De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Belijdenis doen en dan?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Belijdenis doen en dan?

7 minuten leestijd

De vraag die hier gesteld wordt is deze: Hoe gaan we het geloof dat we beleden in ons verdere leven waarmaken?

We behoeven alleen maar de drie vragen die ons bij het belijdenis-doen worden voorgelegd en die we met ons 'ja' beantwoorden te bekijken, om tot de ontdekking te komen dat we met ons antwoord op die vraag verschillende kanten uit kunnen; we kunnen ons antwoord zelfs gaan toespitsen op verschillende levensterreinen.

Uiteraard moeten we een keus doen en deze keer willen we onze keuze laten vallen op een onderdeel van de derde belijdenis vraag. Daar wordt o.a. gevraagd: 'Wilt gij, ... getrouw zijn onder de bediening van het Woord en de sacramenten, volharden in het gebed en in het lezen van de Heihge Schrift...'.

Op dit onderdeel willen we wat nader ingaan. Het 'belijdenis-doen' zouden we in eenvoudige woorden zo kunnen omschrijven: God is van onze geboorte, van onze doop af aan, naar ons toe gekomen met Zijn beloften; en met het 'belijdenis-doen' zeggen wij daar 'ja' op. In het geloof nemen we deze beloften van God aan; als het goed is, wordt het BEloven van God beantwoord door ons Geloven.

Wat belooft God eigenlijk in Zijn beloften? En daarbij aansluitend: Wat neemt de mens eigenlijk in het geloof aan?

Welnu, de kern, het wezenlijke van wat God belooft, is niet een aantal dingen, zegeningen, weldaden, maar is een Persoon. In het waarachtig geloof geloven we niet in de hemel, in onze zaligheid ènz., maar we geloven in God. Het beloven van God en het geloven van de mens heeft dus niets te maken met het afsluiten van een zakelijk contract, waarbij het gaat om de overdracht van allerlei goederen. Dit beloven en geloven moeten we veeleer vergelijken met het geven van een liefdesverklaring, waar dan het aannemen en beantwoorden van deze liefde door de andere partij op volgt. God geeft niet alleen maar Zijn zegeningen en weldaden; Hij geeft Zichzelf. En in antwoord daarop geeft de mens niet zijn offers, zijn goede werken enz. aan God, maar de mens geeft zichzelf, zijn hart, zijn liefde aan God. Belijdenis doen en dan? We spitsten deze vraag al toe op een onderdeel van de derde belijdenisvraag. Als we daar wat nader op in gaan, willen we het beeld van het 'huwelijksaanzoek' (overigens een voluit bijbels beeld) nog even wat aanhouden. We beginnen dan met er nadrukkelijk op te wijzen dat het 'belijdenis-doen' niet het moment is van het 'in-het-huwelijk-treden'; hetis niethet 'huwelijk' zelf, doch nog maar de 'ondertrouw'. Het 'huwelijk' zelf wacht tot na dit leven; zolang een christen nog in deze wereld is, is hij alleen nog maar de 'bruid' van Christus.

Dat betekent dus dat de christen in dit leven nooit verder zal komen dan tot de beloften van God. De vervulling van die beloften wacht tot na dit leven. Hij zal hier wandelen door geloof en niet door aanschouwen; inwonend in het lichaam woont hij uit van de Here. In dit leven heeft hij slechts de woorden, de beloften van God; de erfenis zelf wordt in de hemel voor hem bewaard. De hemel komt dus niet naar de mens toe, die op de aarde is, maar omgekeerd: de mens wordt en blijft tot zijn dood toe een pelgrim op reis naar de hemel toe.

Er is maar één ding dat de bruid nu al van de Bruidegom 'heeft', in de diepste zin van het woord; en dat is; de Liefde van de Bruidegom. En al wat Hij geeft of onthoudt, is gericht op het in stand houden en verdiepen van deze liefde.

In deze werkelijkheid zullen we ons leven lang geoefend moeten worden, want allemaal zijn we zo erg aardsgezind; we willen het heil en de zaligheid hier en nu hebben.

