Hoe God zich openbaart
Pastorale overwegingen
II
Voortgang van de openbaring. De Heere heeft Zich door het Oude Testament heen steeds heerlijker willen openbaren tot op Christus toe. Wijlen ds. I. Kievit heeft wel gewezen op de parallel tussen de voortgang van de Godsopenbaring in de heilsgeschiedenis en op de voortgang van Gods werk in het bevindelijke geloofsleven. Mij dunkt, zeer terecht. Maar we mogen nu zien op de voortgang van Gods openbaring van Adam tot Abram. En het is geen wonder, dacht ik, als we juist bij 'de vader der gelovigen' nu stilstaan. Bij hem toch is het duidelijk een nieuw moment in de rijke geschiedenis van Gods omzien naar mensen. Uit hem komt het beloofde zaad voort. Hij staat aan het begin van het heilige volk. Hij is ten voorbeeld ook aan alle gelovigen na hem.
Zijn roeping uit Ur
Hoe geweldig was en is het ogenblik dat Abram optrok uit Ur, op de roepstem Gods. Wat een wonder dat Abram in Mesopotamie, verstikt in het veelgodendom van het heidendom daar, de stem van de levende God heeft gehoord, die hem tot onvoorwaardelijk vertrek riep. Deze God openbaarde Zich als rechthebbende. Die naar Zijn welbehagen deze Abram verkoor. En wat een wonder dat Abram direkt wist en aanvoelde, dat deze God de ware, levende God was. Abram besefte, toen de stem tot hem kwam: dit is van God, dit is God! Hoe kreeg Abram deze openbaring? Dat weten we niet. Was het in de nacht, of door een droom, een hoorbare stem uit de hemel? Nogmaals: we weten het niet. Men zou aan het laatste kunnen denken, maar gissen doet missen. Wel mag het duidelijk zijn, dat terwijl veel godsdienstige mensen ook in onze tijd nog denken aan of verlangen naar visioenen, engelen, gezichten en stemmen, de Heere ons Zijn ganse Woord heeft toebetrouwd in het Oude en Nieuwe Testament. En die openbaring is duidelijk, genoegzaam en voltooid, en door de Heilige Geest is het Woord werkzaam, roepend en wederbarend ook nu nog.
De verbondssluiting met hem
Een geheel ander moment is het ogenblik, waarop de Heere in het nachtelijk duister het verbond met hem sluit, zoals Genesis vijftien ons verhaalt. Daar immers lezen we duidelijk van een gezicht, dat Abram van God ontving. Een gezicht is niet hetzelfde als een droom, want bij de laatste slaapt men, bij de eerste is men in wakende toestand. Een gezicht opende hem als het ware de blik voor 'de andere wereld', de wereld van God', maar ook hier valt alle nadruk op God, die Zich openbaart, en niet op het middel, waarvan Hij Zich bedient. We leren hier, hoe de Heere Zich op onderscheidene wijzen bedient in zijn vrijmacht van wegen en middelen in de omgang met Zijn volk. Nimmer hebben we het werk Gods te binden aan een systeem. Nimmer hebben we onze eigen weg te houden voor maatgevend voor het handelen Gods met anderen. Maar wel is daar een orde des heils. Wel is daar het hartelijk overeenstemmen onder Gods kinderen daarmede, dat de Heere hen allen leert zonde en genade te kennen. En ik denk, dat we dan alles wat in dit hoofdstuk voorvalt moeten betrekken op dat gezicht. Later heeft de Heere Zich ook meermalen nog van gezichten bediend als het om Zijn boodschap tot mensen ging, denk maar aan de profeten. Maar hoeveel heerlijker is Gods bekendmaking aan ons in Christus, door Zijn Woord en Geest. Ik denk aan een opmerking van wijlen ds. J. H. de Groot, in een catechismuspreek tot iemand, zich er op beroemde engelen te hebben gezien: vriend ik wenste wel, dat ge uw zonden hadt gezien. En ik dacht een rake opmerking, die ons er wel bij stilzet, hoezeer we gevaar lopen aan het bijzondere te hangen en het eenvoudige werk Gods, het eenvoudig spreken Gods te minachten. Groter dan alle bijzondere dingen is toch de zo noodzakelijke kennis des geloofs van de Heere Jezus als onze persoonlijke borg en zaligmaker. En hoe zullen we Hem begeren, als ons oog nog altijd voor onze zonden gesloten is?
De hernieuwde verschijning:
In Genesis zeventien wordt ons verhaald, hoe de Heere opnieuw aan Abram verscheen. Toen hij negen en negentig jaar oud was, kreeg hij opnieuw 'bezoek van Boven', God verschijnt. Als de Almachtige. Het gaat hierbij om die God, Die Zich nu laat kennen als Degene, die het over heel de wereld voor het zeggen heeft, en dat werd levendig in Abrams bewustzijn gegrift. En in zijn tegenwoordigheid mag Abram leven, wandelen, en zal hij geloven wat God zegt. Abram kon dat niet, ook hij was een zondig mens. En is God niet een verterend vuur, en een eeuwige gloed, bij Wie niemand wonen kan? Maar in Christus komt God wandelen, wonen onder en met de mensen. Ook hier blijkt, dat de Heere zich telkens op andere manieren inlaat met Zijn kinderen. Nog afzonderlijk letten we op de openbaring van God, Die Abram wekte tot zijn voorbede voor Sodom, omdat deze wel diep ingrijpend is geweest in de geschiedenis onder het Oude Verbond.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 februari 1978
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 februari 1978
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's