Pastoraat als hulpverlening
(2)
Na in een eerste artikel enkele grote lijnen te hebben weergegeven van de inhoud van de dissertatie die kort geleden door G. Heitink is verdedigd wil ik nu enkele kritische kanttekeningen plaatsen. Het gaat mij daarbij niet om detailkwesties en kruimelkritiek. Heitink heeft mij aan het denken gezet over fundamentele vragen rond het pastoraat. In het volgende spreek ik niet vanuit een afgeronde pastorale theologie of iets dergelijks. Wel probeer ik Heitink - die zich in de lijn van de gerefomeerde traditie wil bewegen - enkele vragen te stellen die zich vanuit Schrift en belijdenis aan mij opdringen. Het gaat dan om een viertal kernpunten en wel ten eerste:
De leer van de mens (anthropologie)
Heitink wil in het derde hoofdstuk van zijn boek zoeken naar een leer aangaande de mens, die nauw aansluit bij de resultaten van het onderzoek binnen de mens en gedragswetenschappen, maar waarin toch het eigene van het bijbels mensbeeld gehonoreerd wordt. Zo wordt er als het ware een onderhouwbovenbouw schema ontworpen. Er is een algemene onderbouw, een gemeenschappelijke basis, waar in elk geval de meeste hulpverleners mee kunnen werken. Er zijn een aantal existentialen, grondgegevens die in brede kring van beslissende betekenis voor het mens-zijn worden geacht. Medici, sociaalwerkers, psychologen en pastores kunnen elkaar daarin vinden. Op deze onderbouw wordt vervolgens een bijbelse bovenbouw geplaatst, die, daar heel goed op blijkt te passen! Er is volgens Heitink een analogie in het spreken over de mens vanuit de bijbel én dat op grond van ervaring: Tussen die beide anthropologische benaderingswijzen zijn momenten van spanning én van samenhang aanwijsbaar. Ook hier kan weer het geliefde begrip bipolariteit dienst doen.
Maar nu dringt onvermijdelijk de kritische vraag zich op: in hoeverre legt de onderbouw al bij voorbaat vast hoe de bovenbouw er zal gaan uitzien? In hoeverre gaat het pakket van gegevens vanuit de mens-en gedragswetenschappen de hermeneutische sleutel vormen waarmee bepaalde deuren van de schrift worden geopend, maar andere toegangsdeuren gesloten blijven? Heitink ziet in de reformatie (en dan ook in de gereformeerde belijdenisgeschriften) een anthropologische versmalling optreden. Er was in de reformatie weliswaar sprake van een concentratie op de kern van het evangelie (simul Justus ac peccator, tegelijkertijd rechtvaardige en zondaar), maar de keerzijde daarvan was een reduktie. Al het spreken over de mens wordt dan bepaald door en beperkt tot de polen van zonde en genade. En het pastoraat gaat zich dan voornamelijk afspelen tussen de polen schuldbelijdenis - genadeverkondiging. Nu wil de schrijver naar een bredere, volgens hem meer bijbelse, polariteit toe: die tussen schepping en herschepping. De mens als schepsel mag niet langer wegvallen achter de mens als zondaar. Hij sluit dan aan bij de modernere theologie die niet meer wil weten van een chronologische volgorde tussen schepping, staat der rechtheid en zondeval. Met Berkhof stemt hij in dat de zonde met het mens-zijn gegeven is, 'de zonde is diep in de schepselmatige struktuur van het riskante wezen mens verankerd.' (H. Berkhof) Tegelijkertijd geldt van de mens dat hij nog altijd een stuk van de goede schepping vormt en het beeld Gods vertoont. 'De mens als schepsel én zondaar is de actuele mens, zoals wij hem kennen.' Dit is intussen een theologische beslissing met enorme konsekwenties. Een gevolg daarvan is dat aan het gewicht van de zonde veel minder zwaar wordt getild, het mensbeeld veel optimistischer is getint en het verzoeningswerk van Christus minder centraal wordt gesteld, dan in het klassieke gereformeerde belijden het geval is. Wat mij in hoge mate verontrust is het gemak waarmee allerlei denkbeelden uit de modernere theologie worden overgenomen. Alsof er van belijdenisgetrouwe zijde geen enkel tegenspel is geleverd. Wanneer Heitink erkent dat de reformatie een concentratie te zien gaf op de kern van het evangelie, dan zal dat toch betekenen dat in een geschrift als de Heidelbergse Catechismus in elk geval de kern-gegevens van het mens zijn worden genoemd. Wanneer er dan op grond van de Schrift meer over de mens gezegd zou kunnen worden, zal dat meerdere zich toch om die kern heen groeperen? Gaan we nu heel andere kerngegevens aanwijzen, dan geven we daarmee op zijn minst voet aan de gedachte dat de reformatie zou hebben misgetast! Laten we dan wel beseffen dat we daarmee een wissel omgooien en op een heel ander spoor door theologiseren dan dat waarop we ons vanuit de reformatorische traditie bevonden. Ik kan me niet onttrekken aan de gedachte, dat Heitink niet zozeer een verbreding geeft aan het reformatorisch mensbeeld als wel een radikale wending. Dat heeft ook diep ingrijpende konsekwenties voor de praktijk van het pastoraat. Hoe stap ik bij mijn medemens over de drempel, hoe wordt hij in een pastorale relatie 'onderweg' aangesproken.
