Mediteren...
Gezegd wordt dat Luther drie uur per dag placht uit te trekken voor bijbelstudie en gebed. Dat kan in onze gejaagde, dynamische tijd niet meer, zal worden tegengeworpen. En wie zal dat ontkennen. Maar als er in het geheel geen tijd meer is voor het stil zijn voor God, voor het overdenken van Zijn Woord, dan zal ongetwijfeld het geestelijk leven verschralen, dan lijdt het schipbreuk op de kolkende golven van de tijd met haar bruisende activiteiten. De krachtcentrale ontbreekt en een mens leeft verder op eigen krachtbronnen, die niet blijvend voeden.
Nu is er in onze tijd allerwegen een oplevende belangstelling voor meditatie. Oosterse religies vragen aandacht voor mediteren. Men schrijft lichaamstechnieken voor om volkomen relaxed te zijn, om als het ware met de menselijke geest aan het lichaam onttrokken te zijn. In sommige meditatietechnieken heeft het vertoeven bij religieuze geschriften (-of het nu de Bijbel is of de Koran is niet beslissend-) een plaats. Maar bij deze meditatietechnieken is de mens verzonken in zichzelf. Hij heeft geen voorwerp of persoon, waarop de overdenking gericht is. En als zodanig is de meditatie niet gericht op een krachtbron die werkelijk kracht kan geven.
Intussen blijkt echter uit deze hang naar meditatie, die vooral ook bij jongeren te signaleren valt, dat de mens een bestemming heeft, die de drukke jacht van het aardse te boven gaat. In de jacht en het beweeg van het leven van elke dag - wat onze tijd betreft met zijn stresssituaties - ligt kennelijk geen blijvende bevrediging.
Nodig
Het christen-leven heeft óók stille tijd nodig, tijd voor omgang met en overdenking van het Woord. Op zichzelf zou dat een natuurlijke zaak moeten zijn in het christelijke leven. Zoals het lichaam niet zonder voedsel kan, zo kan het geestelijk leven niet zonder de beademing van het Woord, niet zonder de beleving van de gemeenschap met God. Maar dat hier toch ook in het geestelijk leven soms vanwege de jacht van de tijd een manco ligt is buiten kijf. Even bidden, even lezen. Alles even, soms minuten werk, al zal het waarachtige geestelijke leven de oefening, gegeven in de verborgen omgang, nooit te lang missen kunnen. Dan komt er het heimwee, het zoeken van de stilte.
Er verschijnen thans ook boeken uit christelijke kring over mediteren. Zo verscheen bij de uitgever Kok te Kampen een boek getiteld 'Klein meditatieboek'. De schrijfster is Hanna Hummer, dominese in het Duitse plaatsje Selbitz, waar zich een kwart eeuw geleden de 'Christusbroederschap' vestigde, 'een evangelische gemeenschap van broeders en zusters (meest jonge mensen!), die zich totaal beschikbaar wilden stellen voor de dienst aan Jezus Christus in de wereld.' Hanna Hummer geeft leiding aan de nu 175 leden tellende broederschap. In dit boekje geeft zij prachtige gedachten over het stil zijn voor Gods Aangezicht. 'Meditatie is beschouwend bidden'. Het is een gebeuren, 'waarbij een mens totaal betrokken is. Als we het Woord aanschouwen, worden we van Godswege doorschouwd en heel ons wezen wordt geconcentreerd op het eigenlijke centrale punt, op God zelf'. Gods stem roept ons. God praat ons niet naar de mond. Zijn spreken is absoluut en raakt te allen tijde precies de kern van ons bestaan. Zijn liefde doet ons innnerlijk voor Hem buigen en treft ons precies in het geweten. Dat komt ons maar al te vaak niet goed uit. Ook in de kring van de discipelen werd eenmaal gezegd: 'deze rede is hard wie kan haar horen? ' Mooie dingen worden gezegd over de heiliging, de navolging, Getsémané, Pinksteren, het tarwegraan, de openbaring van Jezus aan de discipelen na de opstanding.
Maar - en dat is wat we vaker aantreffen in hedendaagse opwekkingsstromingen en broederschappen als de genoemde - het staat alles onder de beheersing van één begrip: de liefde! Bijvoorbeeld: 'de echte bekering ... wordt geboren uit de liefde waarmee ik aangesproken word. Op dat moment ontdek ik mijn schuld...'
