Gods hand in de geschiedenis
’Gods hand’ in de Kerkgeschiedenis
2
Dan begint de kerkgeschiedenis. Dat begrip is ons vertrouwd. Maar dat was het niet voor de eerste Christengemeenten! Vergeet niet dat men Christus' komst op de wolken spoedig verwachtte. Op een lange geschiedenis hebben zij niet gerekend. Paulus moest Thessalonica met nadruk eraan herinneren, dat eerst nog de afval, de zoon des verderfs (na de weerhouder) moest komen. Denk ook aan de Openbaringen van Johannes! Maar het bloed der martelaren bleek een zaad. De kerk groeide zienderogen in het Romeinse Rijk. Tot zelfs de keizer, Constantijn, capituleert! Eusebius van Caesarea (plm. 265-339), zijn tijdgenoot en bewonderaar, is dan de eerste Christelijke geschiedschrijver. Hij beschreef de algemene en de kerkgeschiedenis tot op zijn eigen tijd. Keizer Constantijn, die de vervolgingen staakte, is voor hem de vervulling van Jesaja's profetie. Daarin ziet hij Gods hand.
Maar deze 'Christelijke' keizercultus doet niet onder voor de heidense ervóór. Zo zagen heidense geschiedschrijvers in heidense keizers goddelijk handelen! Eusebius heeft niet meer beleefd, dat het Christendom zelfs staatsgodsdienst werd (380). Augustinus (354-430) wél. Na zijn bekering (387) prees hij deze 'tempora Christiana' (Christelijke tijden). Maar zij duurden niet lang: in 410 viel Rome in handen der barbaren. Waar was nu Gods hand?
Zo werd de kerkvader gekonfronteerd met de ineenstorting van het Romeinse Rijk onder druk van de volksverhuizingen, dus met het grote wereldgebeuren van zijn tijd. En met de vraag naar het 'waarom'! Men zei dat het wraak der goden en schuld der Christenen was. Augustinus ontwierp toen zijn 'theologie van de geschiedenis': de geschiedenis draait niet om Rome (dat was niet de 'eeuwige stad'!) maar om de Stad Gods, het Koninkrijk van God; e, n om de strijd tussen deze hemelse en fe de stad. Deze stad van God, afkomstig uit de eeuwigheid en bestemd voor de eeuwigheid, heeft intussen wel zijn historische loop in de tijd; de geschiedenis ervan is te beschrijven in zes tijdperken (caesuren bij Noach, Abraham, David, Ballingschap en Christus); de kerkgeschiedenis valt in het zesde; het duizendjarig rijk is al begonnen bij Christus' komst; met Zijn Wederkomst begint het zevende tijdperk, de eeuwige sabbath. Met deze lineaire geschiedbeschouwing doorbreekt Augustinus de cyclische der Klassieken bewust. De antithese tussen beide steden, beide rijken, onthult de zin der geschiedenis en wijst op een schoon Godsplan. Augustinus was geen historicus, ook niet in de klassieke zin zoals Eusebius. Geschiedenisstudie interesseert hem eigenlijk niet. De Civitate is een apologie. Intussen is Augustinus de eerste die de hele geschiedenis der mensheid in één grote conceptie heeft samengevat. En dat heeft vérreikende invloed gehad, 't Is niet zo zeer Gods hand in de geschiedenis, als wel de geschiedenis in Gods hand!
Intussen ging het gebeuren verder. De instorting van het Romeinse Rijk bleek niet de instorting van de kerk, integendeel; nu werden ook andersom de grenzen (Rijn en Donau) doorbroken voor de voortgang van het Woord! (Umlenkung) De kerk kreeg greep op deze Germaanse volkeren, vooral op de Franken. Denk aan de bekering van koning Clovis! De kerstening van Europa begint. De geschiedenis hiervan danken wij aan Gregorius van Tours, de eerste Middeleeuwse geschiedschrijver, (plm. 600) Hij vergelijkt Clovius' overgang met die van Constantijn. Beiden werden christen nadat zij in de oorlog kennelijk Gods machtige ingrijpen hadden ervaren! Voor Clovis' eigen besef was het dus Gods hand geweest. Voor zijn geschiedschrijver natuurlijk ook. Zijn Historia Frankorum is typisch voor de Middeleeuwse geschiedschrijving: het werk begint bij Adam en loopt uit op het eigen volk, de Franken dus; en de bedoeling ervan is Gods handelen met de mensheid te laten zien (Gesta Dei per Francos!).
