Literatuur en ethiek
Hebben we bij de beoordeling van literaire werken alleen maar te maken met criteria vanuit de kunst óf zijn hierbij ook levensbeschouwelijke elementen in het geding? Als een boek grote vakkundigheid verraadt, is het dan uitsluitend om die reden goed te noemen? Is elk boek waarin de schrijver blijk geeft van briljant taalgebruik en compositievermogen, aanvaardbaar voor de christelijke school? Dit zijn vragen die bij een docent leven die zich niet alleen leraar, maar ook opvoeder voelt. Het zijn vragen die menige vader en moeder stellen, als ze zien wat hun kinderen bij het voortgezet onderwijs 'voor de lijst' moeten lezen.
Brieven die bij de redactie van dit blad binnenkomen, bewijzen duidelijk dat het literatuuronderwijs ouders met zorg kan vervullen. Moeten er geen grenzen getrokken worden, en zo ja, waar en wanneer?
Met bovenstaande vragen zitten we midden in de problematiek van de verhouding tussen literatuur en ethiek. Reeds diverse malen is in dit blad over dat onderwerp geschreven. Opnieuw vraag ik er uw aandacht voor en dit naar aanleiding van een belangrijke publikatie die dit jaar door het Boekencentrum op de markt word gebracht. Het boek heet: Literatuur en ethiek. Behalve de redacteur H. van der Ent hebben nog tien andere scribenten hun bijdrage aan de bundel geleverd. Van hen noem ik prof. dr. P. J. Roscam Abbing, prof. dr. J. Bosch, dr. O. Jager, dr. Auke Jelsma, dr. C. Rijnsdorp en prof. dr. W. H. Velema.
Niet gemakkelijk, wel belangrijk
De elf auteurs opereren vanuit verschillende invalshoeken. Die verscheidenheid in benadering is een gevolg van eigen studierichting (theologie, filosofie of literatuurwetenschap), van eigen geloofsovertuiging (roomskatholiek, gereformeerd, christelijk gereformeerd) of van eigen belangstelling en voorkeur. Die verscheidenheid én de veelheid aan termen en onderscheidingen maken het boek niet gemakkelijk. De auteurs hanteren de stelregel dat je niet mag scheiden wat bij elkaar hoort, een kunstwerk is een ingewikkelde eenheid van vorm en inhoud maar dat je wel mag onderscheiden. Dat laatste wordt dan ook duchtig gedaan.
Kortom: geen gemakkelijk boek. Een aantal bijdragen lijkt mij voor de niet-vakman moeilijk verteerbaar. Maar een boek dat niet eenvoudig is, hoeft niet het etiket 'onbelangrijk' te krijgen. Zeker om twee redenen zou ik Literatuur en ethiek een belangrijk boek willen noemen: in de eerste plaats omdat op vele plaatsen op gefundeerde wijze wordt aangetoond dat literatuur en ethiek niet van elkaar zijn los te koppelen, en in de tweede plaats omdat verschillende auteurs het christelijk onderwijs nadrukkelijk betrekken bij de behandelde problematiek.
Gemeenschappelijkheid en verschil
Alle auteurs, hoe gevarieerd ook in hun benadering en uitgangspunten, zijn het erover eens dat kunst en levensbeschouwing niet twee geïsoleerde gebieden zijn, maar elkaar wederzijds beïnvloeden en doordringen. Rijnsdorp zegt: 'Het levensbeschouwelijk element in een kunstwerk is er altijd'. En Roscam Abbing: 'Daarom bevat literatuur altijd een visie, een overtuiging, een boodschap. Die boodschap wordt niet toegevoegd aan een beschreven werkelijkheid, maar erin opgenomen'.
Maar de algemene erkenning van het raakvlak tussen ethiek en literatuur leidt niet tot gemeenschappelijke conclusies! Gezien het verschil in geestelijke signatuur en kerkelijke achtergrond van de scribenten was dat ook niet te verwachten. Het duidelijkst komen de tegenstellingen naar voren, als we de bijdrage van dr. O. Jager leggen naast die van prof. W. H. Velema. Jager richt de spits van zijn betoog vooral op wat hij noemt de bedenkelijke neiging tot moraliseren bij theologen die zich met literatuur bezighouden. Hij voert een pleidooi voor wijde grenzen, voor een afleggen van 'dogmatische hoogmoed' en een opruimen van alle bekrompenheid, want, zegt hij: God is ruimhartig en 'God wil wel eens wat anders'. Jager wil, met uitzondering van fascistische, rascistische en pornografische geschriften-alle literatuur positief benaderen, hoe negatief de uitkomst ook is.
Velema wijst de visie van Jager nadrukkelijk af. Hij pleit voor een kritischer houding tegenover het kunstwerk. Hij wil niet betuttelen, niet de zedemeester spelen, maar wel moraliseren in de goede zin van het woord. Dit houdt in: het aanleggen van normen die in elk geval algemeen menselijk zijn. Zo komt Velema dan tot de volgende uitspraak: 'Men kan ethisch gezien tegen een boek hartgrondig neen (moeten) zeggen. Ik vind het niet afkeurenswaardig dat publiekelijk uit te spreken. Waar de tendens van de roman is een pleidooi voor manipulatie met macht, of waar het huwelijk als een ondeugd wordt voorgesteld of waar de sfeer doortrokken is van de vervloeking van God, wordt er een zedelijk klimaat geschapen waarin niet kan ademen wie naar andere normen leeft'. Ook Velema wil de kunstenaar en de docent bij het christelijk onderwijs ruimte geven, maar zijn ruimte is kleiner dan die bij Jager. Ik zou zeggen: principieel kleiner. Ik wil er geen geheim van maken dat ik me persoonlijk beter thuis voel in de ruimte die Velema afbakent dan in de wijdere van Jager.
