De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Einde van het apostolaat in zicht?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Einde van het apostolaat in zicht?

11 minuten leestijd

De kerk op zijn grondvesten zien schudden is geen uitzonderlijke gebeurtenis meer. We kunnen nog verder gaan. Het behoort tot de alledaagse feiten, dat mensen in de kerk daaraan meewerken. Halen we het paard van Troje niet binnen?

Zijn er geen wolven in schaapskleren in de gemeente van Christus? Horen we geen geluiden met instemming van velen die het wezen en de taak van de gemeente van Christus ontkrachten?

Dit soort gedachten kwamen (weer eens) boven toen we in Woord en Dienst van 18 febr. j.l. een artikel lazen van dr. P. B. Dirksen, getiteld 'Zending onder Moslims'. Dr. Dirksen is geneigd te zeggen, dat evangelisatiearbeid onder Moslims in westerse landen niet kan worden verricht. Hij blijft zich vooralsnog voorzichtig uitdrukken. Hij spreekt over een 'neiging in die richting'.

Zijn stem staat echter niet op zichzelf. In 'Vandaar' van febr. 1978 treffen we in artikelen van drs. J. Slomp en ds. J. M. Hoekstra soortgelijke geluiden aan. In het artikel van drs. Slomp staat aan het slot, dat wij als christenen ons dienen te beijveren in het doen van goede werken op grond waarvan moslims God zullen verheerlijken. Tevens dat wij 'die goede werken moeten doen zonder bijmotieven en zonder krampachtigheid'. Als we dat doen 'kunnen we het resultaat daarvan overlaten aan de God van Abraham! Het artikel van ds. J. M. Hoekstra besluit met het overnemen (met instemming en aanbeveling) van een zinsnede uit hef boekje van dr. D. C. Mulder, 'Ontmoeting van gelovigen'. Deze zinsnede luidt: 'We aanvaarden, dat het onze roeping als christenen is om volop deel te nemen aan Gods Zending (missio Dei) met een moed van overtuiging, die ons in staat stelt dingen te wagen. We zouden in alle bescheidenheid met onze medemensen op weg willen gaan in een volhardende pelgrimstocht. Wij zelf zijn nadrukkelijk discipelen van Christus maar mogeq Hem niet beperken tot wat wij van Hem begrepen hebben. In onze relaties met vele menselijke gemeenschappen leren we Christus beter kennen als Gods Zoon en de Zaligmaker der wereld; we wassen op in Zijn dienst in de wereld en we verblijden ons in de hoop, die Hij schenkt'.

Tevens willen we wijzen op de diskussie, die rond de dialoog gaande is. Sommigen willen zo ver gaan, dat in andere godsdiensten Christus 'anoniem' aanwezig is. Anderen willen een 'gemeenschap van 'religieuse' gemeenschappen'.

Door dergelijke opvattingen menen wij, dat tekort gedaan wordt aan de opdracht het Evangelie te prediken aan alle creaturen (Mk. 16 : 15; Mat. 28 : 19; Hand. 1 : 8; etc.)

Bovengenoemde feiten vormen voor ons de aanleiding om in een weerwoord op het artikel van dr. Dirksen de vraag te stellen of wij inderdaad binnen afzienbare tijd aan het einde van het tijdperk van het apostolaat gekomen zullen zijn. Stemmen in die richting zijn al te beluisteren. Naar ons besef moeten wij in dergelijke uitlatingen pogingen zien om de gemeente van Jezus Christus bij haar fundamenten aan te tasten. Wij willen er op wijzen, dat wij in deze mening niet alleen staan. We kunnen denken aan een artikel van prof. D. J. Kohlbrugge in Woord en Dienst van 17-12-77, getiteld: 'De vreemdeling, die in uwe poorten is', waarin gewezen wordt op de noodzaak het Evangelie te verkondigen ook aan de gastarbeiders uit moslim landen. In kleinere kerken en in groepen weerklinken in ons land gelijke geluiden terwijl deze ook te beluisteren vallen in landen om ons heen.

Het apostolaat na 1945

De Nederlandse Hervormde Kerk heeft in de na-oorlogse jaren gewerkt aan de tot standkoming van een nieuwe kerkorde. Het kenmerkende van deze nieuwe kerkorde bleek toen het nieuw gewonnen inzicht, dat het apostolaat vooraf diende te gaan aan het belijden van de kerk. De volgorde, waarin deze onderwerpen achtereenvolgens in de artikelen een plaats kregen, illustreerde dit nieuwe standpunt. Velen meenden, dat zending en apostolaat het wezen van de kerk vormden. Op grond daarvan ging men aan de slag en voegde de daad bij het woord. Kritiese stemmen hebben toen al gewaarschuwd. Hoe zal men er op uitgaan, voordat men weet, waarmee men de wereld in zal trekken? Ons inziens dient er duidelijkheid verkregen te worden op het punt van het belijden, aleer de kerk naar de wereld toe kan gaan. Dat gold niet alleen toen, maar ook nu. Alle waarschuwende stemmen ten spijt is de kerk aan het werk gegaan zonder duidelijke instrukties. Zonder een belijnd weten, waarmee men de ander dient te ontmoeten. Als kerk hebben we aan de huidige uitholling van ons kerkelijk bestaan meegewerkt. De boodschap stond nog niet vast, maar de werk.ers gingen al uit. De blijde tijding had zijn formulering nog niet gevonden, maar de 'gezondenen' waren al op weg.

