Overpeinzingen vanuit een Pastorie
Kerkbodestukken van ds. J. T. Doornenbal
Het zat er in, dat er een boek zou verschijnen, waarin de wekelijkse pennevruchten van wijlen ds. J. T. Doornenbal in de Harderwijkse kerkbode zouden zijn gebundeld, ook al heeft de Oener pastor zélf ooit gezegd dat er niets van hem uitgegeven mocht worden. Het zit er óók in, dat het boek, dat nu gekomen is, (samengesteld door Jac. Overeem), druk gelezen zal worden. De Harderwijkse kerkbode had in ds. Doornenbals tijd een landelijk lezerspubliek. Zijn stukken vonden zulk een gretige aftrek, dat het dit boek wel zó zal vergaan. Daarvoor zijn zelfs geen recensies nodig, want als mijn informatie juist is was de eerste druk reeds bij verschijning uitverkocht. Doornenbal schreef alles over alles met de pen van een vaardig schrijver. Zelf schreef hij: 'ik doe 't ook eigenlijk veel te graag.'
'Als er geen nieuws is waag ik mij niet aan schrijven', schreef een mede-scribent in de Harderwijker kerkbode. Waarop ds. Doornenbal dan schreef:
'En tóch als hij toen eens beschreven had hoe in deze weken de najaarsnevels zich weven over de weilanden en rondom de hofsteden van dat geheimzinnige land aan de zeekant, waar ik nog nooit de tijd voor vond om het te ontdekken, en hoe de regenbuien er opkomen uit de zee, en 't kerkvolk er zijn weg vindt naar het kerkdorp, dat ik nooit nog zag, dan zou hij althans het hart verkwikt hebben van een Veluwse dominé, die hier zit te verlangen en zeker ook wel het hart van de jongens in Indië, die allicht nog meer verlangen. Ik weet wel, dat niet ieder er zo over denkt en dat velen vinden, dat een Kerkbode, Kerkbode moet blijven, maar misschien heeft dit soort van dingen evenveel betekenis voor het mensenhart als bv. de opzienbare mededeling, dat bv. in Nijkerkerveen of in Zwartebroek of aan het Uddelermeer een rijksdaalder is gecollecteerd van een dankbare jarige, al ontken ik volstrekt niet, dat ook dit een eeuwige betekenis heeft of althans hebben kan. Alles heeft zijn waarde en moet onze belangstelling hebben en er is zoveel dat het leven goed kan maken, vooral in een classis als de onze.'
Zo was het eigenlijk. Ds. Doornenbal schreef over de natuur, die hij nooit zo mooi zag als elke dag, over de hofsteden, waar altijd vriendelijke en hartelijke mensen woonden. Ooit vroeg ik hem waarom hij nooit eens een boek geschreven had. Mijn gemeente zou te zeer schrikken, zei hij. Maar dat hoefde hij niet te zeggen, want in zijn wekelijkse stukken schreef hij boekenvol weg. En wat hij ook schreef, niemand schrok ervan. Hij had kennelijk de gave dingen te mogen zeggen, die niemand zeggen mocht waarschijnlijk ook vanwege de zelfspot. En ieder nam het van hem. Als schrijver, ik zeg niet als dominee, had hij een onafhankelijkheid, eigen aan iemand die schrijven 'moet'.
Ongrijpbaar
Men behoeft er niet aan te denken ds. Doornenbal ergens bij in te delen. 'Boze tongen beweren dat ik vrijmetselaar ben', schreef hij, 'om geen andere reden dat ik soms in Epe met enkele gemoedelijke oudere heren een boterham eet en luister naar een lezing van hen over éen onderwerp, waarvan niemand iets weet en begrijpt dan die haar houdt', t.w. op de Rotaryclub. 'Boze tongen beweren dat ik Gereformeerde Bonder ben', zo vervolgt hij, 'waarschijnlijk om geen andere reden dan dat ik wel eens in gemeenten van deze gepreekt heb en beroepen ben'. 'Boze tongen beweren dat ik SGP-er ben', zo vervolgt hij verder, 'zover ik zien kan om geen enkele reden, en als ik gevraagd wordt ervoor te spreken, doe ik dat alleen onder de uitdrukkelijke conditie, dat ik mijn preek, van de afgelopen zondag mag houden, zonder een woord over politiek...'
