De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Weerstanden tegen de openbare geloofsbelijdenis

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Weerstanden tegen de openbare geloofsbelijdenis

9 minuten leestijd

De tijd lijkt voorbij, dat in de gemeente massaal belijdenis des geloofs werd gedaan. Nog niet zo heel lang geleden waren het grote scharen van vijftig, soms tachtig jonge mensen, die op Palmzondag plechtig hun ja-woord uitspraken in het midden van de gemeente, waar ze woonden. De traditie was om rondom het twintigste levensjaar, als men zo langzamerhand te oud werd voor de gewone katechisatie, geloofsbelijdenis af te leggen. Hier en daar was dat zelfs een soort sociale gebeurtenis: de geloofsbelijdenis was teken van volwassenheid; men telde kerkelijk en ook maatschappelijk mee als een mondig mens.

Nogmaals die tijd lijkt voorbij. 't Zijn in onze dagen veelal kleine aantallen mensen, die soms na veel aarzelingen er toe komen om hun geloof in het midden der gemeente te belijden. En iedere predikant heeft bij de 'werving van belijdeniskatechisanten' vaak heel wat weerstanden te overwinnen. Dat hoeft niet in alle opzichten een verlies te zijn. Want traditie kan inhoudsloos zijn, terwijl zij, die na veel weer­ standen er toch toe komen om het geloof te belijden een gerijpte en verantwoorde beslissing kunnen nemen.

Daar moet je bekeerd voor zijn!

Over weerstanden gesproken tegen de openbare belijdenis des geloofs, ze zijn er tot op zekere hoogte altijd geweest, al werden ze in het verleden vaak overwonnen door een 'zachte drang van thuis' om het toch maar te doen. De bezwaren zijn dan meestal van die aard, dat men de openbare geloofsbelijdenis bewust wil beleven als een acte van persoonlijk geloofsgetuigenis en niet slechts als een verstandelijk instemmen met de leer van de kerk. 'En', zo wordt dan nogal eens gezegd, daar ben ik helaas nog niet aan toe; ik twijfel nog zo vaak. Bovendien is mijn leven er niet naar. Je neemt heel wat voor je rekening, als je je geloof belijdt. En ik wil het niet doen, zoals die velen, die er niet naar leven en alleen maar als papieren lidmaten in de kerkelijke boeken staan.

Over deze en andere bezwaren tegen de openbare geloofsbelijdenis zou heel wat te zeggen zijn. Ik volsta met er op te wijzen, dat het juist is om de openbare geloofsbelijdenis te zien als een publieke keuze voor de levende God en Zijn Christus. 'Uw volk is mijn volk en Uw God mijn God (Ruth. 1 : 16b) God is niet tevreden met een verstandelijke instemming met de leer. Kan Hij niet met recht vragen aan een jong mens, die zoveel jaren op allerlei wijzen van Hem gehoord heeft; 'Mag ik nu eens weten, hoe jij over Mij denkt; wie zeg je, dat ik ben? ' Hoe rijk als we geleerd hebben mede door het katechetisch onderricht om in de stilte van het bidvertrek te zeggen: Mijn Heere en mijn God'. Hoe rijk, als we het niet meer kunnen laten om onder vele getuigen openlijk uit te spreken: Ja, U kiest mijn hart eeuwig tot zijn Koning'. Maar wil dat dan ook zoveel zeggen, als dat men hiermee plechtig betuigt:

'Ik ben bekeerd? ' Aan een oude christen werd eens gevraagd: Bent U bekeerd? ' Hij antwoordde: Ik ben er mee bezig'. Een verandering van het hart door Gods Geest, een afkeer van de zonde en een toewending van heel ons leven tot de levende God en Zijn Woord is ons allen nodig. Maar 'bekeerd' (voltooid verleden tijd) als een zaak, die kant en klaar is, wie kan dat van zichzelf zeggen? Het is soms veeleer: Ik geloof, Heere, kom mijn ongelovigheid te hulp' (Mare. 9 : 24) De geloofsbelijdenis is daarom dan ook geen bewijs van een perfect zedelijk gedrag. Ze is belijdenis als van een tollenaar: God wees mij de zondaar genadig (Luk. 18 : 13). Ze is belijdenis als van een ellendig mens: Ik dank God door Jezus Christus, onze Heere'(Rom. 7 : 25). Ze is betuiging als van Paulus: Wiens ik ben. Welke ik ook dien' (Hand. 27 : 23) En ieder vrage zich in gemoede af: Kan dat niet lijden met zo'n grote God? ' Christus vraagt het op de man af als bij Petrus: Hebt gij Mij lief? En 't komt er vaak stuntelig, maar tegelijk hartelijk uit: Heere, Gij weet het, dat ik niet los van U ben' (Joh. 21 : 15v.) Dan beamen we ook de dingen, die onder ons volkomen zekerheid hebben (Luk. I : 1). En al is daar dan vaak nog de twijfel en de aanvechting, de God van onze doop met uitgestoken hand laten staan, nee, dat kan dan niet langer.

Niet één bepaalde kerk. Belijden-doen

Maar over weerstanden tegen de openbare belijdenis gesproken, in onze tijd komen jonge mensen nogal eens met andere bezwaren. 'Waarom die kerkelijke acte', vraagt men. 'Je kunt tóch wel geloven, ook al betuig je dat niet in het midden der gemeente. De Bijbel schrijft zoiets niet voor. Waarom zou ik niet aan het heilig avondmaal mogen, ook al sta ik niet ingeschreven in het lidmatenboek van de kerk'? 'Bovendien', schreef mij een jonge man, die zich sterk tot de vrije groepen aan de rand van de kerk aangetrokken voelde, 'God heeft mij nog niet duidelijk gemaakt, in welke gemeente Hij mij hebben wil. Het kiezen voor Christus is voor mij belangrijker dan het kiezen van een kerkgenootschap.. Ik weet mij verbonden met alle christenen op aarde'. Als men lid wil worden van een kerk, dan van één oecumenische kerk. Anderen gaan weer een andere kant op met hun bezwaren en zeggen: 'Belijden-is-doen'. Alle nadruk op het doen van alle christenen in de wereld. Belijdenis van het geloof afleggen vindt men een onvruchtbare zaak, als het slechts een betuiging van overeenstemming in de leer is.

