Artikel 31 en de kerkelijke praktijk
'Wij geloven, dat de Dienaars des Woords Gods, Ouderlingen en Diakenen tot hun ambten behoren verkoren te worden door wettige verkiezing der kerk, met aanroeping van de naam Gods en goede orde, gelijk het Woord Gods leert. Zo moet zich dan een iegelijk wel wachten, door onbehoorlijke middelen in te dringen maar is schuldig de tijd te verwachten, dat hij van God beroepen wordt, opdat hij getuigenis hebbe van zijn beroeping, om van haar verzekerd en gewis te zijn, dat zij vam de Heere is.'
Zo staat in het artikel 31 van de Nederlandse Geloofs Belijdenis. Een gereformeerd ambtsrapport in notedop. De Vrijgemaakte Gereformeerden hebben dit belijdenis artikel uitdrukkelijk met hun naam verbonden. Ambt en kerkelijke orde staan bij hen hoog genoteerd. En ook wie in de praktische uitwerking bij hen wel eens vragen stelt, zal moeten beamen, dat op het punt van ambt en orde de belijdenis der kerk hoog genoteerd staat. Maar dat mag dan ook van allen, die het met Schrift en belijdenis ernstig nemen, verwacht worden. Dat mag ook van Hervormd Gereformeerden verwacht worden. We hebben niet de belijdenis op onderdelen maar als gehéél, in alle delen ernstig te nemen.
Aangevochten
Toegegeven, juist in onze verdeelde Hervormde Kerk is het ambt ook vaak aangevochten en ondermijnd. We kunnen er ons terecht over beklagen, dat we nog steeds geen uitgewerkte ambtstheologie hebben en dat desalniettemin gewichtige beslissingen voelen als de toelating van de vrouw tot het ambt en nu recent de beslissing over het verlenen van de predikantsstatus aan hulppredikers, al hebben we met name wat dit laatste punt betreft vrede, omdat de orde erdoor bevorderd is en de sacramentsbevoegdheid duidelijk aan het ambt gekoppeld is.
Bij ter synodetafel liggende ambtsontwerpen in het verleden hebben we ons als Hervormd Gereformeerden tot het uiterste ingespannen om het presbyteriaal - synodale karakter van onze kerk te behouden, omdat we hierin de door de Reformatie gegrepen bijbelse structuur van de kerk zien, waarin de ambten op bijbelse wijze fungeren en we de kerkelijke vergaderingen ook op de ambten kunnen aanspreken. Want juist ook terzake van déze kwestie gaat het om Schrift én Belijdenis.
Ook op andere wijze
Ook in ander opzicht is de belijdenis aangaande het ambt een aangevochten zaak in onze kerk. Het gaat in de kerk niet alleen om het ambt, het gaat ook om de prediking en de kenmerken van de rechte prediking, het gaat ook om het ten deze zuiver houden van de gemeente. In allerlei gemeenten waas en is het spanningsveld tussen ernerzijds het ambtelijke karakter van de gemeente en anderzijds het niet door Schrift en belijdenis bepaalde karakter van de prediking zó groot geworden, dat een noodzakelijke uitweg ontstond naar wat onder ons de evangelisaties heten; kerkelijke noodbehuizingen, terwille van de rechte prediking en zielzorg! Maar méér dan noodbehuizingen zijn het niet. Zij missen de ambten en derhalve de sacramenten en daarmee twee wezenlijke peilers van de gemeente van Christus. Om die reden zijn er altijd predikanten geweest, die niet in evangelisaties voorgingen, om motieven die we vanwege Schrift en Belijdenis niet kunnen kleineren. Anderzijds kunnen we zeggen, dat de voorgangers zélf ambtsdragers zijn en deswege met ambtelijk gezag in een evangelisatie aan de leden der gemeente - want dat zijn het toch - de woorden Gods mogen brengen. Maar dan nóg dient beseft, dat het geschiedt zonder de ouderlingen, die toch zitten op de leer, en zonder de diakenen, zonder de van Christuswege ingestelde instituties.
Het is bekend hoe in allerlei evangelisaties beseft wordt, dat wezenlijke elementen van het gemeenteleven worden gemist, waarom men ook met ongeduld uitziet naar de dag, dat een normaal gemeenteleven onder enerzijds de rechte prediking en anderzijds de ambten (mét de sacramenten) mogelijk is. Het is echter geen best teken als door de jaren heen een zodanige gewenning optreedt, dat men de ambten en de sacramenten niet meer mist en men tevjeden is geraakt met de groep (want de gemeente is het niet) en met het feit, dat men toch de prediking heeft. Op den duur betekent dit verschraling van het geestelijk leven. Is het immers geen nood als opgroeiende jongeren nooit een doopdienst meemaken, nooit de bediening van het Heilig Avondmaal meebeleven, nooit eens ambtsdragers in de kerkdiensten tegenhouden? Nogmaals, velen lijden aan het gemis van deze instellingen van Christus in de evangelisaties. Maar het kan niet worden ontkend, dat er ook situaties zijn waar het gemis niet meer wordt gevoeld. Dat is óók een noodsituatie. En het is óok een noodsituatie, dat de kerk er niet méér aan heeft gedaan om deze situaties te voorkomen en tegen te gaan. De noodgemeenten, nu deelgemeenten, zijn in gemeenten van Hervormd Gereformeerde signatuur bij hopen in het leven geroepen. De vlotte wijze, waarop dat immer gaat, steekt schril af bij de ellenlange weg, die evangelisaties moeten gaan, die werkelijk hunkeren naar een normaler gemeentelijk leven, maar die op sleeptouw worden gehouden door plaatselijke kerkeraden. Artikel 31 herinnert ons immers aan de noodzaak van wettige ambtsdragers, gekozen met goede orde!