Op de zondag was hij zó hoogkerkelijk, dat hij in een evangelisatie niet voorging. Maar in de week begaf hij zich in alle mogelijke en onmogelijke kringen, met zijn preekbeurten tot aan de einden der aarde (Goudswaard). En net zo goed bezocht hij speciaal het graf van Therèse de Lisieux in Z. Frankrijk, wier levensgeschiedenis hij ooit kreeg van een dame in de trein op weg naar Los Angeles: 'nooit heb ik in mijn leven tranen gehad bij het lezen van een boek. Zover ik mij kan herinneren, behalve een enkele maal van de Bijbel. Maar bij dit boekje had, ik steeds moeite ze terug te dringen'..
Maar hoe hij dan ook over de oecumene dacht mag ik de lezer niet onderhouden:
'Vanaf mijn jeugd heb ik vrienden gehad in alle mogelijke en onmogelijke kerken, en ik heb ze nog. Zondags heb ik vrijzinnigen, gematigd-rechtzinnigen, rechtzinnigen en ultra-rechtzinnigen in de kerk, en daarbij mensen uit de gereformeerde kerk, de christelijke gereformeerde kerk, de gereformeerde gemeente, en wie weet waarvandaan nog meer. Discriminatie ten opzichte van ras en huidskleur heb ik ook niet, zover ik weet. Dus heb ik wel ergens iets van een oecumenisch gevoel. Maar aan een oecumenisch streven heb ik, om de een of andere reden nooit mee kunnen doen. Ik verlang helemaal niet naar een hereniging met de gereformeerde kerken. Ik wil die ook niet. Ze is voor mij zelfs een onmogelijkheid. Je kunt niet tot één maken wat niet werkelijk één is, en je moet het ook niet proberen. Je kunt met elkaar samenleven, je kunt het goede voor elkaar zoeken, je kunt dat van de ander uitnemender achten dan van je zelf. Maar niets of niemand kan wat eenmaal gescheurd is weer werkelijk tot één maken. Waarschijnlijk kan God het niet eens, omdat Hij het ergens niet wil. Hij heeft Israël en Juda nooit weer herenigd, en Hij heeft ook met toegelaten, dat het gebeurde. Hij kan alleen een nieuwe eenheid scheppen, en dat zal Hij ook zeker doen op Zijn tijd en naar Zijn welbehagen, maar niet door ons menselijk pogen. Dat de Wereldraad van Kerken doet wat zij doet vind ik prima. Iets dergelijks moet er zijn, en wat mij betreft mag zij daarin veel verder gaan dan zij nu gaat. Maar de ware eenheid van de Kerk is alleen uit Godzelf vandaan, en wat deze bedeling betreft slechts een zaak van geloof en wat het beleven ervan betreft alleen van de liefde, die rechtstreeks uit God is. En daarin is er die éénheid, zonder meer, hier en nu: Die hoeft er niet meer te komen, maar die is er.' Die is er over alle kerkmuren heen en dwars door alle verscheurdheid heen. En daarom zal ze er ook komen en is ze bezig te komen. Het zal worden één kudde en één herder. De Heere Zelf zal naar Zijn schapen vragen, die verstrooid zijn ten dage der wolke en der donkerheid. Naar die eenheid verlangen al Gods kinderen, en zij beleven die ook. Met de Kerk op aarde én met de Kerk in de hemel. Met de laatste zelfs meer dan met de eerste. Zo ligt het althans bij mij.
