Pasen en het ongeloof
En uit vrees van hem zijn de wachters , zeer verschrikt geworden, en werden als doden. Mattheüs 28 : 4
Blijkbaar keert de rust bij de vijanden van Christus niet terug op het moment dat Jezus sterft. Op het ogenblik dat Christus de laatste adem uitblaast keren zijn vijanden in ieder geval niet vergenoegd en bevredigd naar huis om over te gaan tot de orde van de dag. Hadden ze dan hun doel nog niet bereikt? De zaak van Jezus van Nazareth is nu toch afgedaan. Maar de Heere laat ook na Zijn dood Zijn vijanden niet met rust. Na Zijn sterven gaan de overpriesters en farizeeën naar Pilatus met het bekende verzoek (Matth. 27 : 62 e.v.). Opmerkelijk is het dat zij niet tegen Pilatus zeggen: ij heeft veel wonderen gedaan, zelfs doden opgewekt; we moeten dus een beetje voorzichtig met Hem zijn. Nee, ze zeggen tegen Pilatus: Wij zijn indachtig dat deze verleider, nog levende, gezegd heeft...
Ze zitten dus met het Woord van Christus. Hoewel Hijzelf niet meer in het land der levenden is, gaat toch de werking van Zijn Woord nog door; zelfs bij Zijn vijanden. Het Woord Gods heeft altijd zijn uitwerking; tot bekering of tot verharding.
De voorzorgen die Jezus' vijanden nemen zijn, zo te zien, waterdicht. Met de wacht plus het zegel van de stadhouder zullen zij voorkomen dat Zijn discipelen het dode lichaam weghalen; maar ook zullen zij Christus Zelf verhinderen dat Hij, op welke wijze dan ook. Zijn eenmaal gesproken woord waar zal gaan maken.
Op Paasmorgen worden echter al die zorgvuldig gekozen maatregelen met één slag weggevaagd. Hoewel die geharde soldaten wel wat gewend zullen geweest zijn, toch schrikken zij geweldig en gaan ontredderd op de vlucht als er een aardbeving geschiedt en een engel verschijnt.
Waar de levende Christus komt, zal Hij degenen die Hem liefhebben vertroosten: 'Vrees niet'; hoezeer Zijn volgelingen ook door onverstand en traagheid van hart in verwarring zijn.
Maar tegelijkertijd zal Hij door ditzelfde komen de meest perfekte maatregelen van Zijn vijanden als met één wenk wegblazen. Zo gebeurde het op Paasmorgen, zo heeft de Heere Zich doen kennen al de eeuwen door, en zo zal het ook geschieden in het eindgericht. Wanneer we nu eens gaan letten op de wape nen die beide partijen hier in Jozefs hof gebruiken, dan moeten we zeggen dat ze toch wel heel erg verschillend zijn.
De vijanden hanteren ook hier weer de wapenen van deze wereld; zij nemen de macht van het wereldrijk van Rome in de arm, en dat rijk op zijn beurt maakt gebruik van het zwaard. Een soldatenwacht laat men aanrukken en men verzegelt het graf met het stadhouderlijk zegel.
Christus gebruikt ook een zwaard; maar het is een geheel andersoortig dan dat van de overpriesters en farizeeërs. De Heere gebruikt dat zwaard waar Hij ook op doelde toen Hij tegen Zijn discipelen zei: . . die verkope zijn kleed en kope een zwaard (Luc. 22 : 36). Hier ligt een stuk onderwijs in voor de kerk in deze wereld. Deze moet namelijk de vijanden bestrijden niet met dezelfde wapenen die deze vijanden hanteren, maar met de wapenen die de Heere Zelf hier gebruikt.
Op dit punt moest Petrus in de hof van Getsemané tot de orde geroepen worden, maar ook wij allemaal; telkens weer. Op dit punt zijn we soms zo wereldgelijkvormig geworden en is dat werelds wapengebruik zo vanzelfsprekend geworden dat we het zelf niet eens meer merken en er ook geen last meer van hebben. We moeten zo maar eens rondkijken en rondluisteren op het kerkelijk erf; ook in de plaatselijke gemeente.
De Heere wil dat we krijg voeren niet naar het vlees en dat de wapenen van onze krijg dan ook niet vleselijk zijn, maar krachtig door God... (2Cor. 10 : 3, 4). Maar als we nu zien welke wapenen God gebruikt hier in Jozefs hof, dan zullen we zeggen: zulke wapenen hebben wij nooit tot onze beschikking. Er geschiedde immers een aardbeving en er verscheen een engel uit de hemel.
Nou, wij mensen kunnen niet beschikken over aardbevingen en engelen.
En toch worden we geroepen soortgelijke wapenen te hanteren; alleen we moeten ons dan niet blindstaren op aardbeving en engel op zich, maar dat wat er gebeurde in de hof moeten we zien als tekenen, als vóórseinen, van het eindgericht.