Van de nood een deugd
Intussen is het zo - en dat moet hier ook een keer uitdrukkelijk worden genoemd - dat van de nood soms ook een deugd wordt gemaakt. Er zijn helaas gevallen waar het zicht op de gemeente, op de ambtelijke structuren zó verduisterd is dat alles er mee door kan en de weg naar een normaal gemeentelijk leven niet meer begeerd wordt. De Schrift en de belijdenis worden met de mond wellicht geprezen-hoog geprezen misschien en terzake van de prediking bij nog slechts weinigen op de rechte wijze gevonden - maar Schrift en Belijdenis worden opeens met voeten getreden als het gaat om de ambten.
De Dienaars worden door wettige verkiezing met aanroeping van de naam Gods en met goede orde gekozen, zegt de belijdenis; en wel gelijk het Woord Gods leert, wordt eraan toegevoegd. Wat dit laatste, betreft: de Schrift zegt immers, dat niemand zichzelf die eer aanneemt maar die van God geroepen is. En de Reformatie heeft hierin terecht, naar bijbels recht de middellijkheid van de gemeente bij inbegrepen; door de gemeente en mitsdien van God geroepen.
Hoe vloekt met dit alles een stukje praktijk onder 'ons', waar het kennelijk mogelijk is dat mensen zichzelf aanstellen tot voorgangers en door evangelisaties op de been gebracht of gehouden worden. Dat kwaad moet ook maar eerlijk gesignaleerd, omdat het zo lijnrecht indruist tegen de Schrift en de belijdenis der kerk. Onze kerk kent het instituut hulpprediker en heeft daarvoor de kerkordelijke kaders met de daaraan gegeven bevoegdheden geschapen. Hetzelfde geldt voor catecheten. En verder zijn er allerlei dispensatiebepalingen. Maar immer gaat het dan om kerkelijk verleende bevoegdheden. En velen hebben met grote trouw - gegeven de hun verleende bevoegdheden - gewerkt. Geen kerk kan het zich echter permitteren dat mensen buiten de kaders van de hun verleende bevoegdheden treden, door zichzélf bevoegdheden te verlenen, zeker ook als het gaat om de dienst van het Woord. Dat dit in de rechterflank van de Hervormde Kerk wel geschiedt is geen eer maar schande.
Gegeven het feit, dat wij het instituut evangelisatie kennen, vergrijpen sommigen zich aan de inzettingen des Heeren. Het komt voor, dat mensen in andere kerken niet aan de slag kwamen - gelukkig zijn het incidentele gevallen - maar zich in de Hervormde Kerk een das ombinden en zich indringen in groepen, die al in de marge van het kerkelijk leven zich ophouden, om daar dan de dominee te spelfen en intussen de weg naar normaal gemeentelijk leven helemaal blokkeren. Men spreekt rustig over het ingeleid worden tot de dienst in een 'officiële kerkdienst', terwijl er in het geheel geen sprake is van enige vorm van echt gemeentelijk leyen met ambt en sacrament. Men spreekt over 'collega's', die vervangen zullen. Gesproken wordt en geschreven, kolommenlang in het kerkblad, over de mogelijkheid van pastorale bearbeiding van mensen buiten de 'gemeente'. Artikel 31 van de N.G.B, wordt kennelijk niet gekend!
Hoelang zal dit kwaad kunnen voortduren? Kennelijk zijn er altijd weer groepjes te vinden, die dezulken op de been brengen en houden. Helaas gaan soms ook kerkeraden niet vrijuit.
In de vooroorlogse jaren werden zulke gevallen altijd met naam en toenaam in De Waarheidsvriend - met name door ds. J. J. Timmer - vermeld. Het gebeurde soms onder de kwalificatie 'onkerkelijk gescharrel'. Welnu, dat is het ook. We zullen hebben te bedenken, dat de strijd om Schrift en belijdenis in het geheel van de Hervormde Kerk volkomen ongeloofwaardig wordt als ter anderer zijde niet met de hele belijdenis, ook terzake van het ambt en het naar goede orde verlenen van bevoegdheden, wordt gerekend.
Intussen leert de uitkomst van kwade kerkelijke of liever onkerkelijke praktijken hoe doodlopend de eigen gekozen wegen zijn. Verbittering en tweedracht zijn niet zelden de eerste vruchten en op de duur verwelkt het geestelijk leven.
Er is een kwaad dat ik gezien heb onder de zon, zegt de Prediker. Welnu, dat geldt van heel wat situaties in onze kerk terzake van het ambt. Maar zelf zijn we hier niet brandschoon. Integendeel! Er is ook in de rechter flank van de kerk wildgroei, strijdig met art 31 van onze onvolprezen belijdenis, tot schade van de opbouw van het kerkelijk leven. Er kan zoveel mee door in ons Kerkelijk leven, klaagt men soms. En tegelijk kunnen onkerkelijke praktijken er óók mee door.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 maart 1978
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 maart 1978
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's