Van een uiterlijke éénheid merk ik niet veel, en bij alle pogingen in de richting van de oecumene wordt de verdeeldheid alleen maar erger. Maar in al die kerkelijke narigheid en akeligheid groeit het verlangen naar het ogenblik waarin alle kerken verdwenen zullen zijn, als vervuld zal worden: 'En ik zag geen tempel in dezelve, want de Almachtige is haar Tempel en het Lam.'
De dood
Zou ds. Doornenbal een litterator geweest zijn, dan zou ongetwijfeld de dood in wat hij schreef een belangrijke plaats hebben gehad. Uitgebreid schreef hij over begrafenissen en uitgebreid schreef hij ook over mensen, die gestorven waren, veraf en dichtbij. Ik denk, dat ds. Doornenbal daarbij overigens éérder geestelijk leven speurde dan velen van degenen over wie hij ook zo dierbaar kon schrijven. Een niet alledaagse mildheid kwam er over hem als hij een terugblik gaf op het leven van zijn gemeenteleden. Men vindt het in de stukken, die in dit boek zijn opgenomen terug. Maar intussen was geen enkel in-memoriam gelijk aan een ander. De mens, de aparte mens, werd apart getekend. In dat alles lag grote originaliteit.
Geen beoordeling
Ik ga geen beoordeling geven van dit stukje nalatenschap van ds. Doornenbal. Zo, zoals hij schreef was hij. Een bevindelijke inslag, die geheel verbonden was met een natuur lyriek en bovendien met een sterke melancholie. Dat moet samen genoemd worden als het gaat om wat ds. Doornenbal schreef. Ik herinner me een preek van hem in de periode, die lag tussen het aannemen van een beroep naar Arnemuiden en het tóch weer bedanken. Het was in Ridderkerk op een avond in de Singelkerk voor de GZB. 'Onder de kruisbanier', was het thema. Als de man, die zo vaak over zijn eigen zwaarmoedigheid schreef, dan ooit een keer erboven uit was maar dan wel in Christus dan toch wel toen. Het begin van de preek was overigens een beschrijving van de ondergaande zon met een blik in de hemel tijdens de tocht over de Veluwe. Ik moet eerlijk zeggen dat ik die avond onvergetelijk heb gevonden en ik de preek nog meermalen via de band beluisterde. En warempel is die avond kennelijk ook een kerkbode verhaal geworden, compleet met de ondergaande zon, maar dan vooral geschreven vanuit 'de volheid en zaligheid' , die te groter is, 'naarmate onze nood en strijd zwaarder en smartelijker zijn'. Het beloofde afscheid van de Veluwe was toen kennelijk gepaard gegaan met een situatie van 'ellende, duisternis en hartepijn'.
Wat hij dan over de kerkdienst schrijft volgt hier:
'En na deze tocht de dienst in de kerk, ook goed en stil. Er was een volk dat luisterde, dat zonder twijfel had uitgezien en gehongerd naar het Woord des Heeren, en dan gebeurt het soms, tegen eigen verwachting in, dat dat Woord mag opengaan, dat er bediening is van boven, altijd als een genade, want het is nooit uit onszelf. Dan is er contact met de mensen, die je niet kent, maar waarvan je vermoedt en weet, dat er onder zijn bij wie de snaren van het hart mee gaan trillen onder de beluistering. En dan kun je jezelf kwijt en wordt het wonder van zo'n avond alleen maar te voller, de vreugde van de reis wordt omgezet in een dieper en inniger vreugde doordat ze haar grondslag krijgt in de vestigheden van het Woord des Heeren en daarin 't uitzicht geopend wordt op de eeuwige vreugde en vrede, die het deel zal zijn van de Kerk des Heeren in het Vrederijk van Immanuël, de Vredevorst, Die staan zal tot een banier der volkeri en Zijn rust zal heerlijk zijn. Zelfs waar de vijand aankomt als een storm en alle baren en golven van strijd en bestrijding gaan over onze ziel, wordt daar de rust geschonken als een voorsmaak van de eeuwige vreugde in heerlijkheid, waarin de strijd voor altijd zal zijn uitgestreden en de vrede van Sions kinderen groot zal zijn.
