De roeping
4
Nu nog onze belijdenisgeschriften. Hoe summier ook de gegevens in de Ned! Geloofsbelijdenis zijn, zij ademen geheel de geest van Calvijn. In art. 24 lezen wij dat het ware geloof is door het horen van het Woord en de werking van de Heilige Geest. Een twee-eenheid dus van Woord en Geest. In datzelfde art. wordt de wedergeboorte getekend als een vrucht van het geloof. Dit geloof doet de mens wedergeboren worden en maakt hem tot een nieuwe mens, staat er. In art. 35 staat dat nogmaals: De wedergeboorte geschiedt door het Woord van het Evangelie. Ten aanzien van het hóe volstaat de Ned. Geloofsbelijdenis met op te merken, in art. 35, dat de werking van Gods Geest verborgen is en ondoorgrondelijk.
In de Heidelbergse Catechismus wordt nog beknopter over de zaak gesproken. In Zondag 21 lezen wij dat Christus door Zijn Geest en Woord zijn gemeente vergadert, en in Zondag 25 dat de Heilige Geest in onze harten het geloof werkt door de verkondiging van het Evangelie. Dit alles is typisch reformatorisch.
Dordtse leerregels
Als laatste noemen wij de Dordtse Leerregels. Ontstaan, zoals bekend is, uit de strijd met de Remonstranten. Enkele trekken uit de remonstrantse leer van de roeping zijn deze: Het Woord Gods heeft slechts een zedelijke, aanradende kracht, het stelt de mensen het heil voor, meer niet. Het ligt aan de mens zélf het aan te nemen of niet. Dit aannemen, deze daad des geloofs, is actueel; de ene daad van het aannemen kan door de andere van het verwer pen ongedaan worden gemaakt. Zekerheid is er niet. In grove trekken is dit hetgeen de remonstranten leerden. Een vernieuwing van het oude pelaianisme.
Deze leer der remonstranten heeft onze vaderen pelagianisme.
zich nader op de materie te bezinnen. Zij bleven daarbij volkomen in het spoor der reformatoren, hebben slechts op één punt de zaak toegespitst. Zij zijn onderscheid gaan maken tussen de habitus, hebbelijkheid des geloofs en de actus, de dadelijkheid des geloofs. Niet om die twee te scheiden; zij werden alleen onderscheiden. Dat is het nieuwe, ten aanzien van ons onderwerp in de Dordtse Leerregels. Wij beginnen met wat zij gemeen hebben met Calvijn en de oudere confessies. In hfdst. I wordt gesproken over het aannemen en verwerpen van het Evangelie; en daarna komt de verkiezing aan de orde (6). Dus een spreken over de verkiezing a posteriori (achteraf). Hetzelfde vindt men in par 12 (hfdst. I) waar geleerd wordt dat men uit de vruchten verzekerd kan zijn van zijn verkiezing; dus een opklimmen vanuit het werk van de Geest, de roeping, tot de verkiezing. Naar analogie van het Schriftwoord dat wij onze roeping (die eerst) en onze verkiezing moeten vastmaken. Hetzelfde denken a posteriori vindt men ook in de hfdst. III/IV.IO. Daar wordt de vraag gesteld waar het geloof vandaan komt en als antwoord daarop wordt dan gewezen op het werk van de Geest. Zoals Calvijn wilde opklimmen van het geloof tot het werk des Geestes, zo ook onze Dordtse vaderen. De volgorde is: Het Evangelie preken, met bevel van bekering en geloof; het Evangelie aannemen in geloof, en daar dan uit opmaken dat dit het werk des Geestes is. Door deze methode hebben onze vaderen willen voorkomen dat vanuit de doodslaat van de mens (die voluit beleden wordt) a priori de verkondiging van het Evangelie krachteloos wordt gemaakt.
Nauw op elkaar betrokken
Wat betreft de verhouding Woord en Geest, ook de Dordtse vaderen hebben die nauw op elkaar betrokken. De uitverkorenen worden door Woord en Geest geroepen (1.7). Wat het licht der natuur en de Wet niet kunnen doen dat doet God door de kracht van de Heilige Geest en door het Woord (III/IV.6). Heel kras is wat er staat in III/IV. 17 'Door de vermaningen wordt de genade medegedeeld'. Het doet denken aan regels uit Ps. 68 : 14 Uw God, o Israël heeft de kracht, door Zijn bevel u toegebracht.
