Rechtvaardige Opstand?
Principiële vraag. Mogen Christenen in opstand komen? of mogen Christenen opstand elders steunen? Dat is de vraag waar de kerk heden voor staat. De bevrijdingsbewegingen in Afrika stellen de wereldkerk voor dit ingrijpende probleem. Onze eigen Hervormde synode stond 14 februari voor deze vraag toen het ging over steun aan het African National Congress (A.N.C.). Maar het heeft mij bij het volgen van de discussies-verbaasd, dat de synode op deze principiële vraag zo weinig inging. Wél kwam de apartheidskwestie aan de orde, maar nauwelijks de vraag naar de rechtvaardige opstand. Toch had het 'stuk-Sjollema' (een document van de Wereldraadcommissie ter bestrijding van het racisme) die vraag expliciet op tafel gelegd: tot nog toe heeft de Wereldraad alleen maar geweigerd een oordeel uit te spreken over hen die geweld als de enig overgebleven weg zien, maar-zo vraagt Sjoilema - moeten wij na de banningorders van 19 oktober 1977 niet verder gaan en zeggen wat wij met rechtvaardige opstand bedoelen? 'Want, zoals de Anglicaanse bisschop van Kenia, Henry OkuUu, in 1977 tot het Centraal Comité zei, er moet nog steeds een definitie van een rechtvaardige opstand door de kerken worden geformuleerd, terwijl velen van hen er geen moeite mee hebben om het begrip van een rechtvaardige oorlog te erkennen.' (p. 9) Let wel, het gaat hier niet meer over apartheid: het rassisme in Zuid-Afrika heeft Nairobi-1975 al expliciet als zonde veroordeeld. Maar dan nog blijft de vraag - of dan juist kan de vraag rijzen - of gewapend geweld tegen zo'n overheid geoorloofd is. En dat is principeel een heel andere vraag! Het is apartheid apaertheid te veroordelen en tegelijk ook revolutie af te wijzen. En is de situatie in Zuidelijk Afrika volgens de 6e Assemblee van de Lutherse Wereld Federatie (Dar-es-Salaam, 1977) volgens een afgelegde verklaring een 'status confessionis', dan is de kwestie van de rechtvaardige opstand dat net zo goed.
Heeft bisschop Okullu gelijk, dat de definitie nog gegeven moet worden? Is het hem niet bekend, dat de kerken van de Reformatie in Europa al in de 16e eeuw voor deze vraag stonden? Het moet in elk geval de Nederlander Sjollema bekend zijn. Maar deze zegt: 'Het nog steeds ontbreken van zo'n definitie kan geen verontschuldiging bieden voor het tekortschieten in steunverlening aan de strijd van de zwarte Zuidafrikanen op dit moment'. Wij kunnen volgens hem dus niet op die definitie wachten. Vóór we ons Bijbels bezonnen hebben, gaan we alvast maar aan de slag! Maar zelfs in het 'stuk-Windig' (een bijdrage van enkele synode-leden in veel opzichten voortreffelijk) laat men déze vraag liggen, al zegt men duidelijk gewelddadige confrontatie '(nog af gedacht van de principiële en morele aspekten)' niet wijs te vinden, en erkenning van het ANC als voornaamste gesprekspartner een slag in het gezicht te vinden van hen die nog steeds geloven in geweldloosheid. Dat is klare taal, maar waarom zouden wij de principiële en morale aspekten buiten beschouwing laten? Is het nu juist niet de taak van de kerk op die 'aspekten' in te gaan? Het is toch minstens de moeite waard, om te zien hoe de Reformatoren met de kwestie van geweld en opstand hebben geworsteld. Het is toch bekend, dat Calvijn in zijn Institutie een antwoord heeft willen formuleren? Mijn artiekeltje wil daar op wijzen. Het Calvinistisch opstandsrecht is algemeen bekend, maar bij mijn weten door niemand ingebracht bij de discussie.
