Waar zeg ik ja op?
Inleiding
Nu op allerlei manieren het doen van openbare belijdenis des geloofs ter discussie gesteld wordt, is het goed niet alleen te vragen of het afleggen van openbare belijdenis des geloofs een door de Bijbel gewettigde en geboden zaak is, maar ook de vraag te stellen waar ik ja op zeg, wanneer ik belijdenis doe. Wat houden de vragen in?
Ik ga er stilzwijgend van uit dat o.a. uit andere bijdragen in dit nummer van de Waarheidsvriend, dat geheel aan het afleggen van openbare belijdenis gewijd is, zal blijken dat het doen van belijdenis als acte inderdaad Bijbels van oorsprong is. En bovendien dat het niet waar is wat vaak beweerd wordt, namelijk dat deze eenmalige acte niet voluit reformatorisch is en een uitvinding van het piëtisme, lang na de Reformatie. Er is mij overigens niet gevraagd om daarover te schrijven, maar over de inhoud van de vragen.
Wie het oude formulier voor bediening van de volwassendoop (afkomstig van de Dordtse Synode 1618-19) op de vragen naslaat, komt daarin de stof tegen welke als model kon dienen voor het afleggen van openbare belijdenis des geloofs en in elk geval de Dordtse opvattingen dienaangaande gaande kenbaar maakt. Zij betreffen de Drieëenheid en de schepping, de erfzonde en de dagelijkse zonden, de leer van Christus en het lidmaatschap van Zijn Kerk, het toestemmen in de inhoud van de christelijke leer en het volharden daarin, het voornemen tot christelijke levenswandel. Uit het dankgebed dat op het vijfvoudige ja en de Doop volgt, blijkt dat Dordt 1618-19 de band met het formulier om de heilige Doop te bedienen aan de kleine kinderen der gelovigen wilde aanhouden, want het dankgebed na de kinderdoop en dat na de volwassendoop zijn nagenoeg gelijk. Uit de plaats die dit formulier in het dienstboek voor de Ned. Herv. Kerk inneemt, blijkt duidelijk dat de band met de openbare belijdenis des geloofs is gehonoreerd.
Dus mag gekonkludeerd worden dat de openbare belijdenis des geloofs ingeval van kinderdoop o.a. inhoudt dat het kind, tot zijn jaren gekomen en in de voorzeide leer breder onderwezen, het ja-woord van zijn ouders overneemt. En in geval van volwassendoop gaat zijn ja-woord al evenmin buiten Gods verbond om.
Traditie en persoonlijke beslissing
Ik schreef bewust dat de openbare belijdenis des geloofs onder andere inhoudt dat het volwassen geworden en breder onderwezen kind het ja-woord van zijn ouders overneemt. Daarom is er ook zp grote mate van eenheid in vragen, bijvoorbeeld bij doop en belijdenis. De zgn. vragen van Voetius, die tijdenlang in een groot deel van ons vaderland in gebruik geweest zijn en op veel plaatsen nóg gebruikt worden, hebben de m.i. foutieve gedachte gewekt alsof het Voetius' bedoeling geweest was om bij degenen die het betrof, met minder tevreden te zijn dan met een waar en oprecht geloof en hun een lidmaatschap toe te kennen dat hen op uitwendige manier met de Kerk verbond en geheel los stond van het Goddelijk recht om ten Avondmaal te gaan. Leg ik namelijk die vragen van Voetius naast de derde en vierde vraag van het formulier tot bediening van de volwassendoop, dan kom ik een overeenkomstige gedachtengang tegen en begrijp ik tegelijk dat het bij geen van beiden de bedoeling geweest is om belijdenis en Avondmaal van elkaar los te maken.