Nu spreken wij over het beangstigende verschijnsel van ontkerkelijking en saecularisatie. Zending in Nederland is aktueel. Wat moeten we denken als we in dat kader het Evangelie niet meer mogen verkondigen aan moslims en eigen mensen? In het licht van het bovenstaande menen wij, dat het nodig is mensen - wie dan ook - tot Christus te leiden en hen te brengen tot bekering en geloof. Wat moeten we denken, als we als uitvloeisel van onze naastenliefde aan de vreemdeling die in onze poorten is, het Evangelie niet meer mogen brengen?

Maatstaven ontleend aan maatschappelijke verschijnselen

Evangelisatie onder moslim-gastarbeiders heet in strijd te zijn met het gebod van de naastenliefde. Het argument, dat hier achter de uitleg van dit gebod staat, is, dat de gastarbeider op ons verzoek hier is gekomen, terwille van ons profijt en vanuit zijn economi-.sche nood. Dat heet tegenwoordig een 'kwetsbare positie'. En mensen, die in een 'kwetsbare' positie verkeren ga je niet omringen met de boodschap van heil in Jezus Christus!

Deze stellingname typeert, hoezeer theologen in de ban zijn geraakt van het huidige denken. Allerlei maatschappelijke situaties en normen reiken ons de maatstaven aan, aan de hand waarvan wij in de kerk dienen te handelen. Wie zo redeneert, weet met de Bijbel geen raad meer. En daardoor schudt de kerk op zijn grondvesten.

Wat moeten we denken van al die kwetsbare mensen in de Bijbel? Wat te denken van de Samaritaanse vrouw, die door haar levenssituatie uiterst kwetsbaar was? Had Jezus er niet beter aan gedaan haar in het verderf te laten?

Wat te denken van de hoofdman in Kapernaum, een romeins 'gast-arbeider' in het Midden-Oosten, kwetsbaar tot en met? Wat te denken van Paulus, die in de grieks-romeinse wereld aan slaven, geringen, mensen van allerlei slag, het Evangelie verkondigde? Had hij er niet beter aan gedaan iets te doen in plaats van iets te zeggen?

In het gebod van de naastenliefde heeft Jezus niet geboden: 'Handen af van deze vreemdelingen, mensen in een kwetsbare positie!' Parallel hieraan komen wij in het pastoraat, met name bij begrafenissen, voor dezelfde vragen te staan. Er bevinden zich dan onder de familie en de belangstellende mensen, die het Evangelie niet meer kennen en van Jezus Christus als Heiland niet meer weten.

Het zou ongehoorzaamheid aan Gods gebod zijn, indien wij hen in deze omstandigheden het Evangelie niet verkondigden. Wie zwijgt verzaakt als christen zijn roeping. Nooit ontslaat het geloof ons van de opdracht naar de mensen toe te gaan. Door te spreken van misbruik van Zijn Naam in dergelijke situaties, zet men de zaken op zijn kop. Achter dit geheel, zitten zoals we merken, theologische constructies. Deze vragen slechts aandacht voor de samenleving terwijl het heil, Gods genade en het behoud niet meer relevant zijn.

Grondslagen voor zending en evangelisatie

Men behoeft de Bijbel maar op te slaan om te ontdekken, dat het geloof niet leeft in een isolement. Christenen zijn niet door muren van anderen gescheiden. Het is een vertekening, wanneer we denken dat het geloof zo iets is als een toestand van 'high' zijn, van in vervoering zijn, van je in een zalig oord bevinden.

Geloof betekent met beide benen op de grond staan en je werk verrichten. Wij weten immers dat aan de gemeente de bediening der verzoening gegeven is. 2 Cor. 5 spreekt hierbij over een diakonie, een dienst, die men heeft te verrichten. Permanent is men gewikkeld in een diskussie, die in botsing brengt met de wereld. Het bijbelwoord leert ons immers, dat het Evangelie niet naar de mens is, maar wel voor hem bestemd. Dit gegeven brengt lijden en strijd met zich mee. Maar een waarachtige gelovige is bereid om persoonlijk zijn leven te verliezen om zo deel te krijgen aan de zending van Jezus Christus. Dit kan onmogelijk uitblijven.