Tekenend voor de kerstening is de invoering en handhaving v. d. zondag. En Vrucht van deze Middel-eeuws Christelijke geschiedbeschouwing-en beleving is onze Christelijke jaartelling, ingevoerd door Dionysius Exiguus (532). Terwijl Joden rekenen vanaf de Schepping, en Romeinen vanaf de stichting van Rome (dus altijd vanaf een begin) stelt nu de Chr. kerk de geboorte van Christus in het middelpunt van de geschiedenis! En een groot deel van de wereld nam dat over! Wél kreeg de kerk spoedig concurrentie van de Islam, die Mohammed centraal (622) (662), die de stamlanden van de Chr. kerk wegvaagde (Jeruzalem, KI.-Azië, Noord-Afrika!) het gekerstende Europa in de tang nam: een ontzaglijke bedreiging voor het voortbestaan van het Christendom! Aan Karel Martel danken wij de verdediging ervan - mede ook de uitbreiding: hij steunde de zending van Willibrord en Bonifatius terzelfder tijd. Hij heet de 'kampioen van de Christenheid', maar zouden christenen hier niet beter kunnen spreken van Gods hand? ! De maatstaf was immers: bewaring en vermeerdering van de kerk?
Steeds Roomser
Intussen werd de Middeleeuwse kerk steeds 'Roomser' en de Middeleeuwse geschiedschrijving steeds wonderlijker. Met Gods hand in de geschiedenis heeft de Middeleeuwer geen enkele moeite. De heiligen-levens zijn er steeds voller van. Zo is de oudste levensbeschrijving van Liudger, de eerste Nederlandse zendeling, nog behoorlijk betrouwbaar, maar later worden daat steeds meer wonderverhalen aan toegevoegd. In de 9e eeuw wint de legende het. Het middeleeuwse geloof wordt steeds meer wondergeloof, mirakelgeloof, lichtgelovigheid, voor ons besef: bijgeloof. In de late middeleeuwen komt dan de kentering, de secularisering, de verzakelijking, samenhangend met maatschappelijke verandering: het ontstaan van steden en staten. Froissart (1400) lijkt in de beschrijving van zijn eigen tijd (de Honderdjarige Oorlog) meer een moderne journalist, dan de geestelijke die hij is. De humanistische geschiedschrijving van de Renaissance betekent dan een complete 'ontmythologisering'! Over de Middeleeuwen heen greep men nu weer terug op de Klassieke Oudheid. De geschiedenis werd nu gezien als het krachtenveld van menselijke factoren, nuttig als leermeesteres van het leven, beoefend binnen het kader van de retorica meer en meer bestudeerd vanuit de bronnen. Het zicht op Gods hand verdween. . .
