Zonder Mij kunt gij niets doen
Artikel 14 Nederlandse Geloofsbelijdenis
In het laatste gedeelte van artikel 14 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis komt een thema aan de orde, dat veelbesproken is. Het is het thema van de vrijheid. 'Daarom', zo luidt het, 'verwerpen wij al wat men hiertegen leert van de vrije wil des mensen, aangezien de mens niet dan een slaaf der zonde is en geen ding kan aannemen, zo het hem uit de hemel niet gegeven zij'. 'Het bedenken des vleses is vijandschap tegen God'. 'De natuurlijke mens begrijpt niet de dingen, die des Geestes Gods zijn'. 'Wij zijn niet bekwaam van onszelf iets te denken, als uit onszelf...' En aan het slot van het artikel wordt dan uit deze en andere Schriftgetuigenissen, die zijn aangehaald, de conclusie getrokken: 'Want er is noch verstand noch wil, het verstand en de wil Gods gelijkvormig, of Christus heeft ze in de mens gewrocht; hetwelk Hij ons leert, zeggende: 'Zonder Mij kunt gij niets doen'. Of om het met de woorden van de Heidelberger te zeggen: 'Wij zijn ganselijk onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad. Ja, tenzij wij door de Geest Gods wedergeboren worden' (Zondag 3).
Augustinus - Pelagius
Telkens weer is in de geschiedenis van de kerk het onderwerp van de vrije wil in discussie geweest. Wie denkt hier niet aan de strijd tussen Augustinus en Pelagius? De laatste leerde, dat de mens met een vrije wil ter wereld komt. De mens heeft, volgens Pelagius, ook na de zondeval van Adam een onaangetast kiesvermogen. Als een onbeschreven bladpapier wordt hij geboren (tabula rasa). Als God ons slechts te hulp komt door de wet, de leer en het voorbeeld van Christus, waarom zouden wij dan niet werkelijk geestelijk en goed kunnen leven? Augustinus stelde daartegenover, dat de mens een verdoemelijke massa is (massa perditionis) en dat alleen wederbarende genade hem werkelijk weer innerlijk vrij maakt tot het goede. Helaas hebben de opvattingen van Pelagius een geweldige invloed gehad in de klassieke Rooms-Katholieke leer van de Middeleeuwen, zij het dan in de vorm van een semi-pelagianisme. Dat wil zeggen, dat enerzijds werd vastgehouden aan de gedachte, dat een mens niet onbesproken en vlekkeloos op de wereld komt (erfzonde), maar anderzijds toch ook werd geleerd, dat er in de mens een aangeboren vermogen tot het goede is, die door 'helpende genade' (via de kanalen van de sacramenten ingegoten) wordt aangesterkt.
Luther - Erasmus
In de dagen van de Reformatie is dit punt van de vrije wil één van de belangrijkste breekpunten geweest, waardoor de wegen tussen Rome en de Hervorming fundamenteel uiteengingen. Het was Luther, die in zijn strijd met Erasmus, in de lijn van Augustinus, alle nadruk legde op de gebondenheid van de menselijke wil (servum arbitrium). Volgens Erasmus zou de vrije wil de kracht bezitten om zich voor te bereiden voor het eeuwige leven, waardoor de genade verdiend werd naar billijkheid. Luther daarentegen hield staande, dat de mens zich niet kan schikken tot het goede. En als dan toch in de heilige Schrift aan de mens met zijn slaafse wil de wet wordt voorgehouden, dan gebeurt dat niet om te suggereren, dat hij het gebod van God met enige goede wil wel vervuld krijgt. Nee, het is als wanneer tot iemand, wiens beide armen gebonden zijn, gezegd wordt: 'Grijp'! Maar dat niet om bij hem de gedachte te wekken, dat zijn gebondenheid zo erg niet is, of om zijn gevangenschap te bespotten, maar om hem zijn hoogmoedige waan van vrijheid en macht te openbaren, en om hem daarmee naar Christus toe te slaan. Zo oordeelde Luther.
