De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Het ambtelijk gebed (4)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Het ambtelijk gebed (4)

7 minuten leestijd

Wij mogen de vreugden en de smarten der gemeente, alsmede de plaats, die de Gemeente inneemt in het geheel van de kerk in de tijdsomstandigheden, waarin zij verkeert, voor Gods aangezicht brengen, lering trekkende uit het voorbeeld der profeten.

Ook haar zonden. En dan gebruiken we al te veel dat woord 'zonde' in zijn algemeenheid. Daardoor is het mogelijk dat een jongen die de kerkdeur voorbij gelopen was, thuis ondervraagd waarover de dominee gepreekt had, rustig kon zeggen: over de zonde Dan worden algemeenheden tot vaagheden.

Laatst hoorde ik een jongeman op de kansel bidden om vergeving voor onze 'koppigheid'. Dat had ik zelf nog nooit gedaan of gehoord. Maar hij deed het terecht. Dat is de naam van de zonde, die het verkeer zo moeilijk maakt tussen God en ons, en tussen ons mensen onderling, tot in de gemeente Gods toe! Dat is ons weerspannig overtreden in één woord getekend.

En zo zouden onze hoogmoed (de wortelzonde van Genesis 3), onze zelfzucht, onze aardsgezindheid, onze genotzucht, onze geldzucht, en niet te vergeten ons ongeloof (ook al daterend van Genesis 3) meer door ons met duidelijke woorden beleden moeten worden.

En ook de noden der gemeente, haar zorgen, haar teleurstellingen even goed als haar verrassingen, mogen wel concreet worden genoemd. De naam van een ernstige zieke, die voor de poort van de dood ligt, moet niet een vraagteken zijn voor de biddende gemeente, maar mag vóór het gebed aan de gemeente worden bekend gemaakt, of m het gebed duidelijk worden genoemd, opdat de gemeente de zieke voor de voeten des Heeren zal neerleggen. Zoals de vier vrienden van de geraakte deden in het evangelie.

Men wake én op de kansel, én in de kerkeraadskamer en waar dan ook voor het telkens gebruiken van de naam des Heeren. Men kan soms iemand tientallen malen in het gebed horen zeggen: O Heere God. Dat ontaardt in hetgeen een spreker voor een vergadering of voor de radio doet, die iedere keer 'eh' zegt, om even te bedenken wat hij zeggen zal. Daar is de Naam des Heeren te heilig en te goed voor. Ook houde men geen onnodige verhandelingen in het gebed.

Een verhandeling over onze hulpbehoevendheid b.v. in het bidden, is iets anders dan hulpbehoevend bidden. Het bidden ontaarde nimmer in een soort geestelijke causerie. Hetzij veeleer de stem uit veler harten tot God, Die leeft.

Aan de voet van de preekstoel

De dienaar des Woords staat dan gereed een van zijn moeilijkste en verantwoordelijkste, al is het ook een van zijn mooiste taken te vervullen.

Een gebed van Luther, dat ik in een klein duits stadje zag hangen naast de preekstoeltrap, moge ons een voorbeeld zijn. Het luidde: 'Heere God, lieve Vader in de hemel, ik ben wel het ambt en de dienst onwaardig, waarin ik Uw eer verkondigen en de gemeente verzorgen moet. Maar omdat Gij mij tot een herder en leraar des Woords gesteld hebt, en het volk ook behoefte heeft aan de leer en het onderricht, zo moge Gij mijn Helper zijn, en laat Uw heilige engelen bij mij zijn. Wanneer het U behaagt door mij iets uit te richten tot Uw eer en niet tot mijn roem of die der mensen, zo verleen mij ook uit louter genade en barmhartigheid het rechte inzicht in Uw Woord, en nog veel meer dat ik er ook een dader van moge zijn. O Jezus Christus, Zoon des levenden Gods, Herder en Opziener onzer zielen, zend Uwen Heiligen Geest, Die met mij het werk uitoefene, ja. Die in mij werke het willen en het welbehagen door Uw goddelijke kracht. Amen'.

Voor en na de dienst

Veel van hetgeen tot dusver gezegd is vindt voor alle ambtsdragers zijn overeenkomstige toepassing.

