De roeping tot het ambt
(3)
De algehele tijdsbesteding brengt met zich dat de dienaar des Woords het offer van zijn leven moet brengen. Het is niet kwaad, als eén dienaar Gods in zijn arbeid mag hénengaan! Als de vrouw van een dienaar Gods en de kinderen de man en vader altijd bezig zien, dan zullen die, als hij doorgaans in zijn eigen gemeente dient, hem ook niet zo veel missen en van nabij mede in het dienstwerk worden ingeleid. Dat geeft predikanten uit predikantsgezinnen. Een zelfopofferend leven voor God, kweekt vast geen slechte domineeskinderen.
Over offeren gesproken: wij moeten ook onze naam en onze eer aan Hem en Zijn dienst offeren. Het is een grote verleiding om de munt der ere te slaan uit het woord Gods, of om de munt der ere te slaan uit de liefde tot en de belangstelling in het Woord bij de gemeeöte. Er kan gepreekt worden mooi - de mooie dingen van de Bijbel, of de huiveringwekkende dingen van de Schrift - en dan dienen die dingen vaak meer de naam en de persoon van de prediker dan de naam van de Gepredikte. Wee de prediker, die zich niet in Hem verblijdt, als hij de goedheid en grootheid van God en Zijn Christus verkondigt, en wee de prediker, die niet beeft, als hij de gerichten en de eeuwige straffen Gods heeft te verkondigen. Waar de vreugde in Gods heil en de vreze over Gods gerichten ontbreken, daar is de prediker maar een toneelspeler.
Een prediker moet ónder zijn God staan, als mens en als dienstknecht. Als men de heilige dingen gebruikt voor eigen naam en eer, dan is er onheilig vuur op het altaar. Daar is nog een groot kwaad in de uitoefening van onze roeping, een kwaad dat veel is in de gemeente Gods, namelijk de jaloezie. Wat is het erg, als de man met het éne talent misgunt de man, die een tweede talent bovendien ontvangen heeft. En wat is het dubbel erg, als de man met de twee talenten misgunt het ene talent, dat een ander ontvangen heeft. Om dan nog maar te zwijgen van de man, die de vijf en vijf en één talenten ontvangen heeft. De liefde van uw gemeente voor haar leraar is er toch niet te minder om, als een andere gemeente haar leraar liefheeft? En het gaat er toch om, of onze gemeenten liefde hebben voor 'de' Leraar der gerechtigheid, Christus. Zodat ik maar zeggen wil, dat een prediker moet leren opofferen aan Zijn God en Zijn dienst, zijn tijd, zichzelf, en ook de eer van zijn ambt.
Takken van dienst
Zijn wij in de uitoefening van het ambt, aan de uitoefening van onze roeping, dan kunnen wij nog verschillende takken van dienst behandelen. Laat mij ze tesamen vatten: de catechese en de prediking. Dat zijn eigenlijk de belangrijkste zaken van heel het werk. Wat leren wij de gemeente, wat leren wij de aankomende gemeente: de jeugd.
De leerrede is niet zo erg in zwang. Toch noemt de Schrift het herderschap en het leraarschap in één adem. De Heere Jezus geeft aan de Apostelen de opdracht: 'Gaat heen, onderwijst alle volkeren, hen dopende in de naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes; lerende hen onderhouden alles wat ik u geboden heb'. En door Zijn woord: 'En ziet. Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld', verklaart Hij dit de opdracht te zijn tot het einde der tijden toe. Dat is en dat blijft dus de opdracht, het onderwijs, de lering. Daar is ook zoveel in de Heilige Schrift. En mijn ervaring is geworden door de vele jaren, dat een onderwijzende preek de meeste inslag maakt, en op de duur de gemeente het meest bouwt. En wie de Schriften zoekt dóór te preken gedurende heel zijn leven, zal het nooit aan de nodige stof ontbreken, zelfs niet in de hoogdagen van het kerkelijk leven. Hij zal ook merken, dat hij de Schriften nooit door zal komen. Hij kan die reeks van schatten niet tellen of bevatten. Het zal altijd blijven: 'Wij kennen ten dele en wij profeteren ten dele'.
Wij hebben echter onze handleidingen in de dikke hoofdlijnen, die de belijdenissen en later ook de belijdenisgeschriften ons bieden. En die belijdenissen worden uitgebouwd in de belijdenisgeschriften zodat de stammen in takken uiteen groeien. Zo wordt dus in de belijdenissen/belijdenisgeschriften ons een schat van bijbelse dogmata aangereikt, waarlangs wij door de Schriften kunnen wandelen.
De leer des HEEREN in al haar rijkdom leidt ons door al de geschiedenissen, voorzeggingen, vervullingen, geboden, beloften in al de Schriften. En aan deze leidraden en naar deze spreekregels der kerk kunnen wij kennen de Personen Gods, de werken van de drie Personen der Godheid, kortom al wat Christus over de raad Gods, al den raad Gods tot onze verlossing, volkomen heeft geopenbaard. Het is een goede zaak, om al den raad Gods te prediken. Dat zegt Paulus ook gedaan te hebben bij zijn afscheid te Efeze. En het is ons genoegzaam, als wij dit en niet minder, dit en niet meer, eens aan het eind van onze bediening zullen kunnen zeggen. Daar is voor ons ook niets meer te prediken dan Christus en Dien gekruisigd. Al wat zich buiten de leer des HEEREN beweegt, dat beweegt zich doorgaans buiten de bijbel. En het is ons niet geraden buiten de bijbel te gaan, want het is onze roeping dienaren van het Woord te zijn. En niets dan dat! Calvijn waarschuwde tegen het leren van philosophieën; theologie bedrijven dat is ons vak, dat is ons werk. Zo hebben wij ons te wachten voor het leren van sociologie en politicologie en psychologie, want die zijn ons vak niet. En zij voeren ons af van de theologie, en wat te meer weegt: van de religie.