De Dordtse Leerregels
Over het thema van de menselijke vrijheid ging het ten diepste ook in de strijd tussen Remonstranten en Contra-Remonstranten. Op de Dordtse Synode is het semipelagiaanse gevoelen van de Remonstranten verworpen, die leerden, dat 'de onwedergeboren mens niet eigenlijk noch geheellijk dood is in de zonde of ontbloot van alle krachten tot het geestelijk goed', maar 'dat de verdorven en natuurlijke mens de gemene genade (het licht der natuur), of de gaven, hem na de val nog overgelaten, zo wel gebruiken kan, dat hij door dat goed gebruik een meerdere, namelijk de Evangelische of zaligmakende genade en de zaligheid allengskens en bij trappen zou kunnen bekomen'. Door 'de zachte aanrading van het Evangelie' gaat volgens de remonstrantse leer de mens, die 'van nature kan hongeren en dorsten naar de gerechtigheid' geleidelijk aan geloven. (Dordtse Leerregels, hoofdstuk III/IV, verwerping der dwalingen artikel 4-9).
Geen weerstandsvermogen
Hoe geheel anders staat het in artikel 14 van de Geloofsbelijdenis. De mens is na zijn zondeval niet dan een slaaf der zonde. Bij een vorige gelegenheid hebben we reeds gezien, welk een ruïnerende kracht de zonde had, toen ze haar intrede deed in het menselijk bestaan. De zonde heeft op een schrikbarende wijze huisgehouden in de menselijke natuur. Vóór de zondeval was Adam vrij in die zin, dat hij niet slechts een keuzemogelijkheid had, waardoor hij kiezen kon tussen goed en kwaad (formele vrijheid), maar ook in die zin, dat hij in innerlijke toewijding aan God afgestemd was op het goede (materiële vrijheid). Adam was bij zijn schepping niet de robotfiguur, die niet anders kon doen dan wat hem voorgeschreven was. Adam is ook niet als een zwakkeling, een soort couveuse-kind uit de handen van de Schepper voortgekomen, zodat het eigenlijk heel begrijpelijk was, dat hij, bij de eerste de beste verleiding tot het kwade, viel. Integendeel, hij was 'verzoekbaar' tot het kwade, maar hij was niet een gemakkelijke prooi voor het kwade. Zijn Maker had hem toegerust met een uitnemend vermogen om aan het kwade weerstand te bieden. Maar dat uitnemend vermogen is na de zondeval weg. In plaats van innerlijke toewijding aan God is er in het hart van de mens thans slaafse gebondenheid aan de zonde.
Slechts een vrije wil ten kwade
In deze zin heeft ook Calvijn over de wilsvrijheid gesproken. Hij heeft erover 'gestreden' met Pighius. 'De mens is gebonden aan de kluisters der zonde'. Hij is van zijn wilsvrijheid beroofd en aan jammerlijke dienstbaarheid onderworpen. De term wilsvrijheid met betrekking tot de gevallen mens is daarom volgens Calvijn misleidend. Hij zou er maar het liefst van af willen. Als men er echter mee bedoelt, dat de mens na de zondeval het kwade vrijwillig doet, dan is Calvijn accoord. Men zou dan ook eigenlijk moeten zeggen; dat de mens een vrije wil ten kwade heeft. Hij kan niet anders dan kwaad doen.' Dat is een feit. Maar hij wil ook niet anders. Dat is zijn schuld. Daarom is het misleidend om te spreken over de vrije wil van de mens, alsof hij op een goede dag uit eigener beweging toch nog naar God zou kunnen gaan vragen. De gevallen mens doet de zonde met de grootst mogelijke instemming van zijn hart. Daar zit de bron van het kwade. Hij is dus niet de noodlottige speelbal van een macht buiten hem. En om werkelijk met instemming van het hart het goede weer te gaan doen, daarvoor is niet minder dan wederbarende genade nodig. (Vgl. Gen. 8 : 21, Ps. 51 : 7, Ez. 36 : 26, Rom.7 : 18, 8 : 6, 7; Gal. 5 : 17; Joh. 6 : 44; 8 : 34; 15 : 5; Rom. 3 : 9, 6 : 16, 7:14; Fil. 2 : 13; 1 : 6).
