Naar eis van Gods verbond
Opvoeding tot belijdenis doen. Dat was kort geformuleerd het onderwerp, dat de redactie opgaf voor dit speciale nummer van ons weekblad. Ter verduidelijking werd er tussen haakjes aan toegevoegd: gezin. Waarschijnlijk om te voorkomen, dat we aan de kerkelijke catechisatie zouden denken. Vrijwel tegelijkertijd kreeg ik een tekeningetje onder het oog, waarop twee volwassenen afgebeeld stonden, die een jongen tussen hen in meevoerden en hem daarbij stevig in zijn kraag vasthielden. Je moet niet naar de kerk, stond er onder, maar je mag! Het zal wel als een grapje bedoeld zijn geweest. Wat niet wegneemt, dat op deze manier nog al wat godsdienstige opvoeding onder kritiek, zoal niet aan de kaak gesteld werd.
Godsdienstige opvoeding, kan dat? Ja, mag dat wel? Opvoeden tot belijdenis doen? In het gezin, door de ouders? Onze tijd is geneigd daar een groot vraagteken achter te zetten. In vrijheid laten opgroeien en de kinderen hun eigen beslissing laten nemen is bij velen vandaag aan-de dag de hoogste wijsheid, ook met betrekking tot de dingen van het Koninkrijk Gods. Het komt nog al eens voor, dat de doop van de kinderen achterwege blijkt te zijn gebleven omdat de ouders, al zeggen ze zelf daar niets op tegen te hebben, toch van oordeel waren, dat men de beslissing daarover beter aan de kinderen zelf, als ze wat ouder geworden zijn, over kan laten. In die gedachtengang is er misschien nog wat ruimte over voor een gesprek over deze zaken, maar geen plaats meer voor doelbewuste leiding ten aanzien van deze dingen, met name dan met betrekking tot het doen van belijdenis.
Het ligt echter wel wat anders, dunkt me. Het 'doen van belijdenis' heeft verschillende kanten, waarover ongetwijfeld in dit nummer het nodige gezegd zal worden. Dat kunnen we laten rusten. Slechts op één aspect wil ik in dit verband wijzen. Het afleggen van openbare belijdenis des geloofs heeft met de erkenning van het zijn in het Verbond te maken. Men leze daarover nog maar eens na wat wijlen Ds. J. van Sliedregt hieromtrent in het onder ons bekende werk 'Licht over uw pad' in het hoofdstukje 'wat betuig ik' heeft geschreven. Belijdenis doen is het ernstig gaan nemen van alles wat God een mens in de doop wilde betekenen en verzegelen.
Daar heeft het gezin, en dan denken we nu uiteraard aan de ouders, alles mee te maken. Want zij hebben immers voor Gods aangezicht ten overstaan van Zijn gemeente uitgesproken, dat zij de kinderen, die als erfgenamen van het Rijk Gods en van Zijn verbond, gedoopt mochten worden daarvan in het opgroeien breder zouden onderwijzen, opdat die kinderen, tot de jaren van het onderscheid gekomen, tot een bewuste keuze voor God, de God van het verbond en Zijn dienst, zouden komen.
Ouders hebben op grond daarvan, dat zij hun kinderen, hoezeer aan allerhande ellende ja aan de verdoemenis zelf onderworpen, toch in Christus geheiligd mogen weten, (U komt de belofte toe en uw kinderen, en allen, die verre zijn, zovelen als er de Heere, onze God toe roepen zal) hun kinderen daarvan te onderrichten. Dit onderwijzen uit ons doopsformulier heeft, dunkt me, ook iets te maken met het onderwijzen van de volken, dat de Heere Christus de apostelen opdraagt (Matt. 28). Daar heeft het de betekenis van tot discipelen maken. De volken, tot welke de prediking komt, moeten voor de beslissing gesteld worden, tot geloof en bekering worden opgeroepen. Zo zal de opvoeding in het gezin ook op grond van de doop en Gods toezegging daarin betekend en verzegeld op het doen van een bewuste keuze voor God en Zijn dienst moeten zijn gericht.