Catechese
Wat nu geldt van de heilige predikkunde, dat geldt in zeker zo sterke mate van de catechese. De catechese is een uitermate belangrijke taak. Wilhelmus a Brakel zegt: 'Ik kan niet zien, hoe een predikant met een goed gemoedt kan leven en sterven, die zijn werk niet maakt van catechiseren, want het volk is doorgaans onwetende en de vloeiende predikanten zijn niet bekwaam om de onwetenden de eerste beginselen van waarheid en godzaligheid in te planten'. Vloeiende predikanten noemt a Brakel die predikanten, wier monden altijd vloeien van dingen, die iedereen wil horen en die iedereen al weet.
Het catechiseren dan wil de prille jeugd de eerste beginselen van het koninkrijk Gods, naar hun begrip, inplanten omdat zij gedoopt en in de kerk ingelijfd zijn.
Dan wil de catechese, die genegen zijn ten Avondmaal te gaan, de waarheden grondig uiteen zetten, opdat hun hope vast zij en opdat zij tot oefening der Godzaligheid bewerkt worden. Men moet wel toe zien wie men tot de Tafel des HEEREN toelaat, want daaraan hangt het welzijn der kerk.
De jeugd, nu gerijpt, dient zo ver onderwezen te worden in het geloof, dat zij de waarheden beheersen om die te hanteren tegen tegensprekers en opdat zij geïnstrueerd worden tot allerlei dienst in de gemeenten en om zelfs de bekwaamsten van hen tot predikanten gemaakt te zien worden.
En tenslotte moet er de aankondigingen geoefend worden tot overtuiging, tot bekering, in welke staat of omstandigheid ze ook verkeren, opdat zij welgeorderde, vastgewortelde lidmaten der gemeente zullen zijn, die met vaster gang het pad der Godsvrucht bewandelen.
Bekwaam gemaakt
Hebben wij zo in grote hoofdzaken de vervulling van de roeping der predikanten uiteengezet, dan rest ons nog één ding. Alzo van zichzelf niemand tot deze veel omvattende en gewichtige diensten in staat is, zo moet hij daartoe van God bekwaamd worden. Daarom is een niet voor het laatst te houden en ook niet voor één keer te houden zaak: het gebed.
Het gebed bij de bevestiging alleen is al zo schoon, maar slechts de inzet tot de gebeden tot elk deel der Heilige Bediening. Een deel daarvan moge hier volgen:
'Wij bidden U, wil hem door Uw Geest hoe langer hoe bekwamer maken tot den dienst, waartoe Gij hem bereid en geroepen hebt, hem openende het verstand, om Uw heilige Schrift te verstaan en hem sprake gevende tot opening zijns monds, om met vrijmoedigheid de verborgenheden des Evangelies te kennen te geven en te bedienen. Begaaf hem met wijsheid en kloekheid, om het volk waarover hij gesteld is, recht te regeren en in Christelijken vrede te onderhouden, ten einde Uw kerk onder zijn bediening en door zijn goede voorgang toeneme in menigte en in deugden.'
Nu is dat gebed gedurig nodig. Daar kan geen preek gemaakt of gehouden worden, of de opening des Woords moet afgebeden worden op de studeerkamer voor de tekstkeuze, bij het onderzoeken van Gods Woord, 'voor het opstellen van de preek en dan vooral vóór en na het houden daarvan. En ook het gebed op de kansel moet voorbedacht zijn.
Het gebed moet naar de omstandigheden des tijds gebeden zijn. Het gebed der gemeente zij in naam der gemeente, dus in den 'ik vorm' te houden. Want dan kan de gemeente niet meebidden. Alle persoonlijke dingen van den prediker moeten hier achterwege blijven, zwakheid, ziekte, ingebeelde of wezenlijke, kunnen maar dienen om medelijden op te wekken of een excuus te zijn voor een niet al te best voorbereide preek, of ook dat men niet al te veel gestudeerd heeft.
En het gebed moet ook hier zijn het voornaamste deel der dankbaarheid, dat God van ons, en dus ook van de dienaren des Woords, vordert. Zou men God niet danken, dat men in dit wondere ambt gesteld is? Zou men God niet van keer tot keer danken, dat men in dienst van het Woord en dat vandaag van dit Woord, morgen van dat Woord gesteld is? Zou men God niet danken, dat men Gods gemeente en dan nu hier dit deel van Zijn gemeente mag dienen?
Zou men God niet danken, dat men gebruikt mag worden als een instrument in Gods hand om zielen voor Christus' eeuwig koninkrijk te winnen?
En op de kansel zal men niet over zichzelf spreken, maar zal men wel voor en met de gemeente bidden en danken en met de gemeente bidt en dankt men dan ook voor zichzelf.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 januari 1978
De Waarheidsvriend | 14 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 januari 1978
De Waarheidsvriend | 14 Pagina's