Maar we dienen ook bedacht te zijn op een tegenovergestelde dwaling.'

Het is God die het aan de mens beloofde, uit genade. Geen enkele menselijke bijdrage komt er bij in aanmerking. Wij mensen kunnen er niets aan toedoen en er ook niets van afdoen. En God die het beloofde is getroifw en waarachtig.

Dus (zouden we zo denken), aan die (éne) belofte van God hebben we genoeg. Vragen om herhaling en versterking van de belofte zou alleen maar een stuk ongeloof zijn.

Eens beloofd blijft beloofd; we behoeven dus niet meer te doen dan de vervulling van het beloofde nu maar rustig te gaan zitten afwachten.

Zo ligt het bij een zakelijk contract. Mocht men soms nog eens gaan twijfelen dan zoekt men het ondertekende contract op en alle twijfel en aarzeling is voorbij.

Zo is het voor het rekenend en redenerend verstand, maar niet voor de liefde van het hart. Zonder meteen te twijfelen aan de trouw van de Bruidegom zal toch de wachtende bruid steeds weer voedsel voor hart en liefde nodig hebben. Dat voeden van de liefde zal geschieden door het telkens weer spreken van de Bruidegom. Zijn spreken is het voertuig waardoor Zijn liefde overgedragen wordt. Als dit contact, over en weer, ontbreekt dan zal de liefde gaan kwijnen en tenslotte gaan sterven. Het is net als met het sterven van degenen die wij liefhadden. Hoe sterk die liefde ook was, na soms lange tijd zal deze liefde toch gaan afsterven; het voeden van de liefde ontbreekt. Wij hebben misschien dit jaar geloofsbelijdenis afgelegd. We gaven daarbij ons ja-woord aan Hem die ons met Zijn liefde opzocht en omringde van onze geboorte af aan. De Here wil Zichzelf geven. Kan Hij deze gave ook aan ons kwijt; namen we deze onuitsprekelijke gave ook aan door onszelf aan Hem te geven, ons hart aan Hem te geven? Zonder twijfel zal onze beantwoording van deze Zijn liefde dan ook blijken uit het feit dat we ons leven in Zijn dienst willen besteden. De vruchten der dankbaarheid zullen dan niet achterwege kunnen en mogen blijven.

Maar dieper nog ligt de vraag of er bij ons ook iets is van de honger en het heimwee der liefde die schreeuwen om voeding en versterking. 'Here zeg nu nog eens tot mijn ziel dat Gij mijn heil zijt'..(Ps. 35 : 3).

Het geloof en de liefde zullen het met name daarvan moeten hebben om te leven en gezond te blijven. Om die reden heeft de Here ook op dit punt overvloedig voorzien.

Voortdurend blijft Hij aan het spreken. Hij doet dat in Zijn Woord en als Hij het over de prediking van het evangelie heeft, spreekt Hij van 'al de dagen', alsof Hij elke dag apart wil noemen (Matth. 28 : 20).

Dagelijks wil Hij dat hemelse manna van de hemel doen regenen, zoals Israël het manna dagelijks vers uit de hemel ontving.

Deze honger naar het spreken Gods is niet een kwestie van wantrouwen en ongeloof maar dit voedsel heeft geloof en liefde nodig om te leven en stand te houden.

Daarbij zal dan het antwoord van de mens, het volharden in het gebed, niet ontbreken. Het getrouw zijn onder de bediening van het Woord en de sacramenten, het volharden in het gebed en in het lezen van de Heilige Schrift zijn dan niet uitsluitend een prestatie van de mens maar allereerst 'n kenmerkende levensuiting van het geloof dat straks pas zal overgaan in aanschouwen; van de hoop die straks pas over zal gaan in bezitten; en van de liefde die nimmermeer vergaat maar blijft tot in alle eeuwigheid.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 maart 1978

De Waarheidsvriend | 22 Pagina's

Belijdenis doen en dan?

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 maart 1978

De Waarheidsvriend | 22 Pagina's