Schrijver
Doornenbal was geen theoloog. Dat wilde hij ook niet zijn. Als een Christelijke Gereformeerde collega een kerkdienst van hem bezocht en schrijft dat het hem exegetisch zo tegenviel, dan antwoordt Doornenbal dat hij hem dat van te voren wel had kunnen vertellen. Hij zou in zijn stukken dan ook nooit leiding geven vanuit de Belijdenis der kerk, vanuit de dogmatiek, vanuit de leer. Het was meer zijn gevoelig reageren op gevoelig geestelijk leven. De bekommering des harten, het heimwee, het 'ach wanneer' vonden hun uiting in gevoelige bewoordingen. Dat vinden we terug in deze stukken, die daarom nooit model kunnen staan voor hoe het moet in prediking en pastoraat. Daarvoor waren ze teveel persoonlijk getoonzet en mede bepaald door de karakterstructuur van Doornenbal.
Als ik dan toch een korte typering wagen mag, dan geloof ik dat te zeggen is, dat bij hem in wat hij schreef de hang naar. het 'arme en ellendige volk' en het zicht op 'de moderne mens' om de voorrangstreden. Overigens kon hij ook met een zekere humor spreken over dat arme en ellendige volk, dat naar hij zei zo moeilijk meer te vinden was in Zeeland, omdat ze allemaal in een dure Mercedes reden.
Ontplooiing
Mij trof zijn pleidooi voor de ontplooiingsmogelijkheid van de persoonlijkheid.
'Anders komt er de innerlijke verstarring, en dat is 't ergste. Wij blijven dan in het gangbare gareel en laten ons er bij de eerste de beste poging om tot meer vrijheid door te breken, in terugstaan. Dan houden wij ons aan de oude paden, spreken en doen alleen maar wat van ons verwacht wordt zonder ooit meer onszelf te kunnen zijn, worden innerlijk verbitterd en kunnen niet of niemand meer liefhebben, omdat we nu eenmaal niet kunnen liefhebben wat ons hindert in onze vrijheid, we geloven tenslotte nergens meer aan, en worden zo sarcastisch als de duivel zelf. Ik ken zulke mensen.
Ook zulke dominees. Ze zijn niet te benijden. Een mens, ook een dominee, moet zijn vrijheid houden en zich ontplooien kunnen volgens zijn aanleg en zoals het Gods bedoeling is. Wat kan het voor nut hebben als hij blijft, die hij is en alleen maar doet wat de publieke opinie van hem verwacht, en als hij vasthoudt aan vormen waarvan hij innerlijk allang los is geraakt? Wij moeten op z'n tijd bereid zijn prijs te geven wat verouderd is en niet meer bij ons past, ook al staat de hele boel een tijdlang op zijn grondvesten te schokken en te schudden.
Ik weet wel, dat vooral een dominee maar niet alles kan doen en zeggen wat in zijn hersens opkomt. Altijd weer moet hij veel verloochenen en ook zichzelf verloochenen, terwille van de kleinen en van de zaak, die hij dient. Maar niet ten koste van alles. En zeker niet terwille van de publieke opinie. Dan zou hij misschien ten koste van alles zijn goeie naam als dominee behouden, maar hij zou zijn ziel in alle eeuwigheid verliezen.'
En wat te denken van de volgende, overigens rake, fulminering tegen de noodgemeenten op de Veluwe;
'En de synode met haar gevloekte kerkpolitiek doet alles om de tegenstellingen op de Veluwe op de spits te drijven. Door het instituut der nevenpastoraten worden de oude Hervormde gemeenten opgesplitst en wordt de breuk tussen de richtingen ónheelbaar. In één plaats komen nu twee Hervormde gemeenten in onverzoenlijke vijandschap tegenover elkaar.