In de derde vraag van het formulier tot volwassendoop wordt gevraagd of gij gelooft, dat Christus Die waarachtig en eeuwig God is en waarachtig mens. Die Zijn menselijke natuur uit het vlees en bloed der maagd Maria heeft aangenomen, u tot een Zaligmaker van God geschonken is, en dat gij door dit geloof ontvangt vergeving der zonden in Zijn bloed, en dat gij een lid van Jezus Christus en van Zijn Kerk door de kracht des Heiligen Geestes zijt geworden.
Op het toestemmen in de christelijke leer, waar vraag vier naar vraagt, volgt het verzoek om de belofte af te leggen om te volharden in die leer, in de gemeenschap van de christelijke Kerk, niet alleen in het gehoor des Woords, maar ook in het gebruik des Avondmaals...
Om ja te zeggen is dus nodig dat wij vergeving der zonden hebben door het geloof in Zijn bloed. En dat geloof houdt in dat God ons Zijn Zoon tot een Zaligmaker geschonken heeft. Tegelijk betekent het dat wij door de kracht van de Geest een lid van Jezus Christus en van Zijn Kerk zijn geworden. Hier valt iets te leren. Er is om te beginnen geen lidmaatschap van de Kerk denkbaar zonder lidmaatschap van Christus. Elke vorm van toestemming in de leer zonder volharding en gemeenschap tot het Avondmaal toe, , en dat als grond tot het afleggen van openbare belijdenis des geloofs, leidt tot ijdel gebruik van het woord 'geloof'. Beter om mensen te adviseren te wachten en intussen zichzelf te onderzoeken en Gods troon aan te lopen, dan om een 'papieren kerk' groot te maken en het instituut te verstevigen door de bewering dat er nu eenmaal lidmaten moeten zijn... Aan de ene kant wordt dus in dit formulier vastgehouden aan de traditie, aan de overlevering, aan de lijn der geslachten, aan het teken en zegel van Gods verbond; aan de andere kant wordt het persoonlijke leven met God, de wedergeboorte, het krachtige werk van de Heilige Geest ten volle gehonoreerd. Dat is me dunkt de klassieke gereformeerde lijn. Zo en in die lijn handelde Calvijn met zijn catechisanten in Straatsburg, en in diezelfde lijn liggen de vroege kerkraadsnotulen uit ons land, wanneer er belijdenis werd gedaan, hetzij in de kring van de kerkeraad, hetzij in de dienst der gemeente, vlak vóór de bediening van het Avondmaal. Men zie o.a. ten bewijze de oudste kerkeraadsactaboeken der gemeenten Ridderkerk en Streefkerk.
De vragen nu
Wanneer ik me niet vergis, zijn de vragen in de door het dienstboek voorgestelde orde van dienst voor de openbare belijdenis des geloofs in feite uit de kringen van de Gereformeerde Bond afkomstig. Zij bevatten ten eerste de klassieke vraag naar het geloof in de drieënige God. Alteveel is onder ons vergeten dat heel het belijden der Kerk trinitarisch van aard is (Haitjema) d.w.z. de drieënige God tot onderwerp en voorwerp heeft. Het gaat om het geloof in Gód! Wat het meest vanzelfsprekend schijnt, moet vaak het meest van onder het stof vandaan gehaald worden en bij vernieuwing geleerd worden. Het geloof is uit en tot God. Dan is daar die wat saamgedrongen vraag:
Aanvaardt gij de roeping om, als lidmaat van de gemeente die God Zich in Christus ten eeuwigen leven verkoren heeft, door Zijn genade tegen de zonde en de duivel te Strijden, uw Heiland te volgen... enz.
In deze vraag komen verschillende elementen naar voren, 't Hart van de vraag is de gemeente die God Zich in Christus verkoren heeft. Door het geloof wordt een mens een lidmaat van Christus en van Zijn gemeente én wordt hij verzekerd dat de Heere hem van eeuwigheid heeft op het oog gehad en verkoren. Maar vanuit dit grote heil, dat vaster ligt dan de bergen der aarde staan, komt een grote roeping op de lidmaten af, namelijk om tegen zonde en duivel te strijden, de Heiland te volgen en te belijden en met blijdschap te arbeiden in Zijn Koninkrijk. In deze volgorde moet het me dunkt aan de belijdeniscatechisanten voorgelegd worden.