Calvijns antwoord
In 1554 kreeg Calvijn een Schotse ex-priester op bezoek, John Knox. Hij was uit Schotland verbannen (via de galeien), maar had in Engeland vrij kunnen werken als predikant (onder Eduard VI, 1547-1553), totdat daar Maria Tudor ('de Bloedige' geheten, 1553-1558) aan de macht kwam en de Contra-Reformatie invoerde. Zodoende moest Knox vluchten. Hij, die zelf onder indruk van de marteldood van Wishart tot het evangelisch geloof was gebracht, legde nu Calvijn de vraag voor, of men zulke tyrannieke vrouwen nog langer moest gehoorzamen. Calvijn antwoordde, dat men ook zulke regeringen moest dulden en, alleen God mocht bidden of Hij er een einde aan wilde maken. Knox was in Calvijns antwoord teleurgesteld. Knox vond dat Calvijn vanuit de stadstaat Geneve geen rekening hield met de heel andere situatie in Schotland. In 1557 krijgt Calvijn een brief uit Frankrijk: een predikant schrijft hem over de snel groeiende radicalisering van het Franse protestantisme, vooral sinds de verstoring van een godsdienstoefening in Parijs. Hij vraagt Calvijn om een herderlijk schrijven aan de Franse gemeenten. Calvijn reageert direkt. Hij zegt: opstand zou de wereld het verwijt in de mond leggen, dat het Evangelie de mensen tot ongehoorzaamheid oproept. Hij vermaant de gemeenten onder het kruis geduldig te lijden. Maar tegelijk schrijft Calvijn aan de leider van de Bourbon-partij, dat het zijn roeping is het op te nemen voor de vervolgde kinderen Gods in Frankrijk.
Calvijns adviezen stemmen overeen met en worden gefundeerd in zijn Institutie. In het laatste boek gaat het over de overheid als Gods dienares, waaraan wij tot het uiterste gehoorzaamheid verschuldig zijn; God had zelfs een Nebucadnezar aangesteld en David sloeg de hand niet aan de gezalfde des Heeren, koning Saul. Ook als wij door een hardvochtige vorst wreed gekweld worden, moeten wij ons herinneren, dat het onze zonden zijn, die zonder twijfel door zulke geselen des Heeren gekastijd worden. Het staat niet aan ons, zegt Calvijn, zulke rampen te genezen. Ons blijft slechts dit over, dat we de hulp des Heeren inroepen. Hij kan in Zijn voorzienigheid redders zenden zoals Mozes of de richters in Israel, dus wettig geroepen, - of zelfs misdadige vorsten door andere misdadigers straffen. Nu moeten wij, vervolgt hij, niet terstond menen, dat dit óns opgedragen is. Dit geldt particuliere personen. Anders staat het met volksmagistraten, zoals vroeger in de Oudheid, of nu 'met de vergadering van de drie stenden, die geroepen zijn de willekeur der koningen tegen te gaan en de vrijheid van het volk te beschermen. Ook met wapenen? Dat zegt Calvijn er niet bij.
Hoe is het afgelopen in Schotland en Frankrijk? Knox had in 1558 buiten Calvijn om toch een boek geschreven tegen de tyrannic 'First bias of the Trumpet against de monstruous regiment of Women'. Maar toen het ver scheen, was het voor Engeland al niet meer nodig: Maria de Bloedige stierf en Elisabeth volgde op, die de (Anglicaanse) reformatie weer invoerde. Zij trok het boek van Knox sterk aan, en keek er Calvijn op aan, omdat het in Geneve was verschenen.... Maar het sloeg niet op haar, en Calvijn stond erbuiten. In Schotland ging in 1560 het Parlement zelf over tot invoering van de Reformatie. Dat was eigenlijk ook opstand tegen de vorstin, maar wettige opstand: de lagere magistraten van de Institutie dus!