Een midden-ortodoxe van. de nieuwere stijl met haar belachelijke geloof in Jezus - neemt-de-zondaars-aan. En een oorspronkelijke Veluwse, die steeds meer terugvalt op haar oude tradities en ideologieën. Van een wederkerige beïnvloeding ten goede kan in zo'n toestand zeker wel nooit meer sprake zijn. Waarbij nog komt, dat ook op de Veluwe velen de strijd moe worden en zich terugtrekken in afgescheiden groepjes en daarin ondergaan in geestelijke onvruchtbaarheid zowel voor zichzelf als voor het geheel der Kerk. Ik hoop, dat ik de toestand te somber zie, maar ik vrees, en het doet mij leed - en velen! terwille van de Veluwse en haar volk.
Een gezonde gemeenschap, hoorde ik laatst zeggen, is daar waar geen tegenstelling is tussen het oudere en het jongere geslacht, waar de jeugd voortgaat in de wegen van het voorgeslacht, en de overgang tot de nieuwe tijd zich ongemerkt voltrekt'.
1 februari
Ik sluit de aankondiging van dit niet te bespreken boek af met wat ds. Doornenbal schreef naar aanleiding van de watersnoodramp van 1953. En dit temeer omdat het volgende week 25 jaar geleden is dat deze ramp plaats vond. Ook hier weer een wijze van beschrijving die 'typisch' is voor Doornenbal. Hij schrijft:
'Intussen weet ik, dat er ook iets anders is, dat in dit alles Gods roepstemmen uitgaan tot vaderland en volk en dat Zijn kastijdingen er in zijn vanwege onze zonden. 'De stem des Heeren roept tot de stad... hoort de roede en Die, die ze besteld heeft'. Het woord 'oordelen' durf ik nauwelijks gebruiken. Ik heb het zó vaak moeten aanhoren in de heengegane jaren, dat ik het haast niet meer horen kan en 't nauwelijks over mijn lippen kan krijgen. Elke godsdienstig mens praatte over 'oordelen'. vooral die er het minste onder te lijden had. En nog steeds als 't een paar weken droogt, dan hoor je 't alweer, en als 't dan weer wat veel' regent idem. En ik ben al weer bang, dat het nu net zo gaan zal en dat ik het weer aan zal moeten horen in deze weken in elk kerkelijk huisgezin, waar ik kom, tot ik er naan van word. We moesten wat voorzichtig zijn met al die grote woorden en niet van oordelen spreken, als we er geen indruk van hebben en er niet in beginsel mee onder God komen. Overigens, als 't zo wordt dan wordt 't praten wel minder. En toch blijft het waar, dat in deze rampen de stem des Heeren tot ons uitgaat. Dat verdronken land, met zoveel verdronken mensen en beesten, ze zijn een getuigenis van de kracht des Allerhoogsten en van Zijn ijver en gramschap en mogendheid. En vaderland en volk mochten haar verstaan en opmerken en in weedom des harten en bitter rouwklagen weerkeren tot die God, die wij verlaten hebben, opdat Zijn ganse toorn niet eerlang over ons uitgegoten worde en ons rijk gezegend land niet weer teruggegeven wordt aan de golven, waaraan de vaderen het ontworsteld hebben aan de vloedgolf van de vijand, die wellicht gereed staat om op te trekken. Wij hebben weer duidelijk kunnen zien, dat dit alles werkelijk niet denkbeeldig is...'
Jac. Overeem: Gedachtenis tot Zegening; Uitgave De Banier, Utreclit, 207 pagina's, ƒ 24, 50.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 januari 1978
De Waarheidsvriend | 14 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 januari 1978
De Waarheidsvriend | 14 Pagina's