Net als dat simpele woord van Christus in Gethsemané tot degenen die Hem kwamen gevangen nemen: 'Ik ben het'. Op zichzelf was dit woord niets bizonders; het kwam de bende daar in de donkere hof juist erg goed van pas. Nu wisten ze meteen wie ze hebben moesten; vergissing was uitgesloten.
Maar toch lezen we dat de ganse bende op dit woord terugdeinst en ter aarde valt. Ook dit woord van Christus was a.h.w. een eersteling van de grote oordeelsdag. En niet anders is het met het zwaard des Geestes, Gods Woord. Wanneer dat Woord gepredikt wordt, heeft het ook altijd iets in zich van het eindgericht. Om die reden zal het soms ook beslag leggen daar waar we het helemaal niet vermoeden en verwachten. Denk maar eens aan Felix en aan Agrippa.
Als het Woord recht gepredikt wordt zal er iets in te zien zijn van de Zoon des mensen, zittende ter rechterhand der kracht Gods en komende op de wolken des hemels; 'van nu aan zult gij zien'... (Matth. 26 : 64).
De elementen van dat wat er op Paasmorgen gebeurde in Jozefs hof zullen dus ook terug te vinden zijn in een bijbelse preek. Het geloof hoort daar het: 'Vrees niet'; voor het ongeloof ligt er in een dodelijke verschrikking en het worden als doden.
Gezien de tekst en het opschrift boven deze meditatie letten we nu verder alleen maar op de tweede werking van het Woord en laten we de eerste werking (de vertroosting, het openen van het hemelrijk) rusten.
Wat doet het Woord en met name de prediking nu naar de kant van de vijanden en van het ongeloof?
Wanneer we bij het geven van een antwoord op deze vraag naar onze tekst kijken, zijn we geneigd om hier een in ons kerkelijk taalgebruik vaak gebezigd woord te hanteren: de waarschuwing! Soms is men zelfs geneigd blijkbaar om de kwaliteit van predikant en preek af te meten naar het 'waarschuwen'; hoemeer waarschuwing, zoveel te degelijker de preek. Welnu, de soldaten werden hier dan toch ook maar indringend 'gewaarschuwd' door engel en aardbeving. En natuurlijk ontkennen we dit volstrekt niet; we zouden dan buiten de lijn van de Schrift gaan.
We willen alleen maar stellen dat dit woord 'waarschuwen' hier veel te zwak en te slap is. In de prediking van het evangelie en ook hier in Jozefs hof gaat de Heere veel verder als Hij met Zijn vijanden bezig is.
Met waarschuwen verschuiven we de dingen naar de toekomst; 'straks' zal het slecht aflopen. Waarschuwen is nog veel te vrijblijvend, hoe mooi en genoegzaam men het ook moge vinden. Vermanend, waarschuwend steken we de vinger omhoog en lopen dan weer door. Maar in de evangelieprediking gebeurt er veel meer; het Woord Gods neemt de mensen niet (in gedachten) mee naar het eindgericht, maar omgekeerd: od plaatst dat gericht vóór ons en zet er ons middenin. Als we in de kerk zitten zegt de Heere tegen ons: Komt dan en laat ons samen rechten' (Jes. 1 : 18).
Hier is 'waarschuwen' veel te zwak; we dienen hier woorden te gebruiken als 'aanklagen', 'veroordelen', 'vonnissen'. Ook onze catechismus zegt niet (zondag 23) dat ons geweten ons waarschuwt, maar het klaagt ons aan.
In de prediking verwijst de Heere ons niet (waarschuwend) naar straks, naar morgen; maar (met eerbied gesproken) pakt Hij ons in de prediking beet en spreekt van 'heden'. De wachters werden niet gewaarschuwd voor de komende oordeelsdag, maar in beginsel werden ze nu reeds in dat oordeel gezet; ze werden als doden..Zij beleefden iets van het verschijnen voor het aangezicht van de Rechter van hemel en aarde, net als in Gethsemané.
In de prediking functioneert de eerste sleutel van het hemelrijk (Heid. Cat., zondag 31). Daarin wordt niet alleen maar gezegd wat er straks zal gebeuren met gelovigen en ongelovigen, maar op het moment zelf wordt het hemelrijk geopend en toegesloten. Als we goed luisteren, zullen we op het moment zelf óf koud zijn, óf heet.
Zo was het op Paasmorgen in Jozefs hof. Hoe is dat met onze kerkgang?
Het is zelfs nog een zegen als we 'koud' zijn, zoals de wachters bij het graf. Zij werden namelijk als doden; het was nog niet het eindgericht zelf, ze konden zich nog bekeren. Door de schrik des Heeren wilde God hen bewegen tot het geloof. Wee ons, als we óns ook daartegenin nog verharden; maar ook wee ons als we slechts naar de toekomst gaan verschuiven, met alle diep respekt voor de waarheid. We zijn dan alleen maar lauw.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 maart 1978
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 maart 1978
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's