Ik hoor een protest: alsof liefde niet een centraal bijbels woord zou zijn! En alsof het niet de goedertierenheden Gods zijn, zeg de liefde Gods is, die tot bekering lijden. Ik haast me dan ook te zeggen, dat in het benadrukken van de liefde, zoals dat gebeurt in dit boekje van Hanna Hummer, een element zit dat ook schromelijk kan ontbreken in onverdacht rechtzinnige kring. Terwijl toch de meest van deze (geloof, hoop en liefde) de liefde is!
Maar toch, er is méér. Er is ook de eisende gerechtigheid, die overigens een geschonken gerechtigheid wordt door die vreemde ruil: Hij mijn zonde, ik Zijn gerechtigheid. Dat is de diepte in het avondmaalsformulier als óók tot meditatie, tot overdenking wordt opgeroepen: 'ten eerste bedenke een ieder bij zichzelf zijn zonden en vervloeking, opdat hij zichzelf mishage en zich voor God verootmoedige, aangezien de toorn Gods tegen de zonde zo groot is, dat Hij die (eer Hij die ongestraft liet blijven) aan zijn lieven Zoon Jezus Christus, met de bittere en smadelijke dood des kruises gestraft heeft.' Hier wordt niet direct over de liefde maar over de toorn gesproken, terwijl dan direct het zicht geopend wordt op de Zoon, die bitter en smadelijk leed en stierf en zo de liefde deed opbloeien. Maar liefde en gerechtigheid gaan hand in hand.
Daarom, wanneer er is de meditatie, de stille tijd voor God dan gaat het óók om het overdenken van de gerechtigheid, en dan ook over de vrede die 'met een kus van het recht wordt begroet.'
Dat zijn elementen, die in het genoemde meditatieboek ontbreken.
Maar intussen is het van onschatbaar belang, dat een boekje als van Hanna Hummer de aandacht van de christen vraagt voor het stil zijn voor God, en vandaaruit voor het leven-in de heiliging voor Gods Aangezicht, uitkomend in de omgang met de ander, in liefde. Daarvan zegt prof. dr. H. Jonker in een artikel over 'Schriftonderzoek en meditatie' in Theologia Reformata van juni 1977:
Ds. F. Kijftenbelt
Toen ik mij dezer dagen zette aan het lezen van dit meditatieboek kwam onverwacht ook in mijn bezit een jaren geleden uitgegeven boek van ds. F. Kijftenbelt, ooit predikant in Rotterdam Zuid, 'emeritus predikant te Wierden', zegt de omslag. Ds. Kijftenbelt was een prediker, die velen geboeid heeft, een man waarover sommigen nóg sprekeo. Hij eindigde altijd zijn preken met een zelfgemaakt gedicht. Het bewuste boek heet 'Studeren en mediteren'. Het zijn honderd schetsen (kennelijk preekschetsen) uit de Heilige Schrift. Over het schrijven ervan zegt de auteur: 'Het was een tijdpassering die ons opgewekt maakte' . Het was kennelijk mediterend studeren en studerend mediteren. Welnu, ik zou zeggen zulk een boek is een reformatorisch meditatieboek bij uitnemendheid.
Honderd stukjes voor honderd dagen. Een boek dat een herdruk waard is. Een boek waarin gerechtigheid en liefde twee kanten van één zaak zijn.
Het eerste hoofdstuk gaat over Henochs wandel met God. Het slot van dat fraaie hoofdstuk volgt hier ter afsluiting:
'Welnu: 'die twee zijn weer bijeen gekomen. Niet zo, dat zij van beide kanten wat deden en elkander tegemoet gekomen zijn; want dat doet de afgevallen mens nooit. Maar de Heere was de Eerste. Dat wandelen van Henoch wijst op iets vertrouwelijks. Wonderlijk dat dat nog weer kan. Want wanneer het bij Henoch kon en mocht, dan kan het ook bij andere mensen, o.a. bij Abraham, bij Mozes, bij Paulus. Het gaat van de Heere uit, om ons op te zoeken, ons eerst aan onze schuld te ontdekken, maar dan ook de weg ten leven in Christus te wijzen.
Zo is de Heere in Henoch's leven verschenen (niet zichtbaar, want God is een Geest) en de Heere heeft zeker gezegd: 'Henoch, zullen wij weer samengaan? Het werkverbond ligt wel verbroken, maar Ik heb nog een genadeverbond ook met u gesloten. Staks zend Ik Mijn enige Zoon naar deze aarde. Die zal alles volbrengen. Hij wil uw leven leven en uw sterven sterven...'