Nu ten tweede: Het gesprek als sacrament
Krijgt het gesprek op zichzelf niet te veel een sacramenteel karakter? Dat is een tweede kritische vraag die bij mij gerezen is tijdens de bestudering van Heitinks boek. In de dogmatiek van Berkhof komt het gesprek als heilsbemiddelend en geleidend element heel dichtbij 'het bad' en 'de maaltijd' te staan. Volgens deze theoloog moet openbaring worden gezien als een ontmoetingsgebeuren. Wie nu een (fatale) stap verder doet, zou de stelling kunnen omdraaien: de ontmoeting is een openbaringsgebeuren. Het is dan niet de openirig van het Woord, het is dan ook niet het gezamenlijk gebed, waarin het pastoraal gesprek zijn grootste diepgang bereikt - maar dat gebeurt in de ontmoeting van twee mensen, warbij de één zich luisterend openstelt voor de ander. Door de habitus van toegespitst mens-zijn, door de luisterende en invoelende houding van de pastor kan de ontmoeting helend en heilzaam worden. Het gaat niet zozeer om een bijbelse boodschap die de pastor zou moeten brengen, schriftlezing en gebed kunnen in allerlei situaties achterwege blijven. Velen (waaronder ook Heitink) beklemtonen dat de pastor zichzelf moet ontledigen, wat in verband wordt gebracht met de inkarnatie, en met de zelfontlediging (kenosis) van Christus volgens Fil. 2.
Laat mij om te beginnen heel duidelijk het gelijk in deze visie onderstrepen. Als dominees en waarschijnlijk ook als ouderlingen en diakenen hebben we de neiging veel te veel te praten en veel te weinig te luisteren. Gevolg is dat we dikwijls over de mensen heen praten en langs hen heen redeneren, dat het niet tot een echte ontmoeting komt en dat de mensen achterblijven met het gevoel: wat die ambtsdrager allemaal gezegd heeft zal wel waar zijn, maar sloeg het wel op mij, kan ik er wat mee? Mijn eigen ervaring is dat het gewoon goed is het een en ander aan gesprekstechniek te doen, bijvoorbeeld door zorgvuldige analyse van gespreksverslagen (verbatims). Het is ook heel goed zich wat te verdiepen in bepaalde psychologische inzichten en gegevens. Maar. . . laat de schaal nu niet weer doorslaan naar de andere kant. Mijns inziens zal de skopus van iedere pastorale ontmoeting toch zijn uit te komen bij het Woord om daar samen naar te luisteren. En wat wordt het gevoerde gesprek niet opgeheven naar een hoger niveau, wanneer het in het gebed mag uitmonden. Zeker is het zo dat er bepaalde gesprekken en pastorale ontmoetingen kunnen zijn die nog niet rijp blijken te zijn voor een afsluiting met schriftlezing en gebed. Maar van zo'n uitzonderlijke situatie kan geen regel en van die nood kan geen deugd worden gemaakt. Terecht vragen vele gemeenteleden in allerlei kringen zich af: waarom houdt onze dominee bij het huisbezoek en ziekenbezoek zijn bijbel in de binnenzak en neemt hij afscheid met een 'sterkte!', in plaats van eerst samen te bidden? De theologen doen er goed aan deze vragen die nogal eens gesteld worden vanuit de gemeente zwaar te laten wegen. Het is heel wat waard wanneer de pastor kan luisteren. Maar het moet ook een keer tot spreken komen. Het gaat niet om 'verkondigingsdwang', waarbij de pastor denkt: als ik mijn zegje maar kan doen of - oneerbiedig gezegd - als ik mijn pastorale ei maar kwijt kan. Het gaat wel om het besef van meet af aan: ons pastorale tweegesprek zal als het goed is openvallen voor het beslissende Woord van God.