Al komt het moderne levensgevoel ook honderd maal daar tegen in verzet. Wie gehouden is de kinderen, die God hem en we voegen er bewust aan toe haar toevertrouwde, van één en ander 'breder te onderwijzen', zal zich geroepen moeten weten altijd weer zijn huis voor de keuze te stellen, die Jozua eens aan Israël, het volk van het verbond, voorlegde: Kiest u dan heden, wien gij zult dienen. Dat is geen zaak van opdringen of van dwingen in de stijl van dat tekeningetje, waarover ik schreef. Maar wel van volstrekt ernstig nemen 'in al ons huisbeleid' 'van alles, wat de Heere in Zijn Woord heeft gesproken en in de Sacramenten heeft betekend en verzegeld. Een opvoeding dus, waarin het duidelijk wordt, dat het God zelf is. Die vraagt: Mijn zoon. Mijn dochter, geef Mij uwliart. Opdat moge gaan leven -en nu citeer ik nog eens uit het boekje van Ds. Van Sliedregt - , dat we er niet onder uitkunnen. Dat God recht op ons heeft. Dat we geen andere kant op mogen en kunnen.
Dat treft me ook altijd zo in die toespraak van Jozua tot Israël. Hoe moeilijk die keus ook en van de mens uit gezien onmogelijk, nochthans: Ik en mijn huis, wij zullen de Heere dienen. Want het gaat niet om een keus uit allerlei mogelijkheden, of uit twee gelijke mogelijkheden. God heeft gekozen, dat is het Verbond.
Dan rest goed bezien slechts die ene mogelijkheid, dat we Zijn recht op ons hart en leven erkennen en dat ook altijd maar weer aan degenen, die God ons toevertrouwde, zullen voorleven. In diepe afhankelijkheid opziende tot Hem. Die beloofd heeft Zijn Woord waar te zullen maken. Gods recht op ons, in de erkenning waarvan het leven wordt gevonden. Dat zal ook moeten inhouden begrip voor de strijd van onze jonge mensen, die in zo'n ontzaglijke moeilijke tijd leven. Dagelijks worden ze aangevochten door de geest van die tijd, die zegt dat het anders kan, dat ze het zelf mogen en moeten uitmaken, hoe ze hun leven inrichten. Die daarbij net als wij in de keuze voor God en Zijn dienst als het er op aan komt hun eigen hart zo weinig mee hebben.
Het zal ook vragen, dat we, hoe weinig ons dat, gejaagd als we zijn gelegen komt, de tijd voor gesprek zullen moeten uit trekken. Wie moet zich niet beschuldigen, dat hij zich zo in de jacht van het leven liet verstrikken, dat er voor onze kinderen maar al te dikwijls geen gelegenheid was om met hun vragen bij ons aan te komen.
Er zijn in dit verband meer dingen aan te wijzen, waarvoor we ons hebben te hoeden. Werd een slordige levenswandel, die in tegenstelling stond met hetgeen er gezegd werd niet menigmaal voor anderen een hindernis op de weg naar God en Zijn dienst. Zoals ook onbedachtzame vaak liefdeloze uitspraken over anderen nog al eens een versperring op die weg opwierpen.
In de opvoeding van ons gezin zal met name de voorbede - denk maar eens aan het gedurig gebed van Job voor al zijn kinderen -een grote plaats moeten innemen. De jeugd heeft het zwaar. Soms sluit zij zich daarom van ons af. Wie laat graag blijken, dat hij zoveel heeft te verwerken? Als ze dan maar weten, dat we in de voorbede met hen gaan.
Eén ding moet daarbij niet vergeten worden. Aan die voorbede - niet alleen daaraan, maar aan alles wat werd aangeduid - gaat altijd weer de bede vooraf: Neig mijn hart en voeg het saam tot de vreze van Uw Naam. Zo alleen kan opvoeding in het gezin, ook die in de dienst des Heeren, vruchtbaar wezen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 maart 1978
De Waarheidsvriend | 22 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 maart 1978
De Waarheidsvriend | 22 Pagina's