En in Henoch's hart is de begeerte naar de Heere ontstoken. Hij heeft de Heere in al zijne wegen gekend en ging in alles met Hem te rade. Nu was zijn leven op de eeuwigheid aangelegd en hij mocht Gods verborgen omgang smaken. De buitenwereld heeft dat ook vernomen, want in het boek Henoch lezen wij, dat hij geprofeteerd heeft tegen de goddeloosheid van-zijn tijd.
Wat wonderlijke omgang, die van den Heere met Zijn kind! Zalig, die daar iets van kent. Die zal de eerbiedige afstand bewaren tussen hem en de Heere en toch alles durven vragen, want de Heere gaf Zelf vrijmoedigheid.
Wij lezen verder: En hij was niet meer.' Een echte Hebreeuwse uitdrukking. Een zogenaamd 'euphemisme.' Eigenlijk: hij was niet meer hier. Wat plotselinge overgang: 'ineens verdwenen.' Henoch is jong weggenomen, althans voor die tijd. Kort is de wandeling met de Heere hier voor alle Gods kinderen. Een afschaduwing van hun eeuwige wandel boven in het zalig licht. Laten we ons niet verwonderen als God de Zijnen soms jong weg neemt. Hun eigenlijke standplaats is niet hier. Hier kunnen zij niet tieren.
Ineens was Henoch weg. God nam hem weg. Eigenlijk: God nam hem op tot Zich, zó, dat het sterven hem bespaard bleef. Zijn lichaam is meteen veranderd in heerlijkheid. Zijn tijdgenoten vonden hem niet (Hebr. 11).
Ook Mozes' lichaam vond men later niet; hij was wel gestorven, maar door God begraven. Is de Heere niet de Almachtige en de Vrijmachtige? Dit nu met Henoch is een bijzonder geval. Daarvan zou de Heere ook tot Zijne kinderen kunnen zeggen: 'Wat gaat het u aan? ' God houdt zich 'Zijn bijzondere gevallen' voor.
Intussen maakt de Heere het wél met allen, die ook iets van de wandel met God hebben gekend. Al liggen zij hier telkens weer in verbrijzeling neer voor Zijn aangezicht, hun wandel is toch in de hemelen, waaruit zij hun Zaligmaker verwachten. Nu gaat het door het tranendal, al zijn ze daar ook nooit alleen; maar straks krijgen ze wandelingen onder 's Heer en engelen.
Hoelang o mens, waagt gij de reis naar de eeuwigheid nog alleen? Misschien is u omringd door groot gezelschap uwer kerk en zit met hen aan de Tafel des Heer en. Maar bedenk: Uw hartsgeheimen moeten beleden worden en die kunt ge aan de mensen niet kwijt. De Heere wil en moet in onze geheimen opgenomen zijn.
Hij is de Hoge en de Verhevene; maar mijd Hem daarom niet! Hij bukt Zich toch zo laag neer en spreekt tot tollenaren en zondaren van vergeving. De Heere Jezus Christus heeft Zich nog nooit geschaamd met hen naar Vaders troon te gaan die door den Geest bewogen, zich tot Hem om hulpe wenden. Hij staat er bij en er naast als Zijn kinderkens voor God staan.'
Ds. Kijftenbelt besluit dan met het volgende gedicht:
Hij was de Eerste, Die mij vroeg: Hoe lang ik 't leven doorliep zonder Hem? Of ik dan eind'lijk luist'ren wilde naar Zijn stem. Nu Hij op Golgotha mijn schulden droeg.
Hij bood Zich aan, om mee te gaan En wandelde met mij, niet voor de vorm, Maar om te luist'ren naar die aardeworm Af en toe bleef Hij stil naast mij staan.
Ik heb Hem alles onderweg verteld: Hoe 'k and're goden dikwijls ruiar mijn lust verkoor;
Hem hemelspoor steeds weer uit 't oog verloor. Daarop heeft Hij Zijn heilsgeheim gespeld.
O heerlijk erf! Nu mag ik samengaan Met mijn Formeerder, Die in Christus voor mij zorgt.
Mij nooddruft schenkt en ' t eeuwig leven borgt. Met 't Lam, dat naast mij voor Gods troon wil staan.
Hanna Hummer: Klein meditatieboek; over kreatief zwijgen en sprekende stilte; uitgave J. H. Kok, Kampen, 138 pagina's, ƒ 17, 50. Verwezen werd naar: ds. F. Kijftenberg, Studeren en mediteren; Uitgave De Graafschap, Aalten, 254 pagina's.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 april 1978
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 april 1978
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's