, te weten dat zij geen verontschuldiging zullen hebben in Zijn oordeel, en de rechtvaardigheid daarvan dan ook aan het licht zal treden.

Hiermee meen ik uit het Nieuwe Testament het meest aangewezene naar voren te hebben gebracht. Wij gaan nu over tot hetgeen de reformatoren over de roeping hebben gezegd en hetgeen daarvan in de belijdenisgeschriften is gekomen.


Inleiding gehouden op de contio van predikanten te Zeist op 5 januari 1978.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 januari 1978

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

De roeping*

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 januari 1978

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's