In Frankrijk vond in 1560 de zgn. 'aanslag van Amboise' plaats, verdedigd door de Calvinist Francois Hotman, de eerste zgn. 'Monarchomachen', d.i. koningsbestrijders. Maar Calvijn zelf keurde de aanslag af. Kort na elkaar stierven in Frankrijk twee tyrannieke koningen, waar Calvijn Gods hand in zag, en toen organiseerde de nieuwe regering (Regentes Catharina de Medici en haar kanselier L'Hópital) het zgn. godsdienstgesprek van Poissy, waar Beza het woord mocht voeren en daarop volgde dan in 1562 het Le Tolerantie-edict, dat de Hugenoten wettig een bepaalde godsdienstvrijheid gaf. Toen de Roomse Guises dit edict schonden, brak toch nog een burgeroorlog uit, en grepen de Hugenoten dus naar de wapens. Hun leider, Gaspard de Coligny, had het voor zijn geweten erg moeilijk met deze fundamentele beslissing, maar hij beriep zich op het officiële edict; hij was ook zo'n lagere overheidspersoon als waar Calvijn over sprak. Geneve was met het uitbreken van deze Franse godsdienstoorlog niet gelukkig, maar moest zich er bij neerleggen.
Onze Opstand
Calvijns antwoord, 'neen-tenzij', kan er inderdaad toe leiden, dat een synode opstand gaat steunen: de allereerste synode van de Nederlandse Kerk der Reformatie, die 1 sept. 1566 te Antwerpen vergaderde, sprak onder leiding van Datheen uit, dat in de bestaande noodtoestand wapengeweld geoorloofd was. Men meende in de dubieuse Brederode n.l. een wettige leider gevonden te hebben. Maar de aangewezen leider, Willem van Oranje, was er nu nog niet toe bereid; en de 'doodgeboren poging tot opstand' mislukte in 1566. De opstand van 1572 slaagde wèl en had nu in Oranje een overtuigde en bekwame leider, een wettige leider (hij was immers stadhouder geweest, en werd als zodanig weer erkend door de staten-vergadering van Holland en Zeeland)! Ook een Godvrezende leider was hij (geworden): voor hij de bescherming der Christenen en andere verdrukten in dit land had aangevangen, had hij immers een verbond gemaakt met de Potentaat der Potentaten! En wat de kerken betreft: voor hen ging het bij de Opstand om de Godsdienst.' Tijdens het beleg van Leiden liet het stadsbestuur op een penning graveren 'Haec libertatis causa', (onwille van de vrijheid) maar in dé Pieterskerk zei de dominee: nee! er moest staan 'haec religionis causa', onwille van de religie (de stadssecretaris wou toen bijna de predikant van de preekstoel afschieten!). Men besefte: wettige opstand staat of valt met wettige leiding en wettige motieven, ja Christelijke motieven!
Conclusie
De toestand van het protestantisme in het Europa van de 16e eeuw is uiteraard heel anders dan de toestand in het Afrika van onze 20e eeuw. Maar de vraag naar de rechtvaardige opstand blijft. De Reformatoren stonden er- voor - wij staan ervoor. En uit de les der historie trek ik dan de volgende conclusie.
1. Als de (m.n. zwarte) kerken ons de vraag stellen van de rechtvaardige opstand, zullen wij als kerk voor alles naar een Bijbels antwoord hebben te zoeken. (Zó reageerde Calvijn op de vraag van Knox).
2. Daarbij zullen wij ons niet laten leiden door een 'theologie van de revolutie', maar door het antwoord van de Reformatie, m.n. dat van Calvijn (zie Institutie!)
3. Het antwoord van Calvijn was duidelijk 'neen, tenzij': 'neen', omdat de overheid Gods dienares is (Rom. 13) en tyrannen geselen Gods zijn (zoals Luther al zei), zodat zelfs vervolgde Christenen geroepen worden tot kruisdragen en gebed, plus appèl op die overheden; 'tenzij' nl. als er lagere overheidsinstanties zijn die geroepen worden tot verzet tegen onrecht.
4. Christenen kunnen alleen met een vrij geweten aan opstand meedoen, als het Woord van God in geding is en rechtszaak een gebedszaak kan zijn: een verbond met de Potentaat der potentaten! 5. Wij horen, dat zwarte kerken en zwarte leiders zélf geen revolutie willen. Wat bezielt onze synode hier dan?
Kontakt met gewelddadige bevrijdingsbewegingen is niet reformatorisch, maar revolutionair! En dat is ontstellend!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 maart 1978
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 maart 1978
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's