Nadrukkelijk stellen de Dordtse vaderen dat eenzelfde Woord, ofwel roeping tot allen uitgaat. In II.5 staat dat alle mensen, zonder onderscheid, het Evangelie verkondigd moet worden met bevel van bekering en geloof. En wat is dan de inhoud van die evangelieprediking? Er staat: de belofte Gods: wie gelooft heeft het eeuwige leven (II.5). Elders staat: Allen worden door het Evangelie ernstig en waarachtiglijk geroepen. God wil dat allen tot Hem komen en Hij belooft allen die tot hem komen en geloven de rust der zielen en het eeuwige leven (III/IV.8). Op een weer andere plaats staat; Christus wordt door het Evangelie allen aangeboden.
Dr. C. Steenblok
Het heeft mij diep getroffen op welke manier dr. Steenblok getracht heeft zich van deze toch zo duidelijke uitspraak te ontdoen. Hij zegt (het boek De bestaansgrond van onze gemeenten): in het latijn staat hier 'oblatus' en oblatus betekent: voorstellen, aanwijzen, meer niet! Ik merk hierbij op: deze vertaling is een foefje; maar wat nog erger is, het moet Steenblok toch wel bekend zijn geweest dat naast de latijnse tekst van de Leerregels gelijktijdig een nederlandse geautoriseerde tekst in het licht is gegeven en daarin staat in elk geval 'aanbieden'. Onze vaderen hebben zonder meer bedoeld: het aanbieden van de genade, het aanbieden van Christus; evenwel: met aandrang op geloof en bekering.
Nu de uitwerking van dit alles, volgens de Dordtse Leerregels. Als men het daarover heeft wordt allereerst beleden, dat men aan het Woord alleen, het Woord op zich niet genoeg heeft. De wedergeboorte wordt in ons niet teweeggebracht door de uiterlijke prediking alleen. (III/IV. 12) Men lette er op, er staat: de uiterlijke prediking alléén. Duidelijk is hier het verweer tegen de Remonstranteen. Die meenden dat een uiterlijke prediicing alleen genoeg was; de rest moet de mens zelf doen. Maar zo ontkent men de machteloosheid van de zondaar, dat hij van nature dood is in zonden en misdaden en zo ontkent men ook het werk des Geestes. Krachtig zijn de Dordtse Leerregels in het belijden van het werk van de Geest in zondaarsharten. Dan spreken zij van een niet te begrijpen wonder, van een opwekking uit de doden, van een verlichting van het verstand, van een openen van het hart, van een totale wedergeboorte, van een algehele vernieuwing. En dat geschiedt dan door een krachtige werking, een bovennatuurlijk werk van Gods Geest.
Nieuwe hoedanigheden
En in dat verband vallen dan ook de woorden: Hij stort nieuwe hoedanigheden in de wil (II/IV. 11) en staat er ook dat het geloof wordt ingegeven en ingestort (id. 14). Weerlegd wordt dan verder de mening van hen die zeggen dat in de ware bekering van de mens hem geen nieuwe hoedanigheden, krachten of gaven in de wil door God ingestort kunnen worden, etc. (6). Wij menen dat onze vaderen met dit stellen de uiterste grens van wat te belijden valt bereikt hebben. Wat de zaak betreft zijn zij geen stap verder gegaan dan de reformatoren gedaan hebben, wat hun formulering betreft wel. Welk reformatorisch christen zou niet van harte willen instemmen met wat hier beleden wordt aangaande deze krachtige en bovennatuurlijke werking van Gods Geest, en de gevolgen daarvan: een totale vernieuwing, wedergeboorte? De vraag is alleen of men dat moet uitdrukken met de woorden: habituele genade, een habitueel geloof (hebbelijke genade, hebbelijk geloof). De reformatoren hebben deze terminologie ontweken en toch zal niemand hen durven verwijten dat zij pelagianen waren.
