De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De Emmaüsgangers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De Emmaüsgangers

1

7 minuten leestijd

En wij hoopten, dat Hij was Degene, Die Israël verlossen zou. Doch ook, benevens dit alles, is het heden de derde dag, van dat deze dingen geschied zijn. Lucas 24 : 21

Uit alles wat de evangelist Lucas ons over hem vertelt, is het wel duidelijk dat de twee wandelaars die tegen de avond van de opstandingsdag van Christus op weg naar huis zijn, oprechte discipelen des Heeren waren.

Niettemin blijkt het echter dat zij, evenals trouwens ook de elf discipelen, de vrouwen en alle christenen van alle tijden, het nodig hebben om, - telkens weer - , als een verloren schaap door de Herder gezocht, opgeraapt en naar de kudde teruggebracht te worden.

Van de twee Emmaüsgangers kunnen we immers zeggen dat zij (geestelijk) ten dode wankelden. Afgaande op hun eigen woorden moeten we constateren dat zij bezig waren om de Messias en Zijn koninkrijk af te schrijven. Tegen de vreemdeling die bij hen komt lopen en een praatje met hen maakt, zeggen ze onder meer: Wij hoopten dat Hij was... Ze spreken dus in de verleden tijd. Zo was het nog tot voor kort; maar nu blijft er niets anders over dan maar een streep te halen door al die verwachtingen.

Het weer terug naar huis gaan tekent als het ware hun innerlijke gesteldheid. Blijkbaar hebben ze zich toch vergist; allerlei dingen hebben ze in het hoofd gehaald en zich van alles en nog wat alleen maar ingebeeld.

Nu zijn ze bezig met door alles wat achterligt een streep te halen. Overigens een situatie die alle tijden door in het geestelijk leven voor zal komen. Wat kan een mens aangevochten worden met de gedachte dat hij het zich toch allemaal maar ingebeeld heeft; dat hij bezig geweest is met zichzelf te bedriegen; zijn huis op een zandgrond gebouwd heeft.

Welnu, zulke mensen loopt de Heere hier achterna, Hij zoekt ze op en brengt ze terecht. Ja, maar, zal iemand zeggen, deze twee wandelaars hier waren tenslotte toch echte discipelen van Christus, en nu is het juist maar de vraag of ik dat ook ben. Niet iedereen die wel eens overvallen wordt door twijfel is vanzelfsprekend een ware discipel des Heeren. Het kan toch ook wel eens echt waar zijn dat iemand zich vergist en bezig is zichzelf te bedriegen. Niet een ieder die geestelijk in het donker zit behoeft toch persé gelijk te zijn aan de discipelen, de vrouwen en de Emmaüsgangers daar in Jeruzalem op de dag van Christus' opstanding.

Natuurlijk is dit zonder meer waar. En toch blijft er verschil tussen degene die zijn huis op de rotssteen bouwt en die op het zand bouwt. Dat verschil zit dus wel onder de oppervlakte, maar toch zijn er aanwijzingen die op de één of andere manier naar boven komen.

Om dit te verduidelijken zullen we naast deze Emmaüsgangers eens een ander zetten die zich inderdaad wel schromelijk vergist heeft. De Emmaüsgangers en ook de andere volgelingen van Jezus waren eenmaal gegrepen door het woord en de belofte van Christus. En nu gaan ze allemaal een aards koninkrijk verwachten; in deze tijd en in deze wereld. Ook Judas deed dit, net als al de anderen. Allemaal hoopten zij dat Hij was Degene Die Israël verlossen zou.

En toch is er een groot verschil tussen Judas en die anderen, hoewel zij hetzelfde hoorden en dezelfde verwachtingen gingen koesteren.

Judas werd geboeid uitsluitend door de dingen die beloofd werden: een aards koninkrijk, weldaden en zegeningen, zowel stoffelijke als geestelijke. Maar de anderen, ook onze twee wandelaars, hebben door de belofte ook en vooral de Persoon van de belovende Christus liefgekregen. Bij Judas ging het dus alleen om de dingen die beloofd waren. En als het ons daar alleen maar om te doen is, kunnen we ook met één handomdraai overstappen op een andere partij en partijleider.