Ten derde:
De eigenlijke inhoud van het pastoraat.
In navolging van anderen noemt Heitink vier fundamentele funkties van pastoraat als hulpverlening: helen, bijstaan, begeleiden en verzoenen. Over elk van deze facetten zegt hij goede dingen in het zevende hoofdstuk van zijn boek. Daarbij ontkomt hij echter niet aan een paar uitschieters die mij tot een reaktie nopen. Op blz. 291. keert hij zich tegen het pastoraat van de berusting en wil daar tegenover stellen een pastoraat van de opstandigheid. Dr. K. J. Kraan heeft naar aanleiding van uitdrukkingen uit de Ziekentroost die oproepen tot aanvaarding van het lijden, ziende op het lijden van Christus, gesproken van 'opium in het reformatorisch kerkboek' en 'onbijbels gewouwel? '. Heitink zegt dan: Noodzakelijk is een andere verwerking van ziekte, lijden en dood dan de traditionele, wat van grote betekenis is voor het pastoraat aan zieken. Maar heeft niet altijd het gebed om genezing een grote plaats ingenomen in het pastoraat? En is het dan onbijbels wanneer toch ook gaat meeklinken: 'niet mijn wil, maar Uw wil geschiede? ' Dr. C. A. Tukker heeft in een recente publikatie duidelijk laten zien, hoe ook nu nog de oude Ziekentroost een bijzonder duidelijk geluid laat horen en een echt stuk pastorale 'hulpverlening' is. Het element van de tucht in het pastoraat wordt door Heitink met vele vraagtekens omringd. Jammer dat hij de woorden van G. C. Berkouwer die hij zelf citeert niet kan overnemen: 'tucht blijft onlosmakelijk verbonden met verkondiging en oproep tot bekering, en moet daarom onderscheiden worden van usurpatie en hoogmoed.' Misbruik van de tucht heft toch het rechte gebruik niet op? Een belangrijk vraagstuk dat Heitink aan het slot van zijn boek nog aansnijdt en wat ik in dit verband nog tenslotte wil vermelden, is dat van de verhouding tussen pastoraat en gemeente. Die vraag is natuurlijk op het nauwst verbonden met de kwestie van de eigenlijke inhoud van het pastoraat. Is de pastor allereerst man van de kerk, heeft zijn werk primair een bewarende funktie tot opbouw van de gemeente? Ik ben het met Heitink eens dat het werk van de pastor niet kan worden beperkt tot 'geestelijke verzorging van gemeenteleden.' Het pastoraat heeft ook een missionaire en diakonale kant, een beschikbaar zijn voor alle mensen verbinden allerlei situaties. Maar ik zou dit bepaald niet willen herbinden met een optimistisch spreken over 'geloven buiten de kerk' en zeker niet met de barthiaanse visie dat de wereld in principe verzoend is. Kan de pastorale beschikbaarheid voor buitenstaanders ooit anoniem zijn? Principieel kan ik de volgende zin dan ook niet onderschrijven: 'Tevens moet het voor de betrokkenen duidelijk zijn dat de pastor hun vrijheid en waardenoriëntatie in alle opzichten respecteert.' Bij alle onderling respekt zal de pastor toch weer als skopus, als uiteindelijk doel waarbij naartoe werkt, voor zich moeten zien de ander te konfronteren met de enige Naam en de enige weg tot behoud. Hoe kan hij een waardenoriëntatie in alle opzichten respekteren, wanneer hij er van overtuigd is, dat de ander er mee verloren gaat, omdat de levende God daarin niet centraal staat? Bij alle waardering voor Heitinks werk spreek ik met nadruk de hoop uit, dat hij zijn denken nog eens heel indringend wil konfronteren met het gereformeerd belijden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 april 1978
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 april 1978
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's