De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Openbare belijdenis des geloofs

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Openbare belijdenis des geloofs

Een historische notitie

4 minuten leestijd

Wie in encyclopedieën naslaat wat daarin te vinden is over de openbare belijdenis des geloofs doet de teleurstellende ervaring op dat over dit onderwerp zo goed als niets te vinden is.

Sinds 1923 hebben de Gereformeerde Kerken een kort formulier met vragen, en het Hervormde Dienstboek (in ontwerp), daterend van 1955, biedt iets soortgelijks. Dat zijn dan de gegevens waarmee wij het moeten doen. Het is pas van late datum dat aan het ajFleggen van openbare belijdenis des geloofs een geheel eigen betekenis is gegeven.

In de kerkboeken die zovele fraaie formulieren bieden, voor de bediening van de doop, van het avondmaal, enz., zal men tevergeefs zoeken naar een formulier voor het afleggen van de geloofsbelijdenis.

Wil men weten hoe dat komt, dan zal men moeten beseffen dat in de kerk der Reformatie gedurende vele eeuwen het afleggen van een geloofsbelijdenis niet anders is geweest dan het toegang vragen tot het heilig avondmaal. Wanneer de tijd was aangebroken dat men zijn Catechismus kende, en men dus wist wat het christelijk geloof inhoudt, verscheen men voor de predikant of ook voor de gemeente en werd men na ondervraging toegelaten tot de heilige Dis. Alwie belijdenis deed ging aan het avondmaal. Wie niet tot het avondmaal wenste te worden toegelaten deed ook geen belijdenis. Vandaar dat ook in de 17e eeuw in ons land de avondmaalsvieringen door grote getalen van mensen bezocht werden. En dat diegenen die belijdenis gedaan hadden en niet ten avondmaal kwamen kans liepen onder censuur gesteld te worden. Voor elke avondmaalsviering werd van de ouderlingen verwacht dat zij de lidmaten bezochten en hen opwekten om tot de Dis te komen, en, indien dat nodig was, trachtten belemmeringen uit de weg te ruimen. Kortom, een scheiding van belijdenis doen en avondmaalsviering werd niet geduld.

Ik zei: Men moest zijn Catechismus kennen. Daar werd zwaar accent op gelegd. Alle onderwijs op de school en in de kerk was er op gericht. Reeds op de scholen moesten hele stukken van de Catechismus van buiten worden geleerd. In de kerk, in de middagdiensten, werd er over de Catechismus gepreekt. Was men dan met uiterlijke kennis alleen tevreden? Waarlijk niet. Maar men maakte veel minder een tegenstelling tussen uiterlijk en innerlijk dan thans door velen gedaan wordt.

Kennis behoeft waarlijk niet slechts uiterlijk te zijn. In zekere zin is zij altijd óók uiterlijk. Móet zij dat ook zijn. Ons verstand is ook van God gegeven. En behoort bovendien tot het hele hart van de mens. In de hoofdsom van de Wet staat dat wij God ook met ons verstand moeten liefhebben, evengoed als met onze andere ziele-krachten.

Het kwaad begint pas als onze kennis van dien aard is dat zij ons niets dóet, ons niet innerlijk raakt en verandert. Dat is dan een kennis waarvan Calvijn heeft gezegd dat zij enkel in de hersenen zweeft.

In alle catechese moet het gaan om een kennis die gepaard gaat met vertrouwen. Onze Heidelberger zelf leert ons dat. Immers, in Zondag 7 staat dat het ware geloof niet alleen een zeker weten is, of kennis, maar ook een vast vertrouwen; en men lette dan op de formule: niet alleen... maar ook. Dus zowel het een als het ander. De kennis mag niet worden weggecijferd ten behoeve van het vertrouwen. Wat is vertrouwen zonder kennis?

Maar kan déze kennis dan ons door anderen worden bijgebracht? Deze ware kennis werkt God de Heilige Geest en niemand anders! Maar het behaagt Gods Geest middellijk te werken. Dat geldt niet alleen voor de prediking, ook voor de catechese.

En zo mag dan de leerlingen in de mond worden gelegd, wat de Catechismus ook praktisch overal doet, het woordje 'ik', of 'wij' en de woorden 'mij' en 'ons'. Waarbij die leerlingen dan voorgehouden wordt dat dit een zaak des harten dient te zijn. En dat hun gebed moet zijn; Geef, Heere, dat ik het naar waarheid zeg! Waarbij zij dan ook ervan verzekerd mogen zijn dat God een Hoorder der gebeden is. Gezien in dit licht is het zo verwonderlijk niet dat onze vaderen, en dan denk ik in de eerste plaats aan de reformatoren, nimmer van het belijdenis doen een opzichzelf staande en mogelijk vrijblijvende zaak hebben gemaakt, maar niet teruggedeinsd zijn voor de verste konsekwenties die eruit te trekken zijn, onder andere: zulken toe te laten tot die Maaltijd waarin het belijden van 's Heeren Naam zijn diepste gestalte krijgt, en waarin gesmaakt wordt de gemeenschap met Hem van wie men bij de openbare belijdenis des geloofs zegt, dat men Hem als Zijn discipel of discipelin wil volgen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 maart 1978

De Waarheidsvriend | 22 Pagina's

Openbare belijdenis des geloofs

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 maart 1978

De Waarheidsvriend | 22 Pagina's