Vele vragen. Het antwoord zou dan ook veel uitvoeriger moeten zijn dan in het bestek van één artikel mogelijk is. Wat betreft de weerstanden tegen de openbare belijdenis ais kerkelijke acte, zou ik in elk geval willen wijzen op het gevaar van individualisering van het geloofsleven. Vergeten we vooral niet, dat de gemeente juist ook in het komen tot geloof en de bewaring bij het geloof een betekenisvolle rol speelt. De gemeente is niet alleen 'voedster', maar ook 'hoedster' van het leven des geloofs. Het is nogal van belang, dat er degelijk onderricht is in de leer (didachè; Hand. 4 : 42). En het is nogal van belang, dat de dienaren van de kerk na gedaan onderricht zich vergewissen van wat er leeft bij de catechumenen (leerlingen), zoals Filippus dat deed bij de man uit het land van Candace. Hij liet hem eerst zijn geloof belijden, alvorens hij hem doopte (Hand. 8 : 37) En zou het dan ook niet, juist ook om de tafel des Heeren heilig te houden, goed en nodig zijn, dat we de gulden regel, die altijd opgeld heeft gedaan in de kerk, nl. dat we onszelf en elkaar beproeven, of we in het geloof zijn, in ere houden? Het geloof is niet maar een aller privaatste zaak, die alleen God en mijn ziel aangaat. En de geloofsbelijdenis is, juist ook omdat zij geloofsbelijdenis midden in de wereld van alle dag zal moeten zijn, een zaak van de gemeente. Samen met al de heiligen...! Dat brengt dan ook een keuze van een bepaalde kerk met zich mee. Waarom ook niet? Men spreekt zich daarmee toch niet uit voor die kerk als voor de alleenzaligmakende? Maar wel spreekt men uit te willen behoren bij die gemeenschap, die 'openbaring van het lichaam van Christus' is, waar men zich ook met God en met ere aan verbonden weet en waarin men in onderling dienstbetoon elkander mag stichten, zoals ware lidmaten betaamt. En waarom zou men dat niet zoeken in de kerk der vaderen, die ondanks alle afval en verval een planting des Heeren is? Op dat erf der vaderen zijn wij geboren. Daar ontvingen we het 'onherroepelijke' en 'onherhaalbare' teken van de doop. Daar ontvingen we door de ambtelijke bediening van zondag tot zondag onderwijs. Daar verkwikt de verhoogde Heere aan Zijn tafel 'onze arme troosteloze ziel', (art. 35 N.G.B.) 'Wij zijn allen schuldig', zegt artikel 28 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis, 'onszelf bij de heilige vergadering van Gods volk te voegen en ons daarmee te verenigen, ' onderhoudende de enigheid der Kerk, ons onderwerpende aan haar onderwijzing en tucht, de hals buigende onder het juk van Jezus Christus en dienend de opbouwing der broeders naar de gaven, die ons God verleend heeft, ais onderlinge lidmaten van eenzelfde lichaam'. 'Niemand van wat staat of kwaliteit hij zij, behoort zich op zichzelf te houden om op zijn eigen persoon te staan'.

En dan tenslotte die ene oecumenische kerk en dat gezamenlijk doen van alle christenen in de wereld! Welnu, de eenheid van de kerk is iets, dat ons allemaal zeer ter harte dient te gaan. Maar dan op de wijze, waarop Christus het ons voorhield in Zijn Hogepriesterlijk gebed: Opdat zij allen één zijn, gelijkerwijs Gij, Vader, in Mij en Ik in U, dat ook zij in Ons één zijn; opdat de wereld gelove, dat Gij Mij gezonden hebt' (Joh. 17 : 21). En dat bereiken we natuurlijk niet, door alle bestaande kerken af te schrijven en een nieuwe, oecumenische kerk te stichten, de zoveelste dan..! De eenwording van Christus' kerk komt slechts recht in het vizier, als alle christenen in alle kerken er van nu voortaan naar zouden staan om verdiept te worden in het geloof en te komen tot de mannelijke wasdom van het geloof in Christus (Ef. 4 : 13 vv). Dat drijft naar elkaar toe. Dat is meer dan een verstandelijk met elkaar overeenstemmen in de leer. Dat is een hartelijk leven uit het wonder van de begenadiging van zondaren. En eerst zo komt het recht tot een gezamenlijk doen in de wereld, waarin wij leven. Een bruid, die voor haar man versierd is. Een stad op een berg, niet verborgen. Belijden is niet doen. Belijden is daadwerkelijk leven uit hetgeen gedaan is door Jezus Christus onze Heere.

Straks klinkt het weer in vele kerken: 'Belijdt gij te geloven...? ' Zeg het dan maar: 'Ik geloof een heilige, algemene christelijke kerk, de gemeenschap der heiligen....' En daar dan van: 'een levend lidmaat'. En dat: 'eeuwig blijven'.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 maart 1978

De Waarheidsvriend | 22 Pagina's

Weerstanden tegen de openbare geloofsbelijdenis

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 maart 1978

De Waarheidsvriend | 22 Pagina's