En tenslotte legt de derde vraag de band met het heilig Avondmaal en met de inhoud van de Doop, wanneer trouw gevraagd wordt onder de bediening van Woord en sacramenten, en wat het persoonlijk leven aangaat volharding in gebed en Schriftlezing en meewerken aan de opbouw der gemeente van Christus. Hier komt sterk het aspect van de trouw en de volharding naar voren, een element dat wij eveneens in de vragen bij de volwassendoop tegenkwamen. Deze vraag zet bovendien in met de woorden:
Wilt gij, in de gemeenschap der Nederlandse Hervormde Kerk en onder haar opzicht, getrouw zijn... enz.
Juist met het oog op de vragen rond een meervoudig lidmaatschap, waarbij men van verschillende kerken lid kan worden, en gerekend met de geringschatting waarmee velen over het lidmaatschap van een kerk spreken, is dit een uiterst gelukkige formulering. Hier wordt geen ruimte gegeven aan mensen die wel belijdenis willen afleggen maar zich en hun geloof te hoog achten om lid te worden van een gewone, institutaire kerk. Van Ruler heeft gewezen op de manieren waarop de Heilige, Geest Zich bedient van het institutaire, en onze Nederlandse Geloofsbelijdenis waarschuwt tegen de hoogmoed waarmee mensen op zichzelf willen staan.
Tegelijk laat deze formulering ruimte voor de Kerk die God zij dank meer is en anders is dan de Hervormde Kerk in ons land. Juist door de gemeenschap der Hervormde Kerk tussen komijia's te plaatsen, heeft de opsteller deze woorden gekwalificeerd als een belangrijke bijzaak. Het gaat en blijft gaan tot in de eeuwigheid toe om het lidmaatschap van Christus en Zijn gemeente.
Overigens is de functie van die zichtbare en tastbare Kerk van die Hervormde Kerk, van dat instituut en die organisatie veel meer dan dat er een kaartenbak bestaat, waarin ook onze namen voorkomen en daarmee basta. Nee, het gaat om gemeenschap en opzicht. U hoort de klanken van de vragen aan een te bevestigen ambtsdrager. Ook hier valt de eenheid met de klassieke formulieren op. Gemeenschap: in die Hervormde Kerk zoek ik naar de band met het lichaam van Christus en met allen die de Heere vrezen, en geef ik mij met liefde aan de andere ledematen van Zijn lichaam. Opzicht:
eenmaal voor het eerst en daarna altijd weer moet ik getrokken worden uit de duisternis van mijzelf en wat mij omgeeft, tot Gods wonderbaar licht. Opzicht is verwant met tucht, en tucht heeft met 'trekken' te maken. Trek ons, Heere, wij zullen U nalopen.
Zo liggen de zaken in de Kerk en daarom zijn op deze wijze de vragen geladen die aan de a.s. lidmaten gesteld worden. In de gemeenschap der Nederlandse Hervormde Kerk, zo stelt het de derde vraag. Maar in de formule waarmee de lidmaten verklaard worden te zijn opgenomen in de gemeente staat: ...verklaren wij u, in de gemeenschap der Kerk van Christus, tot belijdende leden der Nederlandse Hervormde Kerk... Deze weken staan jongere en oudere mensen gereed om hun ja-woord te geven. Waar zeggen zij ja op? God geve dat wij lidmaten verkrijgjen die lidmaat van Christus geworden zijn en alzo van Zijn gemeente, maar die juist daarom lidmaten willen zijn van de georganiseerde gemeente om Zijn Naam te belijden, de armen christelijke handreiking te doen en te volharden in het Schriftlezen, in de gebeden en bij de sacramenten.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 maart 1978
De Waarheidsvriend | 22 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 maart 1978
De Waarheidsvriend | 22 Pagina's