Maar ik denk nu even speciaal aan het gebed voor en na de dienst. Daarbij zijn plaatselijke verschillende gewoonten. Soms wordt vóór iedere dienst gebeden en na de dienst gedankt. Soms wordt vóór de morgendienst de bediening van het Woord van de héle zondag aan God opgedragen, en na de laatste dienst alleen gedankt. Persoonlijk geef ik de voorkeur aan de eerstgenoemde regel, zoals wij ook voor iedere maaltijd de handen vouwen tot gebed en na iedere maaltijd danken. Men vreest echter vaak, dat al dat vele bidden tot routinewerk wordt. Dat gevaar moet men ook niet onderschatten. Maar men twiste hierover niet. Wie dan naar 'de beurt zijner dagorde' voorgaat, bekommere zich weinig om zichzelf en 'of hij het er wel goed af zal brengen'. Ik denk vooral aan de beginneling. Dat is niet zo belangrijk. Belangrijk is wat de bedoeling is van deze ambtelijke voorbede. Want dat is het toch vooral. Het element van dankzegging mag inderdaad óók niet onbreken. Dat wij nl. de vrije verkondiging van het Woord nog mogen hebben. En niet alleen, dat die verkondiging er nog is en dat zij vrij is. Maar ook dat die verkondiging bestaat in deze wereld, als een blijk van Gods bemoeienis met de gemeente: waarschuwend, lerend, nodigend en vermanend.

Maar verder is er alleen maar plaats voor de voorbede tot God, Die alleen maar zegenen kan, opdat door Zijn Geest dat Woord gebracht, zuiver gehouden en in de harten ontvangen mag worden. In het bijzonder zij daar de voorbede voor de dienaar des Woords, die de verantwoordelijke en daardoor zo zware taak te volbrengen heeft, om het koninkrijk der hemelen te ontsluiten en te sluiten. Ik denk aan Zondag 31 van onze Heidelberger.

Men vrage ook voor hem persoonlijk een zegen. Hij heeft het misschien meer dan iemand anders van node. En dan de voorbede voor de gemeente, opdat God de Heere met Zijn Geest de Verborgen deuren van de harten der mensen zal openen, om plaats te bereiden voor Zijn Woord. Opdat het uitga niet als een reuke des doods ten dode, maar als een reuke des levens ten leven. En dat alles met een beroep op de Persoon en het werk van Hem, Die Zelf Zijn gemeente vergadert.

Maar dan ook daarmee uit.

Het is mijn vader, die ook predikant was, indertijd overkomen, dat hij, bemerkend dat een ouderling, zoals deze vaker deed, veel te lang bad, terwijl de gemeente reeds zat te wachten, met een beslist en krachtig 'Amen' het gebed afbrak. Dat kan nare gevolgen hebben. Maar de schuld ligt dan bij hem, die het gebed vóór de dienst verwart met het gebed in de dienst.

We mochten wel wat meer vrezen voor het gezelschap van de Farizeeën, die blijkbaar lang in het openbaar stonden te bidden, en voor de waarschuwing des Heeren, dat wij niet moeten menen door de veelheid van onze woorden verhoring te vinden. Zo nl. dachten de heidenen er over (Matth. 6:7).

De voorbede zij dus hier zeer speciaal gericht en daarom in zekeren zin zakelijk. Niet in de zin van 'koud'. Ik denk aan een zeer eenvoudig, niet bijzonder begaafd, maar zeer oprecht ouderling in één van mijn vroegere gemeenten, wiens eenvoudig, beknopt, oprecht gebed mij altijd een verkwikking was. Een andere ouderling bediende zich altijd van het be­ rijmde gebed voor de predikatie, dat nog wel in onze kerkboekjes voorkomt:

O God, Die onze Vader zijt; Die t' allen tijd' ons Uwe tegenwoordigheid, in Christus wilt betonen, wanneer men, in Uw naam vergaard, Uw Woord verklaart; zie ons nu saam daartoe bereid; Uw Geest koom' bij ons wonen; ontsluit des dienaars hart en mond; wil hem en ons verlichten, opdat hij, uit Uw heilverbond, zichzelf in ons moog' stichten, en wij, op Uwe leer gegrond, ons leven daarnaar richten. Amen.

Ondanks goede dingen in deze regels, geve men de voorkeur aan bloedeigen woorden, al is het kort en eenvoudig. Het hoeft niet mooi te zijn, maar een woord op z'n pas. Sober, ernstig hartelijk, afhankelijk, zonder platte, gemeenzame taal, zonder 'jij' en 'jou', kort, zoals die van Calvijn.

Ten voorbeeld moge die man zijn, die in zijn binnenkamer zeer lang kon bidden, maar in het openbaar kort en dringend, elke zin een pijl. Soms krijg je ook als predikant de indruk; die man bidt veel voor zijn gemeente.

Bij de dankzegging vermijde men de indruk van het toebrengen van lof aan de voorganger. Dat is onnodig: wat hij mocht geven, had hij eerst ontvangen; en het is gevaarlijk zijn hoogmoedig hart te strelen. Wanneer hij bemoediging nodig heeft kan de dankzegging hem goed doen. Men zegge overigens God den Heere dank voor Zijn bemoeienis, en vrage, dat velen naar huis moge gaan al deze woorden bewarende en overleggende in hun hart.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 februari 1978

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Het ambtelijk gebed (4)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 februari 1978

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's