De personen die hun bijdrage moeten leveren in het ideaal dat we op het oog hebben, zijn maar wat radertjes in het grote geheel. Functioneren ze niet meer, dan gooien we die weg en vervangen ze door andere. Dat deed Judas. Maar de Emmaüsgangers konden, ook zelfs nu nog niet, de Persoon van Christus afschrijven. In hun woordkeus merken we dat al op. Ze zeggen niet: Wij hoopten op de verlossing van Israët; maar: Wij hoopten dat Hij was... Tegenover die vreemdeling schelden ze Jezus ook niet uit als een bedrieger. En wat zeer opmerkelijk is, zij zwijgen Hem niet dood; ze kunnen niet los van Hem komen en spreken over Hem nog, steeds met eerbied en versluierde toegenegenheid (vs. 19-21). Zelfs tegenover deze vreemdeling verraden zij hun Meester niet, zoals Judas. Zij verloochenen Hem niet, zoals Petrus. Zij schamen zich niet voor deze Jezus en vrezen ook de Joden niet, zoals de discipelen die de deuren op slot deden.

Deze aanwijzingen liggen onder de oppervlak­ te, maar toch leggen ze een getuigenis af dat er, ook nu nog na Zijn dood, liefde tot Christus Zelf is. Bij Judas was deze echte liefde er nooit geweest; hij stapt al naar de andere 'partij' over, nog vóór de dood van Zijn Meester.

Maar bij de twee wandelaars blijkt het dat de wortel der liefde zelfs na de dood van Jezus er nog was; in hun woorden en daden komt dat aan de oppervlakte.

We gaan nog even door met het Verschil aan te wijzen tussen Judas en deze twee discipelen. Hoe groot en sterk het ongeloof bij die twee ook is, toch is er bij hen blijkbaar nog enige 'smaak' van het Woord Gods overgebleven. Judas heeft de meest indringende woorden en waarschuwingen van Christus volledig in de wind geslagen. Maar de Emmaüsgangers worstelen ook nu nog met de woorden van hun Meester. Als we hen zo, al wandelend, horen praten zijn ze bezig het tegen het ongeloof te verliezen en af te leggen. Maar toch zijn ze, zoals uit hun eigen woorden blijkt, nog bezig met die 'derde dag' (vs. 21b). Dat was een woord dat hun Heere menigmaal gebruikt had. Het is alsof we ook hier weer de liefde bezig zien die zich immers aan de laatste strohalm vastklampt. Toch wel een opmerkelijk verschil met Judas.

En dan is er nog iets. Het verhaal dat de vrouwen kwamen vertellen in Jeruzalem heeft hen ontsteld. Blijkbaar hebben zij toch nog iets opgevangen van de 'geur' van het spreken Gods zoals dat doorklonk in het relaas van de vrouwen. 

Met enige waarschijnlijkheid mogen we veronderstellen dat dit verhaal van de vrouwen het punt van bespreking was bij de twee, vóórdat Jezus als vreemdeling Zich bij hen voegde. Het is zelfs mogelijk dat zij samen over dat punt wat onenigheid hadden doordat bijvoorbeeld de één wat meer voelde voor de mededeling van de engel aan de vrouwen, terwijl de ander het meer met de discipelen hield en dit vrouwenverhaal als 'ijdel geklap' van de hand wees. In ieder geval gebruikt Lucas hier een nogal sterke uitdrukking. In vs. 15 lezen we dat zij 'elkander ondervroegen', en Lucas gebruikt hier een woord dat de betekenis heeft van 'woorden wisselen', 'disputeren'. Zulke 'onenigheden' ontstaan er al gauw, zodra we afgaan op dat wat alleen maar mensen er van zeggen en denken, terwijl men dat wat God Zelf zegt aan zich voorbij laat gaan. Op welke wijze gaat de Heere nu deze twee dolende en verloren schapen terechtbrengen? Om te beginnen kunnen we zeggen dat de Heere alles wegneemt wat er vroeger bij deze twee wandelaars geweest was. Daar konden zij nu niets meer mee doen.

Bewust hield de Heere hun ogen gesloten, Jezus was een volslagen vreemdeling voor hen. De Heere vraagt hen niet: Kennen jullie me nu niet meer? De Heere sluit dit geheel toe, zodat zij niet meer konden teruggrijpen naar de situatie van vóór Goede Vrijdag. Christus doet maar één ding. Hij brengt hen bij het Woord Gods waar zij ook bij opgegroeid waren. En dat Woord bestraften veroordeelt hen als onverstandigen en tragen van hart om te geloven.

Maar onder deze striemende kastijding gebeurt er ook nog wat anders.

Naar het vlees hebben zij hun Meester niet herkend aan Zijn stem of aan Zijn postuur of waar dan ook aan. Met opzet heeft de Heere dit verhinderd (vs. 16).

Maar onder Zijn spreken gaat het geloof van deze Emmaüsgangers de opgestane en levende Christus vinden; en Hem vinden en herkennen zij dan in het Woord Gods.

Toen Hij tot hen sprak en hun de Schriften opende, begon hun hart in hen te branden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 april 1978

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

De Emmaüsgangers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 april 1978

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's