Betekent dat dan, dat de onwedergeboren mens op een gegeven moment niet tot een keus kan komen van iets, dat naar menselijke maatstaven gemeten, goed heet? Ja, maar dat is nog geen keus voor het geestelijk goede, dat in Gods oog bestaan kan. Het is hier als met iemand, die op een emigrantenschip zit en naar Canada vaart. Midden op de oceaan krijgt hij er zin in om nog eens even bij zijn familie in Nederland om het hoekje te kijken. Hij stapt op, gaat van de voorsteven van het schip naar het achterdek, richting Nederland. Maar inmiddels vaart het schip wel door, richting Canada. Zijn beslissing is er één op een boot, waarvan de koers bepaald is. Een gebrekkig voorbeeld, maar een voorbeeld, waarmee ik wil duidelijk maken dat onze keuzevrijheid er één is in de sfeer van de zonde. De hang van het hart is: van God af. De mens is op de weg der vervreemding van God, de weg der rebellie. En dat stempelt alles, wat hij wil en besluit, hoe goed het ook lijkt te zijn. De koers is bepaald. Vrijheid als een ideaal van zelfbepaling en zelfbeschikking is dan ook ten diepste vanuit de mens zelf een illusie. En wanneer we dit ideaal der vrijheid als een toverformule telkens weer zien opduiken in onze tijd, houden we daarom ons hart vast.
Vrijheid sals zelfbeschikking
Vrijheid, waarmee de mens over zichzelf beschikken kan. Dat is het modewoord vandaag. Vrijheid van knechtende machten, die de mens uitbuiten en onteren en die hem zijn deel in dit leven niet gunnen. Vrijheid van knechtende politieke en maatschappelijke stelsels, waardoor mens-onwaardige toestanden in het leven zijn geroepen b.v. Vrijheid van wetten en regels, die de mens in een keurslijf dwingen, dat hem bedreigt in zijn bestaan. Dit vrijheidsideaal stoelt niet zelden op de overtuiging, dat de mens mondig genoeg is om voor zichzelf te beschikken en zelf uit te maken, wat goed en wat kwaad is. Dit ideaal is zelfbedrog. Want een volmaakte vrijheid van alles, waarbij de mens helemaal zichzelf moet en mag zijn, is precies het tegenovergestelde, nl. slavernij, hartstochtelijke ik-zucht. Zelf uitmaken, wat goed en wat kwaad is, dat is de oerzonde uit het paradijs. Vrij zijn van God en van Zijn heilige wet, dat is onze diepste ellende. Zo is de mens tenslotte geheel aan zichzelf overgelaten. En zo weet hij op de duur met zichzelf geen raad.
Vrijheid in gebondenheid
Tot echte vrijheid komt het eerst, wanneer door Gods Geest het hart van de mens is ingewonnen voor het Woord van de levende God. Christus zei: De Waarheid zal u vrijmaken' (Joh. 8 : 32). En: Indien dan de Zoon u zal vrijgemaakt hebben, zo zult gij waarlijk vrij zijn' (Joh. 8 : 36). Dat is een vrijheid in de hoogste gebondenheid aan Hem, in Wiens gemeenschap en onder Wiens gebod er voor de mens alleen maar sprake kan zijn van een werkelijk zinvol bestaan. De vrijheid van het mens-zijn, waarin het beeld Gods hersteld is.
Dat wil zeggen, dat wij weer verantwoorde koningskinderen zouden zijn, waarin de heerlijkheid van de Schepper weerspiegeld wordt. Of om met Luther te spreken in zijn 'De vrijheid van de Christenmens': 'Een christenmens is een vrije heer van alle dingen en niemands onderdaan een christenmens is een dienstknecht, onderworpen in alle dingen en ieders onderdaan'.
Zonder Mij kunt gij niets doen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 april 1978
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 april 1978
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's