De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De culturele schatkamers van de 17e eeuw

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De culturele schatkamers van de 17e eeuw

7 minuten leestijd

Als protestanten doen we niet aan heiligenverering, als het goed is. We mogen ook nooit een bepaalde periode uit onze geschiedenis als een soort paradijs gaan tekenen. Mensen maken geen paradijzen. Dat neemt niet weg, dat we soms - terecht-met een zekere voorkeur en voorliefde kunnen kijken naar bepaalde tijdvakken in onze geschiedenis. Zo'n tijdvak is zeker de 17e eeuw: geen paradijs, wél een tijd waarin kunsten en wetenschappen bloeiden en waarin waarlijk grote figuren vanuit hun christelijke levensvisie hebben geleefd en gewerkt: kunstenaars, die gedreven door hun christelijke overtuiging de aarde hebben bewerkt als een akker, die het kouter (is ploegijzer) van hun talenten in de aarde hebben gegooid. (Ons woord cultuur hangt samen met het Latijnse cultus en cultura d. w.z. beschouwing, bewerking. Het woord kouter houdt daar ook verband mee).

Het is daarom een verheugend verschijnsel dat de laatste jaren een groeiende belangstelling valt te constateren voor onze grote christelijke dichters uit de 17e eeuw. Ik denk hierbij aan Jacob Revius, Constantijn Huygens, Jan Luyken en in wat mindere mate aan Jacob Cats, die kwalitatief gezien de minste is van deze vier. Vooral de uitgevers Buijten & Schipperheijn en De Banier moeten hier genoemd worden, omdat zij belangrijk werk opnieuw hebben uitgegeven. De Over-Ysselsche-Sangen en Dichten van Jacob Revius (1586-1658) en enkele belangrijke studies over hem zagen (opnieuw) het licht. Ook Jan Luyken (1649-1712) krijgt weer alle aandacht: de uitgever De Banier is bezig het grootste deel van zijn werk te herdrukken. Diverse uitgaven van deze diepe gelovige - zij het niet strikt calvinistische -dichter zijn reeds verschenen.

Van Jacob Cats (1577-1660), die najaar 1977 in zijn geboorteplaats Brouwershaven is herdacht, is eveneens weer een deel van diens omvangrijk werk verkrijgbaar. Hij behoorde tot de meest gelezen schrijvers in de 17e eeuw, vooral door zijn eenvoudig taalgebruik en de keuze van zijn onderwerpen. Het is algemeen bekend, dat de dichtwerken van 'vader Cats' in het christelijk gezin van de 17e eeuw naast de Statenbijbel op de boekenplank stonden.

Met Constantijn Huygens (1596-1687) is het altijd anders geweest dan met Cats: hij heeft nooit een brede lezerskring gehad. Daarvoor schreef hij te moeilijk, te gedrongen, te puntig. Toch verdient ook hij alle aandacht, juist in onze tijd: om zijn visie op het leven en de aardse werkelijkheid én om zijn dichterlijk oeuvre waarin hij deze visie op tal van plaatsen heeft neergelegd.

Met name dr. L. Strengholt -sinds kort hoogleraar in de Nederlandse letterkunde vóór 1770 aan de Vrije Universiteit te Amsterdamis een voortreffelijk promotor van Huygens' werk. Hij heeft begrepen dat Huygens een boodschap heeft juist voor de mens van nu, die steeds meer de aardse werkelijkheid verabsoluteert en losmaakt van God. Strengholt promoveerde in 1976 met een proefschrift over Huygem, Huygens-studies geheten, uiteraard een zeer specialistisch werk. Bijzonder interessant is zijn rede Dromen is denken, Constantijn Huygens over dromen en denken en dichten, waarmee hij op 9 dec. 1977 het ambt van hoogleraar aanvaardde. Daarin tekent hij Huygens als een dichter voor wie leven en werk, denken en dichten, en ook zijn opvatting over dromen, fundamenteel door zijn calvinistische levensovertuiging werden bepaald. Huygens stond midden in zijn tijd. Een calvinist doet niet aan doperse wereldmijding! Hij toonde een grote belangstelling voor allerlei kunsten en wetenschappen. Maar de basis van dat alles was: de werkelijkheid is door God geschapen. De geschapen werkelijkheid is de van God gegeven werk-plaats van de mens. Dichter zijn omvat, aldus Strengholt, voor Huygens, 'ontvankelijk zijn voor de werkelijkheid van de schepping en van de Schepper en gehoorzaam zijn aan de in de schepping gelegde wetten en de aan de mens gestelde normen'. Voortbordurend op Huygens' opvattingen komt Strengholt dan tot de volgende uitspraak:

'En om eens onomwonden verder te redeneren: welbeschouwend is ook de mens die een kunst beoefent pas verantwoord bezig, als hij leeft uit het ootmoedige besef dat hij net als alle overige stervelingen rekenschap zal moeten afleggen van zijn gedachten, woorden en werken tegenover de Schepper, van wie hij zijn talenten heeft ontvangen. En tenslotte waag ik het erop uit te spreken, dat deze gedachte van de niet-autonome dichter de grondslag dient te vormen voor een verantwoorde beoefening van de literatuurwetenschap'.