Verantwoordelijkheid
Een docent Nederlands bij het voortgezet onderwijs staat voor een uiterst moeilijke opdracht. Enerzijds heeft hij ervoor te zorgen dat hij lesgeeft in literatuur. Dat betekent dat de werken die hij behandelt of aanprijst, van een bepaald niveau dienen te zijn, en dat niveau wordt in belangrijke mate bepaald door taalgebruik-woordkeus, zinsbouw-, beeldspraak, compositie, karaktertekening, enz. Ik meen dat Ad den Besten gelijk heeft als hij in Dichten als daad opmerkt dat bij een hterair werk formele maatstaven beslissend zijn. Anderzijds dient diezelfde docent zijn lessen te plaatsen binnen het kader van het christelijk onderwijs. Voor een docent die ziet dat hij ook een opvoedende taak heeft, liggen hier duidelijke konsekwenties. Dat betekent niet dat hij alles wat niet christelijk is, omzeilt. Het christelijk onderwijs hoeft geen kiekeboe te spelen. Literatuur kan een uitstekend middel zijn om de eigen tijd te verstaan. Het betekent m.i. wél, dat een docent er niet aan ontkomt dat hij een bepaalde selectie toepast. Er bestaat literatuur - knap geschreven! - die zó stuitend en walgelijk is, dat deze op de christelijke school niet thuishoort. Er is een belangrijk gradueel verschil tussen niet-christelijk en antichristelijk.
Ik ben bijzonder blij met liet feit dat verscheidene auteurs in de bundel Literatuur en ethiek wijzen op de verantwoordelijkheid van het christelijk onderwijs. Hierboven noemde ik al de bijdrage van prof. dr. W. H. Velema, maar ook bij andere auteurs klinkt dezelfde zorg door. In de artikelen van o.m. dr. Auke Jelsma, H. van der Ent en prof. dr. J. Bosch is nadrukkelijk sprake van grenzen. Zo schrijft Jelsma dat een auteur-hij is zelf behalve theoloog ook auteur van verhalen - over de schreef gaat, als hij onmenselijkheid als het normale voorstelt: 'Zo wil ik niet schrijven, zelfs, al zou ik het kunnen. Zulke verhalen wil ik eigenlijk niet lezen. Ze roepen mijn weerzin op. 'Leraren Nederlands moeten z.i. de aandacht van de leerlingen vooral vestigen op werk dat 'werkelijk de moeite waard' is.
Prof. dr. J. Bosch, emeritis-hoogleraar aan de V.U., spreekt in zijn uitstekend betoog uit dat er literatuur bestaat met zo'n botte godslastering, dat hij zich lichamelijk geschokt voelt en dat 'iedere bewondering sterft'.
H. van der Ent tenslotte, zelf leraar bij het voortgezet onderwijs, stelt dat een kunstwerk om instemming of verwerping vraagt. Die ethische verwerping dient plaats te vinden. wanneer normen als rechtvaardigheid en liefde met voeten worden getreden. Als literatuur niet waardevrij is, kan literatuuronderwijs dat evenmin zijn. Hij ziet de taak van de docent vooral hierin dat deze d.m.v. zijn literatuuronderwijs de leerling ertoe brengt een standpunt te bepalen tegenover de ethiek, de levensbeschouwing die een literair werk uitstraalt. Bij die standpuntbepaling zal hij leiding moeten geven. Letterlijk schrijft Van der End: 'We hopen dat het christelijk onderwijs in dezen zijn taak nog verstaat. Want een school waarin de leraar zich tevreden stelt met het onderzoeken van een letterkundig werk als een autonoom, op zich zelf staand geheel, waarin het hem gaat om de onderlinge relaties van de elementen binnen het taalspel, doet te weinig'. Een vraag van mij is: hoeveel docenten bij het christelijk onderwijs zullen in dit opzicht te weinig dóen?
Conclusies
Het besproken boek biedt veel materiaal. Er staan uitstekende bijdragen in. Ik wens het in elk geval iedere docent in handen die zich met literatuur bezighoudt. Hoe verschillend de bijdragen ook zijn het is zaak om met onderscheid te lezen! Na het doornemen van de omvangrijke bundel kan geen enkele docent meer om het feit heen dat literatuur meer kanten heeft dan alleen het esthetische. Goed bruikbaar acht ik de onderscheiding van Roscam Abbing die drieërlei waarden of facetten van het litaraire werk noemt: schoonheid, waarheid (d.w.z. doorlichting en verheldering van de werkelijkheid) en goedheid (de ethische categorie van gbed en kwaad).
Het boek lost de problematiek bij het christelijk onderwijs niet op. Wél kan Literatuur en ethiek een goede dienst bewijzen bij het bewust maken en 'opscherpen' van de verantwoordelijkheid die elke docent heeft. Het christelijk onderwijs staat of valt en dat geldt in heel bijzondere mate voor het onderwijs in literatuur met de wijze waarop de docent aan zijn verantwoordelijkheid gestalte geeft.
H. van der Ent e.a.: Literatuur en ethiek. Uitg. Boekencentrum B.V. 's Gravenhage 1977. Gebonden. ƒ 30, -
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 februari 1978
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 februari 1978
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's