Ben ik het, Heere?
En zij, zeer bedroefd geworden zijnde, begon een ieder van hen tot Hem te zeggen: Ben ik het, Heere? Matth. 26, 22
Als het avond is geworden, zit de Heere Jezus aan met Zijn twaalf discipelen aan de Paasmaaltijd. Nu gaat Hij de verrader Judas ontmaskeren. Niemand weet nog wat er leeft in het hart van Judas; niemand vermoedt iets. Dan klinkt Jezus' stem: Voorwaar Ik zeg u, dat één van u Mij zal verraden!
Er valt een dodelijke stilte. De gezichten van de discipelen ontstellen zichtbaar. Er is blijkbaar niemand die twijfelt aan de woorden van de Heere Jezus. Steeds immers zijn Zijn woorden waarheid. Daarom geloven ze Hem op Zijn woord.
Ze beginnen zeer bedroefd te worden. Ontzettend is dat: er is één van hen die een verrader is. Een discipel die zich anders voordoet dan hij werkelijk is. Aan de buitenkant een trouw volgeling van de Heere Jezus, maar van binnpn een grijpende wolf. Eén die er niet voor terug zal deinzen zich op hun geliefde Meester te storten en Hem uit te leveren aan Zijn bitterste vijanden. Hun diepe droefheid daarover leidt tot vragen. Ze moeten weten wie het is. Ze kunnen deze hoogst ernstige zaak niet laten rusten. Ze gaan aan het zoeken. Opvallend is het dat ze niet zo ver weggaan om te zoeken. Ze blijven heel dicht bij, dichter bij kan het niet. Allen vragen: Ben ik het, Heere?
Ze zeggen niet: Heere, ik kan met de hand op mijn hart verklaren dat ik het niet ben. Nee, ze gaan aan Jezus vragen of Hij nu toch alstublieft wil zeggen dat zij het niet zijn. Zo is de bedoeling van hun vraag: Heere, ik ben het toch niet? Zegt U dat nu toch!
Vraagt u, lezer, of dit nu wel een goed zoeken is? U zegt: dat weet je toch van jezelf. Je gelooft in Jezus, en dan doe je het niet. Of je gelooft niet in Hem, ja, dan sta je ervoor open Hem te verraden. Eigenlijk kun je uit dit vragen opmaken dat het er met het geloof van de discipelen niet zo best voorstaat.
Laten we voorzichtig zijn met zo te denken. De satan is zo machtig. Ieder kan je voor een kind van God houden, terwijl toch de duivel het hart helemaal in bezit heeft. Ook onder godsdienstigen, kerkgangers, discipelen heeft satan zijn toegewijde volgers. Waar het Evangelie van Gods genade wordt gepredikt, vangt satan soms of vaak mensen in de strik van een godsdienstig zelfbedrog, zoals hij elders mensen aan zich dienstbaar maakt door ongeloof en goddeloosheid. Het aangrijpend verschrikkelijke woord heeft eenmaal uit Jezus' mond geklonken, dat Hij in het oordeel ook zal moeten zeggen: Ik heb u nooit gekend. Dan zullen er niet weinigen zeggen: Heere, hebben wij niet met U gegeten en gedronken, hebben wij niet in Uw Naam geprofeteerd, wonderen gedaan en duivelen uitgedreven?
Dat hebben ook de discipelen gehoord. Daarom zijn zij niet gerust als de Heere zegt dat er een verrader is. Ze beoordelen niet zichzelf, kunnen dat niet en willen het niet. Daarvoor hebben ze licht nodig, het beste en doordringendste dat er is; dat nooit bedriegt en nooit vals schijnsel geeft. Dat is het licht van Jezus' ogen, die alles doorgronden en hart en nieren proeven.
Ben ik het, Heere? Wat werkt het onderwijs van de Heere Jezus machtig veel uit. Van nature zegt men immers: Is hij het? Ben jij het? Hij zal het wel zijn. Maar in hethart waarin het zaad van Jezus' woorden wortel schoot, komt de bedroefde vraag op: Heere, ben ik het? Zoals het leefde in Davids hart: 'Doorgrond mij, o God, en ken mijn hart. Beproef mij en ken mijn gedachten; en zie of bij mij een schadelijke weg is, en leid mij op de eeuwige weg'. Het onderwijs van de Heere Jezus werkt verootmoedigend, daar waar het aanvaard wordt. Waar net niet wordt aanvaard daar gaat het als bij de Farizeeën. Ze zoeken de boosdoener in het licht van eigenliefde. Dat heeft geleid tot de kruisiging van Jezus. Eigenliefde en zelfhandhaving kruisigen de Heere Jezus altijd nog.
Wie zoekt met het doordringend licht van de ogen van de grote Hartekenner, zoekt en vindt de zondaar in eigen hart.
Hoe zoekt u ? Gaat u tot Jezus als Judas? U stelt dezelfde vraag, terwijl u toch uw ware wezen voor Hem verbergt? Dan maakt u het Hem onmogelijk u te behoeden.
Of gaat u naar Hem met de oprechte begeerte in het hart: Heere, zegt U het nu toch. Ik ben het toch niet? De andere elf belijden door dit vragen eigenlijk: Heere, we zijn tot alle boosheid geneigd, ook tot dit erge. Ze leveren zich uit aan de rechtsspraak van hun Heere en Koning. Want ze ontdekten de zondaar in eigen hart en namen hem gevangen: Heere, ben ik het? U moet het zeggen. Wij staan niet voor onszelf in, wij hebben de vastheid niet, wij zijn niet meer dan een riet in de wind.
Zalig de mens in wie de woorden van de Heere Jezus zo'n verbrijzeld en vernederd gemoed werken. Dan word je door de Heilige Geest gedreven om je in al je schamelheid aan Jezus uit te leveren. En hoewel zeer bedroefd over eigen niets-zijn, toch Hem onder de ogen te komen. Omdat je alleen maar gerust bent en alleen maar vrede hebt, als Hij Zelf met ogen vol liefde tot je zegt: Nee, jij bent het niet. Daar zal Ik je voor bewaren!
Jezus Christus roept ieder die Zijn woorden hoort op, zich openlijk aan Hem over te leveren. Hij alleen boeit met goddelijke banden en wil ieder die Hem volgt door Zijn Heilige Geest machteloos maken tot het kwaad. Verloren is ieder die de vloekwaardige zondaar in zichzelf niet erkent. Dan Zoekt men immers Jezus niet om daarvan verlost te worden.
Maar de Heere woont bij die, die van een verbrijzelde en nederige geest is, opdat Hij levend make de geest der nederigen en het hart der verbrijzelden. Leerde u zich als schuldig kennen, onderworpen aan alle kwaad? Ga daarmee, zoals de discipelen, tot Jezus. Hij liet Zich immers verbrijzelen om de ongerechtigheden van schuldigen. Ja, het behaagde de Heere Zijn Zoon te verbrijzelen. Hij heeft Hem krank gemaakt. Als dan Zijn ziel Zich tot een schuldoffer gesteld zal hebben, zo zal Hij zaad zien. Zaad dat wordt uitgestrooid door de Heilige Geest en dat ontkiemt in de harten, waarvan de vrucht is dat ze de Heere het offer brengen van hun verbroken geest: Heere, ben ik het? Is dat ook uw vraag? Hij zegge ook tot u, zoals tot de elf discipelen: Nee, gij niet, maar gij zijt voor eeuwig de Mijne!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 maart 1978
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 maart 1978
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's