De gelovige weet dat de aarde met al haar schatten en gaven het eigendom des Heeren is (Ps. 24). Het is God, die op onze wereld recht heeft. Daarom spreekt Hij ons aan. Om deze situatie te stipuleren bedenke men dat Paulus in dit verband spreekt over een geestelijke wapenrusting, die onontbeerlijk is. En het gaat daarbij niet alleen om het gebruik van defensieve maar ook van offensieve wapenen: het zwaard van de Geest en de voeten geschoeid met het Evangelie (Ef. 6). Het is niet moeilijk om zo door de gehele Bijbel heen te ontdekken dat de gemeente de roeping heeft om brengster van de goede boodschap te zijn. Deze gedachten zullen ons in de praktijk van zending en evangelisatie leiden bij het nemen van allerlei beslissingen.

De Christiisbelijdenis

Speelt zending en evangelisatie in de Bijbel een rol, in het Nieuwe Testament zien we dat alles zich toespits op de figuur van Christus, Die gezegd toespitst gelijk de Vader Mij gezonden heeft, zend Ik ook u (Joh. 20 : 21). Jn vragen van zending en evangelisatie zitten wij hieraan vast. Onder de zielzorg leven van Hem, die toen gekomen is, betekent zielzorger worden. Lijden en strijd zal ons daarbij niet worden bespaard, omdat een dienaar niet meer is dan zijn Heer.

De weg van Jezus werd omringd door een onafzienbare hoeveelheid vijandschap en lijden. Deelnemen aan de zending houdt in: gemeenschap hebben aan Zijn lijden. Wie de Bijbel serieus neemt, ontkomt niet aan de totaliteits aanspraken van God. Alom moet men horen hoe verloren het leven zonder Hem is en hoe zalig het met Hem is. De kerk vindt haar grondslag in de Christusbelijdenis. In Hem concentreert zich alles en van Hem uit lopen de lijnen naar het gehele leven.

Wie deze lijnen wegwerkt of ombuigt, moet eerlijk zijn en zeggen, dat daarmee het geloof in Christus vaarwel wordt gezegd. Wie de verlossing, die in Christus is op losse schroe­ ven zet, moet ridderlijk erkennen, dat hij dan volgens de Bijbel nog in het verderf ligt. Wat voor konsequenties de overgang tot het geloof in Jezus Christus ook heeft voor moslimgastarbeiders, het Evangelie zal voor die vragen geen halt mogen houden. De gemeente zal, geleerd door de Schrift, begrip voor deze moeilijkheden moeten worden bijgebracht en er zorg voor moeten dragen dat een opvang mogelijk is. Maar nogmaals lijden zal ook hierbij niet te voorkomen zijn.

Het zou echter een verloochening van Jezus Christus zijn als we Zijn Naam verzwijgen, als zijnde vanwege de omstandigheden niet relevant.

Behoud en heil

Zending en evangelisatie zijn heilige grond. Ons past eerbied en geloofsgehoorzaamheid. Tot de verschijnselen, die in de eindtijd zeker niet zullen ontbreken, behoren zending en evangelisatie. Het Evangelie van het Koninkrijk zal in de gehele wereld gepredikt worden en dan zal het einde gekomen zijn (Mat. 24 : 14). Met andere woorden in het laatste van de wereldtijd zal de verkondiging van het heil centraal staan.

Er is ten aanzien van de getuigende zijde van de gemeente daarom sprake van een noodzaak daartoe. Wee, mij, als ik het Evangelie niet verkondig, zegt Paulus. Er is immers sprake van verloren gaan, wanneer het Evangelie niet wordt vernomen en geloofd. Wiens schuld is het wanneer wij hadden kunnen spreken maar dat verzuimden?

Wij zullen de moderne mens en ook de vreemdeling, die in ons midden is niet in de weg mogen staan om het heil en het behoud te vinden. Dat het bij dit heilzame werk gaat om een comprehensive approach (een benadering waarbij de hele mens in het oog wordt gevat, zodat er sprake is van hulpbetoon met woord én daad) spreekt voor elke evangelisatiearbeid, als vanzelf. Voor ons staat het gebod van de naastenliefde jegens de moslim-gastarbeider in het teken van de voortgang van het apostolaat, omdat Jezus Christus de Alpha en de Omega is, het begin en het einde.

Kommissie voor evangelisatiearbeid onder moslim-gastarbeiders uitgaande van de Deputaten voor Zending en Evangelisatie van de Christelijke Gereformeerde Kerken, de Stichting Morgenlandzending, de Gereformeerde Zendingsbond in de NHKerk (GZB) en de Hervormde Bond voor Inwendige Zending op G.G. (IZB).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 maart 1978

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Einde van het apostolaat in zicht?

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 maart 1978

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's