Reformatie
Het dilemma middeleeuws mirakelgeloof of humanistische verwereldlijking blijkt gelukkig door de tussenkomst van de deformatie een vals dilemma te zijn! Luther wist zich door God Zelf geroepen om de verdoolde kerk terug te roepen tot het zuivere Evangelie. En waar Gods Woord weer klinkt wordt ook Gods hand weer gezien door het geloof! Luther zag met zijn sterke roepingsbewust zijn in de eigen Hervormingsbeweging Gods hand. Hij besefte het historische ogenblik zelf. Hij ziet God aan het werk. Maar hoe! Op de wijze van het kruis, cruciaal, paradoxaal. De mens is maar instrument in Gods hand. Gods handelen is verborgen achter een masker. God speelt met de volken, Hij straft het éne volk met het andere: Assyrië met Babel, Babel met de Perzen, de Perzen met de Grieken, de Grieken met de Romeinen. Dat zien we alleen door het geloof. Intussen noemt Luther geschiedenisr onderwijs ook nuttig, om de loop der wereld te kennen - ja, om ook Gods wonderen en werken te zien. Dus toch ook 'zien'! Bijvoorbeeld in grote mannen, die God verwekt heeft, ook in de heiden wereld... Net als Augustinus leert Luther twee rijken, maar met dit grote verschil, dat het rijk van de wereld (in gezin, staat en maatschappij) op zich geen zondig rijk is, ja ook valt onder het éne handelen Gods. Alleen spreekt Luther hier van Gods linkerhand! Is dat niet verrassend en verhelderend? Maar evenmin als Augustinus was Luther historicus. Melanchton was dat veel eerder. En dan toch weer op humanistische wijze: geschiedenis als leerschool voor religie en politiek, waarbij de Klassieke Oudheid groot gezag heeft. De vraag rijst of Luther en Melanchton, die beide vrienden, verenigbaar zijn. Spreken hier twee geloofsvisies? Of is hier alleen het verschil tussen een theoloog en een (chr.) historicus in geding?
Overigens: de Reformatie heeft dankbaar gebruik gemaakt van de juist ervoor uitgevonden boekdrukkunst. Men heeft er Gods hand in gezien! Het was ook een open deur!
Anders dan Luther is Calvijn humanist geweest. Zijn bewondering voor de Klassieke Oudheid heeft hij na zijn bekering en als reformator ook niet verloochend. Telkens als wij de werken der heidense schrijvers ter hand nemen, zegt hij in de Institutie, worden wij eraan herinnerd hoe zeer het verstand van de gevallen mens toch nog met uitnemende gaven Gods bekleed en versierd is. Hij noemt dan geleerden, wijsgeren, beoefening van redeneerkunst, geneeskunst, wiskunde, al die kundigheden, die de heidense dichters zelf toeschreven aan de goden, en die Calvijn niet anders dan aan God kan toeschrijven. Hij noemt dan speciaal Gods Geest, spreekt van algemene genade. In onze woorden: Calvijn duidt het beste van de Klassieke beschaving als gave van Gods hand! De genoemde profetische inzichten van Augustinus, Luther en Calvijn mogen wij dankbaar gebruiken (dat zijn dan zéker gaven van Gods hand!) al zijn ze in onze belijdenisgeschriften merkwaardigerwijs niet vastgelegd. Wél spreekt de Heidelbergse Catechismus bij Gods Voorzienigheid (zondag 10) tot drie keer toe van Gods hand, maar noemt daarbij alleen regen en droogte, gezondheid en ziekte (dus de 'natuur'), ook rijkdom en armoede, en alle dingen, maar werkt dat niet uit naar de geschiedenis toe, in b.v. oorlog en vrede, bloei en verval van beschaving. Zij spreekt ook niet zoals Luther van Gods linkerhand of van Gods masker! Minstens zo Christocentrisch is de uitleg van Christus' zitten ter rechterhand Gods (zondag 19), waar Christus Zichzelf bewijst als het Hoofd Zijner Christelijke Kerk, door Wien de Vader alle ding regeert. Schitterende verbinding van Christocratie en Theocratie De Nederlandse Geloofsbelijdenis spreekt bij Gods Voorzienigheid (art. 13) niet expliciet over Gods hand, maar betrekt juist wel het probleem van de zonde, de rol van de duivelen en goddelozen erin en pijlt dieper het ondoorgrondelijke in Gods doen; zonder het kinderlijke vertrouwen te verliezen. Al deze verspreide inzichten samen zouden de bouwstoffen moeten en kunnen zijn voor een expliciet, en geïntegreerd belijden 'aangaande Gods hand in de geschiedenis'. De verdere ontwikkeling van de Europese en wereldgeschiedenis vraagt daar dringend om.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 april 1978
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 april 1978
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's