Persoonlijk kan ik vrede hebben met deze terminologie, mits deze dan ook blijft bestaan binnen dezelfde context waarin zij staat in de Dordtse Leerregels: de tweeëenheid van Woord en Geest. Voor een latere ontwikkeling waarin de ingestorte genade losgemaakt, geabstraheerd werd van de verkondiging van het Woord Gods en de bediening des Geestes daarin, waardoor de wedergeboorte niet meer gezien werd als een vrucht van het geloof, maar beginsel (principium) werd van een geheel eigen heilsorde (ordo salutis), opkomend vanuit de wedergeboorte, met alle gevolgen daarvan voor het kerkelijke leven dat ontaardde in sectarisme, zijn onze Dordtse vaderen niet aansprakelijk te stellen.
Het moge ook onze aandacht niet ontgaan dat in hfdst. III/IV waar zo uitvoerig over de bekering gesproken wordt, toch niet een bepaalde bekeringsweg wordt uitgestippeld, laat staan voorgeschreven.
Conclusies
Ik wil mijn lezing afsluiten met twee opmerkingen. Binnen de Geref. traditie hebben zich voortdurend twee gevaren afgetekend. Men maakte soms Woord en Geest van elkaar los. Het Woord werd gezien als een dode letter. Er werd over het werk des Geestes gesproken in termen van onmiddellijkheid. Het geestelijke leven ging zich bewegen buiten de kerk, buiten de prediking, buiten het gebruik der sacramenten. Men gevoelde zich soms dé vertegenwoordigers van de Geref. waarheid, en besefte niet hoe ver men zelfs was afgeweken. De verkiezing werd een a priori, de voorstelling die men had van het werk des Geestes werd ook een a priori; de bepaalde bekeringsweg werd eveneens een a priori. Men werd doof voor het levend getuigenis van de Schrift. Men zette alle teksten in het zelfontworpen of van anderen overgekomen kader. Als men sprak over de natuurstaat van de mens was men gereformeerd, als men sprak over het Woord Gods was men pelagiaans. Wat iemand als dr. Steenblok over het Woord Gods beweerd heeft, is onvervalst pelagiaans. De zielen komen dan onder het juk. Dit is de dood voor alle gereformeerde theologie, en wat nog erger is voor alle geestelijk leven. Men lijkt het te bewaren en te handhaven, maar men wringt het in het keurslijf van de dood.
Aan de andere kant heeft zich onder ons ook weleens het gevaar voorgedaan, dat men teveel in de eenheid van roeping Gods bleef steken, dat men zelfs a posteriori (opklimmenderwijs) durfde spreken over het werk van de Geest, of dat dat spreken over het werk van de Geest te schraal bleef. Woeldering heeft, zoals ieder bekend is al in zijn hoék]Q Bezwaren tegen de doperse geestestroming, de spot gedreven met alle onderscheidingen; en daardoor hun goed recht ontkend. Als men dat doet dreigt het gevaar (ik signaleer 'n gevaar, verder ga ik niet) alleen de algemene roeping vocatio universalis) over te houden, en daarmee corresponderend een verkiezing zonder verwerping. De eenheid praevaleert dan dusdanig dat nergens meer een breuk kan worden geconstateerd; waarbij dan ook de totale verdorvenheid van de mens die een totale wedergeboorte vereist uit het gezichtsveld verdwijnt. In de prediking gaat elk onderscheidend element ontbreken. En in de kerkelijke praxis gaat men óp in wijde ruimte van de hervormde kerk, waardoor men vervreemd raakt van allen die in die kerk om des geloofs wil en omwille van de prediking menen een eigen geluid, nl. dat van de belijdenis der kerk te moeten laten horen. Ook deze verhouding is verderfelijk voor de zielen die ons toevertrouwd zijn, voor de gemeente die wij dienen en voor de kerk waarin wij staan.
De roeping tot het ambt, vraagt van ons dat wij ook zelf kennen de roeping Gods tot het heil, in haar tweevoudigheid en haar ook zo in praktijk brengen in prediking en kerkelijke houding. Niet twéé roepingen, ook niet slechts een vocatio universalis, (een algemene roeping) maar een tweevoudige roeping (vocatio duplex)!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 februari 1978
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 februari 1978
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's