Huygens kende dat 'ootmoedige besef', die deemoedige houding tegenover God. Daarom heeft hij ons 20e-eeuwers wat te zeggen. In dit verband zegt Strengholt:

'Als iemand van u zegt: 'Eén Solzjenitsyn met zijn verbijsterende Goelagarchipel is voor ons van meer betekenis dan de hele zeventiendeeeuwse letterkunde', dan is dat eerlijk gezegd 'ergens' een woord naar mijn hart. Maar ik voeg eraan toe, dat we ons toch ook kunnen wapenen tegen de gevaren waarvoor Solzjenitsyn ons waarschuwt door onze geest te voeden met de evenwichtige wijsheid waarvan de oudere literatuur doordrenkt is. Daarom alleen al beschouw ik het als een van God gegeven opdracht, de toegangswegen naar onze culturele schatkamers - ik zeg nog liever voorraadkamers - open te houden'.

Dan komt Strengholt terecht bij de actuele situatie van de Vrije Universiteit. Het zal de lezers niet onbekend zijn dat de laatste jaren binnen de VU verhitte discussies zijn gevoerd over de kwestie of overtuigde communisten, leden van de bewust atheïstische CPN, deel konden uitmaken van allerlei raden, commissies en bestuurlijke organen. Het feit dat dergelijke discussies binnen de VU gevoerd móesten worden, vind ik persoonlijk al tragisch, nog afgezien van het 'compromis' dat uiteindelijk uit de bus is gekomen. In het slot van zijn rede spreekt Strengholt de volgende woorden uit:

'Mijnheer de Rector, ik maak u deelgenoot van mijn bekommernis over de Vrije Universiteit. Met erkenning van eigen tekortschieten constateer ik binnen de VU een ontwikkeling die tragisch heten moet, in zoverre als wij opvattingen betreffende essentiële zaken als legitiem gepresenteerd krijgen die de oprichter met deze universiteit bedoelde te bestrijden. Moge het ons allen die hier werk gegeven zijn, de bedenksels van onze wetenschap (om met de apostel te spreken) krijgsgevangenen te brengen onder de gehoorzaamheid van Christus, ad majorem Dei gloriam'.

Deze woorden, getuigend van een principiële stellingname, sluiten nauw aan bij de 13e stelling van Strengholts proefschrift: 'Groen van Prinsterers Ongeloof en Revolutie heeft binnen de muren van de Vrije Universiteit een eeuw na Groens dood een verbluffende aktualiteit'. Dit soort uitspraken haalt de grote pers niet. We mogen dankbaar zijn dat deze geluiden klinken en ook binnen de muren van de VU te horen zijn.

Om de lezer iets te laten proeven van de dichter Huygens geef ik één bekend gedicht van hem door. Huygens had de gewoonte t.g.v. zijn verjaardag een gedicht te schrijven.

Zo ook op zijn 69e verjaardag. Het is een indrukwekkend geloofsgetuigenis geworden van een man die midden in het woelige leven stond, die zich niet aan de werkelijkheid om hem heen onttrok en die toch volkomen bereid was van de aarde te 'scheiden', omdat hij wist heen te gaan naar het eeuwig Vaderhuis. De slotwens van Huygens in dit gedicht is dat zijn sterven - 'mijn scheiden' blijk mag geven van zijn diepe verbondenheid met God, van zijn oprecht geloof in Christus, zodat ieder 'wens eenderhand te zijn', d. w.z. dat ieder zó zou willen sterven. Dit moeten we niet opvatten als hoogmoed, als de wens van een farizeeër, maar juist als een gebed tot God om werkelijk getuige van Christus te mogen zijn en dat getuige-zijn uit te stralen naar anderen, zelfs -of juist- op zijn sterfbed.

Tenslotte: als iemand iets meer wil weten van de dichter Huygens, dan kan ik zeer aanraden een boekje dat de E.O. heeft uitgegeven voor belangstellenden. Het heet: Een werkelijk groot Nederlander. Het leven van Constantijn Huygens 1596-1687. Dit boekje bevat de tekst van negen radiolezingen van Strengholt, voor de Evangelische Omroep uitgesproken in 1977. Het is, zolang de voorraad strekt, op aanvraag bij de E.O. kosteloos verkrijgbaar.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 februari 1978

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

De culturele schatkamers van de 17e eeuw

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 februari 1978

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's